Twee zwarte vriendinnen ploffen neer in de tram, bomvolle boodschappentassen op de ene stoel, zijzelf op de andere. Heerlijk roddelen ze in het Sranantongo, terwijl het Amsterdamse binnenstadsverkeer voorbijraast en de tram zich er dwars doorheen tingeltangelt. Ze wisselen tips uit om geld te besparen. De ene laat haar strippenkaart zien. Weet je wat ik altijd doe, zegt ze. ‘Te mi mus’ stempel feifi, dan m’e fow a san’ so, na a stempel fo’ – als ik er vijf moet stempelen, vouw ik het ding zo dat hij er vier afstempelt. ‘Na ala leisi mi win wan strip’ – zo win ik elke keer één strip. De vriendin lacht.
Ze hebben voor de zekerheid even om zich heen gekeken, maar de kust is veilig. De tram is leeg, op een witte vrouw met een bril na, die in de lach schiet als ze hen hoort praten. De Surinaamse kijkt om naar de witte vrouw met de bril en maakt een tyuri, dat afkeurende slurpgeluid dat Surinamers maken. ‘Luk’ a wit uma drape,’ zegt ze tegen haar vriendin, moet je die witte vrouw daar zien. ‘A e lafu lek’ a sab san w’e taki. Ma a no fersta wan moer.’ Ze zit dom te lachen, alsof ze weet wat we zeggen. Maar ze verstaat er geen moer van. De witte vrouw moet nu nog harder lachen. Achteraf zegt ze: ik had ze lik op stuk moeten geven in hun eigen taal, in ónze eigen taal. Dán had je die gezichten moeten zien.
Die witte vrouw is mijn moeder.
Mijn moeder is een Boeroe. Haar huidskleur past niet bij haar tongval: die ‘oewee’ en die zangerige intonatie, die zinnen die eindigen met toch, no of hoor. Surinamers en Nederlanders: eigenlijk zijn ze beiden een beetje in verwarring als het hokje niet klopt. Mijn Hindostaanse vader wordt soms nog wel herkend als Surinamer, maar mijn moeder ziet er Nederlands uit: witte huid, blond haar, blauwe ogen – Hollands glorie, kortom. Maar als je haar vraagt wat ze is, zegt ze zonder enige aarzeling: Surinamer. Mensen snappen dat niet. Omdat ze niet in één hokje past én omdat de geschiedenis zo onbekend is.
Als het in Suriname rustig was gebleven, zoals het in haar jeugd was, als de onafhankelijkheid niet zo rommelig was verlopen, als ze geen kinderen had gekregen.
Als als als.
Dan was ze vermoedelijk nooit naar Nederland gekomen, want, zoals alle Surinamers zeggen, zegt ook mijn moeder: Mi kumbattei beri drape, mijn navelstreng is daar begraven.

Levensveranderende keuzes
Mijn moeder is een nakomeling van Nederlanders die in de negentiende eeuw naar Suriname kwamen. Ze bleven, zoals dat gaat met migranten. Ze bleven in hun nieuwe land, dat in de loop der generaties onder hun witte huid kroop en in hun bloed ging zitten, tot hun oude land vreemd was geworden en het nieuwe land vertrouwd. Tot ze geen Nederlanders meer waren, maar Surinamers.
Wítte Surinamers.
Anno 2016 zijn ze er geïntegreerd, is hun Boeroebloed verdund, verwaterd, hun kleur veranderd. Na lang homogeen te zijn gebleven, mengen ze zich sinds een jaar of vijftig met andere bevolkingsgroepen. Over drie generaties zijn de volkomen witte Boeroes als etnische groep vermoedelijk uitgestorven, opgegaan in andere bevolkingsgroepen.
Onder de Surinamers die in 1975 naar Nederland kwamen omdat het in Suriname onrustig was rond de onafhankelijkheid en de toekomst onzeker, waren ook veel Boeroes. Ze kwamen naar het land waar hun voorouders werden geboren, waar ze wortels hebben en waar ze misschien iets van herkenning zouden moeten voelen.
