Ik geloof niet in alomvattende blauwdrukken waarmee maatschappelijke problemen in één klap op te lossen zouden zijn, verklaarde Mark Rutte vorige week tijdens de H.J. Schoo-lezing. De premier verdedigde zich met deze woorden tegen het alom klinkende verwijt dat hij geen visie zou hebben.
Met het afwijzen van die ‘alomvattende blauwdrukken’ greep Rutte terug op een liberale traditie die zijn oorsprong heeft in de decennia na de Tweede Wereldoorlog. Na de ravage die Hitler en Stalin in naam van een hoger doel (een zuivere staat, een klasseloze samenleving) hadden aangericht, waren veel intellectuelen huiverig voor het idee van ‘de ideale samenleving’.
Een van hen was Isaiah Berlin (1909-1997), de ideeënhistoricus en politiek filosoof die waarschuwde voor blind idealisme. Door sommigen werd hij als rechts of zelfs reactionair gezien. Dat heeft niet kunnen verhinderen dat hij een van Engelands bekendste publieke intellectuelen werd en nog steeds een veel gelezen auteur is. Er is zelfs een Berlin-revival gaande. Zijn essaybundels worden weer uitgegeven, er verschijnen nieuwe boeken over hem van Joshua Cherniss en Arie Dubnov, een heruitgave van de intellectuele biografie van John Gray ligt in de winkel en er is een nieuw deel van Berlins verzamelde brieven, samengesteld door Oxford-historicus Henry Hardy en Mark Pottle: Building. Letters 1960-1975.
Op de vlucht
Berlin begaf zich in zijn werk op het grensgebied tussen geschiedenis en filosofie. Hij benadrukte hoe groot de invloed is van ideeën op de geschiedenis. En omgekeerd, zeker in Berlins geval: zijn persoonlijke geschiedenis was van invloed op zijn ideeën. Als zoon van welgestelde Joodse ouders werd hij geboren in Riga. Het gezin vluchtte in 1921 naar Engeland vanwege de verdachtmaking van de bourgeoisie na de Russische Revolutie van 1917. Deze revolutie was vormend voor het gedachtegoed van Berlin. De achtjarige Isaiah was in het Sint-Petersburg van 1917 getuige van een scène die grote indruk op hem maakte: hij zag een oude politieagent die door de straten werd gesleurd door vijftien woedende mannen.
Berlins afkeer van fysiek geweld, zijn achterdocht jegens politieke experimenten en voorkeur voor compromissen kwamen voort uit deze vroege kennismaking met een totalitaire staat. Later werd hij hieraan opnieuw herinnerd. Zijn grootouders in Riga werden vermoord door de nazi’s. En tijdens een kort bezoek aan Sint-Petersburg in 1946 ontmoette hij de Russische dichteres Anna Akhmatova. Zij leed onder de Sovjet-onderdrukking: haar ex-man was geëxecuteerd door de geheime politie en haar zoon werd meermalen gevangengenomen. Zijzelf mocht na 1946 niet meer publiceren. Berlin beschouwde de avond met Akhmatova als de indrukwekkendste ontmoeting uit zijn leven.
Berlin formuleerde twee kernwaarden als antithese van het totalitarisme: vrijheid en pluralisme. Hij onderscheidde twee verschillende opvattingen van vrijheid. Negatieve vrijheid betekent simpelweg ‘vrijwaring van’: de afwezigheid van interventie van anderen. Positieve vrijheid is ‘vrijheid tot’. Deze definitie is complexer: hij omvat zowel ‘autonomie’ als ‘de mogelijkheid om gestelde doelen te behalen’. Berlin waarschuwde dat positieve vrijheid ook schadelijk kan zijn: ze kan worden misbruikt door totalitaire regimes die menen te weten wat het beste was voor iedereen. Onder pluralisme verstond hij geen onverschillig relativisme, maar juist interesse in en respect voor andere meningen en waarden, en de bereidheid compromissen te sluiten.
Deze thema’s komen terug in de nieuwe brievenbundel: 600 verse pagina’s met zijn elegante schrijfstijl, gevoel voor humor en scherpe analyses. Misschien zijn Berlins brieven wel toegankelijker dan zijn essays. In de brieven schakelde Berlin heen en weer tussen persoonlijk en politiek, met de nadruk op het laatste.
Berlin pleitte ervoor een oplossing te zoeken die het minst onrechtvaardig was – hoe suboptimaal die ook zou zijn
Joodse staat
Neem zijn vele brieven over Israël. Berlin maakte zich ernstige zorgen om de agressie van de Arabische wereld jegens de kleine Joodse staat, maar bekritiseerde tegelijk de expansiedrift van de kolonisten. Opnieuw wees hij op de botsing van waarden: ‘Meer geluk, meer rechtvaardigheid, meer vrijheid (voor Joden) kan hiermee (de stichting van de staat Israël, FR) worden verzekerd, maar ten koste van onmiskenbaar onrecht jegens de Arabieren.’ Hij pleitte ervoor een oplossing te zoeken die het minst onrechtvaardig was – hoe suboptimaal die ook zou zijn. Even afgewogen was Berlin in zijn oordeel dat Oxford een rugbywedstrijd tegen het Zuid-Afrikaanse team De Springboks moest boycotten. Een boycot heeft niet altijd zin, schreef hij, maar wanneer je kunt verwachten daarmee de publieke opinie te beïnvloeden, is het een goed wapen.