Maar waarom vinden ze het er dan zo koud, en de mensen zo direct en afstandelijk? Waarom blijft er dan toch, ook na veertig jaar, ook na kinderen, kleinkinderen, en ondanks inburgeren, ondanks de draad oppakken en vrienden maken – waarom blijft er dan toch dat schrijnende verlangen naar Suriname, of preciezer: naar het Suriname van vroeger?
Waarom blijft er dan toch dat schrijnende verlangen naar Suriname, of preciezer: naar het Suriname van vroeger?
Dát fascineert me. Hoe ver uiteindelijk thuis wordt en thuis ver, en hoe de migrant blijft verlangen naar een andere plek, ook al bestaat die allang niet meer, ook al heeft die misschien wel nooit ergens anders echt bestaan dan in zijn hoofd. Dit verhaal gaat over gewone mensen die levensveranderende keuzes maakten, zoals gewone mensen dat doen, op elk moment, op elke plek ter wereld. Tijdens de gesprekken met mijn familie drongen de vragen over de generaties vóór hen zich onvermijdelijk op. Mijn broers pasten zich soepel aan toen ze als jongens van zeven en tien van Suriname naar Nederland kwamen, ze gleden naadloos van de ene wereld in de andere – zou het mijn betovergrootvader Jacob en zijn broer Bertus, die even oud waren toen ze in 1848 de omgekeerde enkele reis maakten, ook zo zijn vergaan?
Het viel mijn broers op dat Nederlanders direct zijn, dat ze niet met twee woorden spreken en elkaar voorbijlopen op straat zonder te groeten. Wat zou Jacob en Bertus zijn opgevallen in 1848, in hún nieuwe land, Suriname? Sommige van mijn ooms en tantes kwamen naar Nederland en bleven altijd verlangen naar Suriname, ze missen hun broers en zussen die daar bleven. Anderen bleven in Suriname en missen de familie die voor ‘Holland’ koos. Beide groepen wogen voor- en nadelen af en lieten de weegschaal doorslaan naar de ene of de andere kant. Dit verhaal is groter dan alleen dat van mijn familie. Het is groter dan Suriname en Nederland, groter dan alleen de negentiende, twintigste en eenentwintigste eeuw. Migratie, heimwee, grote beslissingen, mensen die niet zijn waar ze wíllen zijn, mensen op drift – het is iets van alle plaatsen en alle tijden.

‘Het is je lánd’
Op zijn eerste ochtend in Nederland durfde mijn broer Albert de kamer niet uit.
Hij was als eerste wakker, zijn twee jaar jongere broertje Glenn lag nog te slapen. Het was oktober 1975, Albert was net een paar dagen eerder tien geworden; de jongens kwamen vers uit de tropen. Flats kenden ze alleen uit verhalen, mijn ouders hadden hun er wel eens over verteld, en nu woonden ze zelf in een flat die ingeklemd stond tussen twee andere, in het Brabantse Veghel.
‘Ik keek uit het raam en zag allemaal hokjes, en ik wist dat wij zelf ook in zo’n hokje woonden,’ vertelt Albert ruim veertig jaar later. ‘Pa had verteld dat in een flat heel veel mensen woonden, en ik durfde de kamer niet uit. Stel dat ik op de gang mensen zou tegenkomen die ik niet kende?’ Ik spreek mijn broers op de achtentachtigste verjaardag van mijn vader. Het feestje is bij Glenn thuis, die nog geen driehonderd meter bij mijn ouders vandaan woont – zijn woonkamer is ruimer dan die van hen, dus bood hij die aan om het bezoek te ontvangen. Zo dadelijk zal Alberts zoon van vijftien opa en oma gaan halen. Ze lopen niet meer zo snel, zeker niet met al die potten en pannen vol nasi en toespijs die ze, naar goed Surinaams gebruik, met zich meesjouwen.
‘Zullen we naar Holland gaan?’ vroeg mijn vader op een dag. De jongens kenden Holland uit verhalen. Mijn ouders waren allebei, los van elkaar, in 1961 vanuit Suriname naar Nederland gekomen, zoals zoveel Surinamers dat toen deden. Mijn vader kwam om te studeren, mijn moeder vooral omdat ze haar broer en zussen miste die toen in Nederland woonden. Mijn ouders kenden elkaar uit Suriname, maar toen ze elkaar in Amsterdam tegenkwamen, sprong de vonk over. Ze trouwden in 1963, en in 1967 gingen ze terug naar Suriname. Waarom? Mijn moeder is er duidelijk over. ‘Het is je lánd.’
Mijn ouders vertelden mijn broers vaak over die jaren in Nederland. Dat Albert daar geboren was, dat mijn moeder met hem wandelde over het Haarlemmerplein, dat mensen in de wagen keken en in zijn wangetjes knepen. Ze vertelden dat ze daar een heel strenge winter hadden meegemaakt. Dat het soms sneeuwde.
Met hun verhalen hadden mijn ouders voor mijn broers het onbekende bekend gemaakt. Al snel herkenden de jongens dingen uit die verhalen. Hoe de huizen eruitzagen. Dat het leven zich vooral binnen afspeelde.
‘We vonden het spannend,’ zegt Glenn. ‘We waren totaal niet bezig met heimwee, of dat we in Holland niet meer buiten zouden kunnen spelen, of dat het er koud was. We vonden het een avontuur. We dachten niet aan wat we niet meer hadden. We moesten dealen met wat we wél hadden, en dat deden we.’ Een week na hun aankomst zagen ze hun eerste sneeuw. Ze vonden snel hun draai, maakten vriendjes. In het Veghel van 1975 woonden weinig getinte kinderen, en op Alberts eerste schooldag stapten zijn twee gekleurde klasgenootjes Ruben en Duncan op hem af. ‘Het schiep toch een band: kijk, ik ben niet de enige. Duncan zei: ‘‘Als de andere kinderen je vragen of je in Suriname in een boom woonde, moet je ja zeggen, hoor.’’ Hij had net een spreekbeurt gehouden waarin hij ze dat had wijsgemaakt. Die twee waren donderstenen. En natuurlijk speelde ik mee.’
Kinderen en migratie. Volwassenen wegen eindeloos de voor- en nadelen tegen elkaar af. Mijn broers trokken een jas aan, bonden de rolschaatsen onder en vlogen uit, weg, de straten door, hup, hun nieuwe land ontdekken. Want zo was het: Nederland was nu hun land.
Eigenlijk, zeggen ze, gingen ze gewoon door waar ze gebleven waren. Albert was in Suriname altijd aan het vissen en voor dieren aan het zorgen. Hij trok de weilanden in op zoek naar vogels. In Nederland deed hij hetzelfde: hij nam gewonde merels en stervende spreeuwen mee het huis in en verzorgde ze, en van dode vogels kookte hij de schedels uit, tot grote gruwel van mijn moeder. En in plaats van met oom Henk ging hij nu vissen met vriendje Rik – maar hij moest van mijn ouders wél eerst zijn zwemdiploma halen. ‘Of je nu een scriba vangt of een stekelbaarsje, dat maakt niet uit. Het landschap was anders dan we gewend waren, maar wíj niet. Wij deden gewoon hetzelfde als daar.’
‘We waren jong genoeg.’

Asfaltkind
Meestal realiseer je je niet dat je ouders ook al een leven hadden voordat ze je ouders werden. Als nakomertje heb ik dat feitelijk ook met mijn broers: die hadden al een flink stuk jeugd in Suriname achter de rug toen ik werd geboren. Mijn hele jeugd trok ik met ze op. Ze leerden me lezen en schrijven en een basketbal ronddraaien op mijn wijsvinger.
Maar ík ken mijn broers alleen uit Nederland, uit Veghel. Wie ze hoort praten, hoort geen accent, ook geen Brabantse tongval, alleen perfect ABN. Dat dat niet altijd zo was, realiseerde ik me pas toen ik een cassettebandje hoorde waarop ze met piepstemmetjes en vrolijke Surinaamse accentjes verhalen vertellen en kinderliedjes zingen. Wie zijn die Surinaamse jongetjes, dacht ik.
Ik herinner me nog precies de eerste keer dat ik voelde dat ik er nét niet helemaal bij hoorde. Het was januari 2001, mijn moeder was jarig, en ik was net de maand daarvoor in Suriname geweest. Ik had een foto gemaakt van het oude huis van mijn ouders, en die foto had ik voor mijn moeders verjaardag laten uitvergroten en inlijsten.