Het leuke aan de brieven is dat die, meer dan de essays, een beeld geven van Berlins persoonlijkheid. Volgens zijn biograaf Michael Ignatieff was hij onzeker, vond hij het belangrijk dat mensen hem aardig vonden en was hij een enorme roddelaar. Deze zwaktes komen onverbloemd uit de brieven naar voren. Meer dan eens verzuchtte Berlin dat hij eigenlijk niet veel voorstelde: zijn wereldberoemde essays noemde hij ‘kleine dingetjes’ en hij maakte zich zorgen over het feit dat hij geen groot academisch werk had geschreven. Wanneer een lezing niet doorging, was hij blij omdat hij zich schaamde voor zijn slechte voorbereiding.
Berlins behaagzucht en neiging tot roddelen zijn opvallend. Aan de marxistische historicus E.H. Carr, met wie hij het intellectueel hevig oneens was, schreef hij een vriendelijke brief waarin hij hem uitnodigde eens op visite te komen. Deze milde toon contrasteert met de heftigheid waarmee hij in brieven aan anderen tegen Carr tekeerging. Carrs boek noemde hij ‘grof, simpel en oppervlakkig’; de man zelf ‘begrijpt geen intellectuele kwesties en ideeën’ en was zelfs een ‘monster’ dat ‘verboden zou moeten worden ooit nog over ideeën te schrijven’. Ook over John F. Kennedy, bij wie hij een keer dineerde, uitte hij zich verschillend. Aan Jackie Kennedy schreef hij hoe magnifiek hij haar echtgenoot vond, hoe gevleid hij was dat hij met hen had mogen dineren, hoe onmogelijk-onder-woorden-te-brengen bijzonder het was om zo’n grootheid in levenden lijve te ontmoeten. In een brief aan zijn eigen vrouw noemde hij Kennedy ‘meedogenloos’, ‘moeilijk’ en ‘zielloos’. Maar hij moest huilen toen Kennedy werd vermoord.
Wat zou Berlin zeggen over ingrijpen in Syrië?
De sixties
Het opvallendst aan dit brievenboek is Berlins oordeel over de tijd waarin hij leefde. De jaren zestig en het begin van de jaren zeventig, nu gevierd als een tijdperk van nieuwe mogelijkheden, groeiende welvaart, emancipatie van minderheden en jeugdig engagement, vielen bij Berlin minder in de smaak. In 1969 schreef hij aan een vriendin: ‘Niets is tegenwoordig minder populair dan te zeggen dat waarden botsen, dat er geen ultieme oplossing is, dat wat je ook kiest het opgeven van iets anders betekent. Dit wordt tegenwoordig gezien als onwaar of cynisch of allebei, maar het tegenovergestelde is wat ons zoveel verschrikkelijk lijden en bloed heeft gekost in het verleden.’
Voor de rebellerende jongeren kon hij geen sympathie opbrengen: hij vond ze egocentrisch, onvolwassen, niet werkelijk geëngageerd. Aan een vriendin schreef hij: ‘Ja, ik heb Werther gelezen. Ik denk niet dat de jeugd van tegenwoordig het zou kunnen lezen – niet obsceen genoeg, niets over masturbatie etc., niet “relevant”, alleen een gevoel van wanhoop, en dat is het laatste dat zij voelen.’ Maar tegelijk had hij medelijden met hen. In een andere brief schreef hij dat de jongeren van ‘nu’ (1969) in een naardere wereld leefden dan hijzelf in zijn jeugd (de jaren dertig). Terwijl zijn generatie nog duidelijke vijanden en idealen had gehad, wisten de jongeren van nu niet meer waarvoor ze moesten strijden: de welvaartsstaat, veiligheid en efficiëntie waren nu eenmaal geen opwindende doelen. ‘Wij vreesden iets: oorlog, economische ineenstorting, totalitarisme. Maar verveling is erger.’ Je vraagt je af wat Berlin zou zeggen over de jongere generatie van vandaag.
Het is een vraag die het boek vaker oproept: wat zou Berlin zeggen over de gebeurtenissen in onze tijd? Dat is niet altijd makkelijk te bepalen, omdat hij elke situatie op zichzelf beoordeelde. Vermoedelijk zou hij in de huidige generatie politici niet de gezaghebbende figuur vinden naar wie hij zei te verlangen. En waarschijnlijk zou hij weinig waardering hebben voor het publieke debat over bijvoorbeeld de bezuinigingen en de Europese Unie: te veel cijfers, te weinig ideeën. Maar wat zou hij zeggen over ingrijpen in Syrië of meedoen aan de Olympische Spelen?
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.