Mijn moeder pakte haar cadeau uit, en haar ogen lichtten op. Mijn vader kwam ook kijken. Op de eettafel had ze de plaat voor zich liggen, de lamp erop om hem beter te kunnen zien, en mijn broers waren er. En ineens hingen zij met zijn vieren om die foto heen, en ging het van: gut ja, weet je nog, hier was jouw kamer, en kijk, hier stond het hondenhok.
Ik denk niet dat ik het woord toen al bedacht, maar op dat moment voelde ik me voor het eerst een asfaltkind.
Henderijkus Tammenga nam twee zoons mee van Nederland naar Suriname, maar na de verhuizing kreeg hij ook nog kinderen. Zouden zij, de ‘tropenkinderen’ Jan en Cornelia, soms ook die mix van nieuwsgierigheid en jaloezie hebben gevoeld als ze hun oudere broers hoorden praten over vroeger in Groningen? Jan en Cornelia Tammenga en ik, alle drie zijn we kinderen van na de migratie, van het nieuwe tijdperk.

Wij bruintjes
Toen ik klein was, was ik me niet zo bewust van mijn kleur. Ik groeide op in een wijk met veel nationaliteiten en speelde veel met vooral Turkse en Marokkaanse kinderen. Als er iets multicultureels te doen was op school, maakte mijn moeder Surinaamse hapjes voor de hele klas. Toen een Surinaamse jongen en ik als enigen nul fouten in ons dictee hadden, zei meester Harry tegen de klas: ‘Zo zie je maar, jongens: als je Nederlands wilt leren, moet je naar Suriname.’
Dertig jaar later haalt mijn moeder de anekdote nóg aan. Niet omdat ze trots op mij is, maar omdat het een compliment is voor haar land. En wie iets aardigs zegt over Suriname, scoort punten bij mijn ouders. Op de middelbare school werd ik me dan toch bewust van mijn afkomst. Dat ging vanzelf, want daar waren de leerlingen beduidend witter dan ik gewend was. Ineens viel ik op. Een paar jaar geleden kwam ik een oud-schoolgenootje tegen: Pimari, half Nederlands, half Papoea-Nieuw-Guinees. Zij en ik zijn ongeveer even bruin, of even wit, en hebben allebei zwarte ogen, maar zij heeft kleine krulletjes en mijn lokken zijn glad. Net als zij kon ook ik alle allochtone schoolgenoten nog zo opnoemen. Er was dat Indische meisje, die Vietnamese jongen. En dat Surinaamse kind dat twee jaar onder me zat. ‘We groetten elkaar altijd als we elkaar tegenkwamen op de gang of in de kantine,’ zei Pimari. ‘Alsof we iets deelden. Nou ja, alsof… we deelden natuurlijk ook iets. Want wij zagen er anders uit dan de rest. Wij vielen op.’
Als het dan wél een keer gebeurt dat Surinamers me als één van hen herkennen, dan ben ik altijd trots.
Verrek, dacht ik. Inderdaad, wij bruintjes groetten elkaar. Nooit over nagedacht.
In gezelschap van Surinamers vertel ik al snel dat mijn ouders ook uit Suriname komen. Mezelf een Surinamer noemen gaat dan weer te ver; dat voelt op een gekke manier niet eerlijk. Alsof ik minder recht van spreken heb omdat ik niet in Suriname getogen, laat staan geboren ben. Of omdat ik zo licht van kleur ben.
Bij Surinamers voel ik me soms een beetje Surinaams. Misschien ben ik onbewust bang dat de ‘echte’ Surinamers, wie dat dan ook maar mogen zijn, heel hard zullen roepen dat ik een verrader ben. Een bedrieger. Omdat ik in Nederland geboren ben. Omdat ik zo wit ben en dus geen echte Surinamer kan zijn. Een soort wij-zijgevoel, dat misschien wel alleen maar in mijn hoofd zit. Als het dan wél een keer gebeurt dat Surinamers me als één van hen herkennen, dan ben ik altijd trots. Zoals die ene keer toen ik een broodje bakkeljauw bestelde. De broodjesbelegger keek me taxerend aan, met een opgetrokken wenkbrauw, en het was geen vraag, maar een veronderstelling, hij keek me aan en zei: ‘Peper en zuur no?’
Gemengd water
Glenn grapt over zijn Surinaamse afkomst met zijn collega’s wanneer hij zoals altijd keurig op tijd is, of voor de zoveelste keer een avond overwerkt – ‘en ik ben nog wel in Suriname geboren,’ zegt hij dan. Albert maakt roti waar onze Hindostaanse oma trots op zou zijn, en natuurlijk eet hij die met zijn handen, in tegenstelling tot mijn vader, de enige volbloed Hindostaan van ons gezin, die met mes en vork de masalakip op zijn roti legt, als een bakra, als een afvallige. ‘Je moet je schamen,’ wijst mijn moeder hem dan altijd terecht, terwijl ze zelf routineus het ene na het andere hapje kousenband in haar pannenkoek vouwt – met rechts, altijd met rechts. Alberts zoon Mikah, de blonde, blauwogige Sitalsingstamhouder, at al op zijn tiende pepers waar menig bakra buikpijn van zou krijgen. ‘Omdat ik een Surinamer ben,’ zegt hij stoer. Ook zíjn rechterhand weet raad met roti. ‘Wat goed, je eet met je handen,’ zei ik een keer tegen hem. Hij keek me aan met zo’n puberblik van: seriously?
Mikah is best nieuwsgierig naar Suriname, maar zijn twee jaar jongere zusje Indy heeft er niets mee. Als ik haar vraag of ze er niet eens heen zou willen, trekt ze haar neus op. ‘Ieuw, nee. Daar zijn spinnen.’ De mijne is de eerste Boeroegeneratie die niet meer raszuiver is. Mijn neefje en nichtje zijn half Nederlands, kwart Boeroe, kwart Hindostaans. Moksiwatra noemen ze dat in het Sranantongo: ‘gemengd water’.
Over twee, hooguit drie generaties is mijn familie Nederlands. Tenzij natuurlijk weer eens iemand het in zijn hoofd krijgt op een boot te stappen. Misschien is mijn familie over drie generaties wel Turks. Of Australisch. Of Oezbeeks. Met één beslissing kan alles zomaar anders worden. Over vijf generaties is Suriname voor mijn familie iets van heel lang geleden, van heel ver weg, misschien wel vergeten. Zoals Nederland dat nu is voor de Boeroes. Want Suriname is hun land.
Overal een rariteit
Mijn broers waren nooit op de Boeroe Kon Makandra, de jaarlijkse reünie van Boeroes in Soest die sinds 2005 wordt gehouden. Niet bewust, het kwam er gewoon nooit van. Voor mij ook niet, trouwens. Maar in 2015 ga ik er voor het eerst naartoe, want dit Boeroefeest kan natuurlijk niet ontbreken bij mijn familieonderzoek. Er is muziek, eten en veel dyugudyugu – reuring. ‘Míjn gunst! Mijn schatje, hoe ís het met je?’, klinkt het. ‘Ai baya, je weet toch, ai go, safri safri.’ Hard gelach, geklop op schouders. Stevige brasas.
Als je altijd en overal een rariteit bent, omdat je kleur afwijkt (in Suriname) of je accent (in Nederland), is het best fijn om dat af en toe even níét te zijn. De beslotenheid van de Boeroe Kon Makandra is een soort comfort zone.

De Surinaamse vlaggetjes wapperen, het waait stevig, de zon speelt kiekeboe met de wolken. Gasten krioelen om elkaar heen, om de lange tafels met boeken over Suriname. Ze buigen voorover om de foto’s aan de muren beter te kunnen bekijken en de namen op de stambomen te lezen. Ze scannen de naamstickers die iedereen bij binnenkomst heeft gekregen, speuren gezichten af op zoek naar familietrekken, alsof ze een plattegrond bestuderen. Op zoek naar iets van zichzelf in de ander. In Suriname zou zo’n reünie vermoedelijk weinig belangstelling trekken. De Boeroes wonen er dichter bij elkaar in de buurt en komen elkaar tegen in de stad of in de malls, maken een praatje en gaan verder, het dagelijks leven weer in. In Suriname zijn ze meer Surinamers onder de Surinamers. In Nederland zijn ze buitenlanders, in Suriname niet.
Bijzonder dat het voor hun voorouders net andersom moet zijn geweest, en dat veel oudere Boeroes nog ‘zuiver’ zijn, en alleen wit, Nederlands bloed in zich hebben.
Mijn moeder zegt trots dat ze een Surinamer is in hart en nieren. Maar genetisch gezien pompt dat Surinaamse hart van haar alleen maar Hollands bloed rond.Op de Boeroereünie dartelt mijn moeder de zaal door, mensen links en rechts zoenend. Ze is duidelijk in haar element, het lijkt wel of ze iedereen kent, en eigenlijk is dat ook zo. Niemand is hier meer dan twee handshakes van elkaar verwijderd, want pas sinds een jaar of vijftig trouwen de Boeroes buiten hun eigen bevolkingsgroep.
Iedereen is familie, eigenlijk, uiteindelijk.
Dit is een bewerkte voorpublicatie uit het boek Boeroes. Een familiegeschiedenis van witte Surinamers van Karin Sitalsing, dat deze week is verschenen bij Atlas Contact, € 21,99.
Mijn voorouders, de Boeroes
In juni 1845 kwamen zo’n 50 arme Nederlandse gezinnen aan in Suriname. Vruchtbare grond, ruimte, woningen, vee: alles zouden deze kolonisten krijgen. Onder leiding van drie dominees waren ze Nederland ontvlucht. De plantagecultuur, waar de Surinaamse economie zwaar op leunde, was in verval. De afschaffing van de slavernij was aanstaande, wie zou daarna nog zwaar lichamelijk werk willen doen? Een nieuwe, hardwerkende middenklasse, redeneerden de dominees. De Nederlandse overheid zag ook wel wat in een kunstmatige nederzetting van Nederlands hervormde boeren. De 400 kolonisten zouden pioniers zijn. Als zij de paden geëffend hadden, zouden er meer kolonisten volgen. Suriname moest een twaalfde provincie worden, een overloop van Nederland in de tropen.
Toen ze aankwamen op de verlaten plantage Voorzorg aan de rivier de Saramacca, was er niets dan moeras, muggen en verzengende hitte. De beloofde ruime woningen bleken armoedige hutjes waar de ratten naar binnen kropen, de grond ongeschikt voor landbouw. Er brak een epidemie uit. Binnen een halfjaar was de helft van de immigranten overleden. In de jaren daarna trokken de overlevenden naar Paramaribo en omgeving, naar een gebied dat Uitvlugt wordt genoemd. In 1853, acht jaar nadat ze begonnen was, kwam er een eind aan de volksplanting aan de Saramacca. Bij Paramaribo begonnen ze opnieuw. Ze gingen kleinschalige landbouw en veeteelt bedrijven op Uitvlugt, waar ze een hechte groep vormden. ‘Boeroes’ werden ze genoemd, het Sranantongo woord voor ‘boeren’.
Bij die kolonisten zat ook mijn betbetovergrootvader en zijn gezin. Hij, Henderijkus Tammenga, was bakker in het Groningse Vierhuizen. In 1848 zette hij de bakkerij te koop en stapte op de boot naar ‘het verre Westen’. Met zijn vrouw Grietje en zoons Jacob (10) en Bertus (7) vertrok hij om in Suriname als godsdienstleraar aan het werk te gaan.
De Boeroes kregen kinderen, die ook weer kinderen kregen. Zo’n honderd jaar leefden ze tamelijk geïsoleerd op Uitvlugt. Tot, zeg, de jaren 50 van de vorige eeuw. Tot de stad groeide en de boerenerven werden verbannen naar de buitengebieden. Tot er wegen kwamen, en opleidingen en mogelijkheden, en vliegtuigen naar Nederland. Tot de wereld groter en tegelijk kleiner werd. In mijn boek Boeroes reconstrueer ik hun verhaal, van 1845 tot nu.
In 2016 zijn de meeste nakomelingen allang geen boer meer, maar de naam ‘Boeroes’ is er nog. Die staat nu voor de bevolkingsgroep die ontstond uit die kolonisten: een witte minderheid in Suriname. Een weinig bekende bevolkingsgroep, die er noch in Nederland, noch in Suriname echt helemaal bij hoort. Die zich overal weet aan te passen, maar daardoor misschien wel nergens helemaal thuis is. Mijn voorouders.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.