Hij was ooit serieus van plan Israëlische soldaten op te blazen. Maar sinds 2013 verdiept de Belgische Montasser AlDe’emeh (27) zich als wetenschapper in de jihad en helpt jongeren te deradicaliseren. 

Dit interview stond in Vrij Nederland van 12 maart. Naar aanleiding van de aanslagen in Brussel vanochtend herplaatsen we het gratis.

Achter de boerderij van zijn ouders in het Vlaamse dorpje Baardegem ligt een bos dat Montasser AlDe’emeh als jongen gebruikte als trainingskamp voor de jihad. In een militair uniform en met een onschadelijk gemaakt geweer legde hij een parcours af dat hij had ingericht volgens de voorschriften van een jihadideoloog. Hij rende over boomstronken en autobanden, drukte zich om de vijf minuten tien keer op en pakte met zijn blote handen twee fazanten, die tegenspartelden, maar dat maakte niet uit want een echte vijand zou net zo reageren. Zijn vuisten sloeg hij kapot op bomen of andere stukken hout. ‘Je kan de littekens nog zien, hè,’ lacht hij, wijzend op de krasjes op zijn knokkels. ‘Eén, twee, drie, vier, zie je?’

AlDe’emeh (27) is jihadexpert – en niet alleen omdat hij als zoon van Palestijnen tien jaar geleden serieus van plan was Israëlische soldaten op te blazen. Sinds 2013 verdiept hij zich als wetenschapper in moslimjongeren die de islam aangrijpen om in verzet te komen. Bij de Radboud Universiteit in Nijmegen promoveert hij op de ideologie van jihadisten. Voor zijn onderzoek zat hij in 2014 twee weken in Syrië waar hij logeerde bij Nederlandse en Belgische strijders van Jabhat al-Nusra, een club die is gelinkt aan Al-Qaida. Ook in België sprak hij met geradicaliseerde moslimjongeren.
Eind 2014 richtte hij in Mechelen een centrum voor deradicalisering op. ‘Toen ik voor mijn onderzoek met die jongeren sprak, merkte ik dat ze hulp nodig hadden. Maar die gaf ik niet en ik dacht: zo komt er nooit een oplossing. Daarom heb ik mijn verantwoordelijkheid genomen,’ zegt AlDe’emeh. Sinds januari zit ‘het centrum’, zoals hij het steevast noemt, in Molenbeek, de Brusselse wijk die na de aanslagen in Parijs een dubieuze klank kreeg omdat er drie aanslagplegers vandaan kwamen.

Een dag in de cel

AlDe’emeh woont er zelf ook. Hij keerde terug naar de plek waar hij op zijn tweede jaar kennis had gemaakt met België. Hij werd geboren in Russeifah, een Palestijns vluchtelingenkamp in Jordanië, en kwam in 1991 met zijn moeder en zusje naar Molenbeek, waar zijn vader en broers in een slagerij werkten. Drie jaar later begon zijn vader in Baardegem een boerderij met schapen, koeien en vijgenbomen, maar AlDe’emeh vergat Molenbeek niet. Hij had het er altijd ‘warm’ gevonden, een herinnering die werd bevestigd toen hij de Marokkaanse vrouw terugvond bij wie hij als kleuter vaak kwam. Toen ze hem herkende, begon ze te huilen.

Advertentie

Advertentie

Na de aanslagen in Parijs bleek dat in Molenbeek tientallen jongeren actief betrokken waren bij de jihad en nog eens tientallen radicaliseerden. AlDe’emeh oordeelde dat hij juist hier zijn centrum moest vestigen en vond een ruimte op driehonderd meter van zijn appartement. Het is een plat gebouwtje in een binnentuin, ver weg van de straat. Dat komt goed uit, vertelt hij. IS heeft hem eens bedreigd en hij krijgt ook bagger over zich heen op de sociale media.

De Franse inlichtingendienst belde hem rechtstreeks met de vraag: ‘Met wie heeft u zojuist iets gedronken?De veiligheidsdiensten houden hem in de gaten, dat weet hij zeker. Zijn mobiele telefoon wordt afgeluisterd, in Parijs belde de Franse inlichtingendienst hem zelfs eens rechtstreeks met de vraag: ‘Met wie heeft u zojuist iets gedronken?’ Hij lacht erom. Soms begint hij zijn telefoongesprekken met een groet aan de mannen die meeluisteren: ‘Ik hoop dat jullie genieten.’ Hij snapt het wel en tegelijk vindt hij het absurd. Wat denken die diensten dat ze te weten komen? Dat er een aanslag op komst is? ‘Dat krijg ik echt niet te horen en als dat wel gebeurt, zou ik dat natuurlijk meteen doorgeven.’

Half januari werd hij opgepakt en belandde hij een dag in de cel. AlDe’emeh zou een terreurverdachte hebben geholpen met een document waarop stond dat deze persoon een deradicaliseringscursus had gevolgd, terwijl daarvan in werkelijkheid geen sprake zou zijn. ‘Paard van Troje of gewaardeerd academicus?’, kopte de Vlaamse krant De Morgen de dag erna. Ook in andere publicaties werd getwijfeld aan zijn integriteit. De zaak is onder de rechter en dus mag hij er niets over zeggen. Het enige wat hij erover kwijt wil, is dat er mensen zijn die hem het leven zuur willen maken, hem willen ontmoedigen.

Uren bracht hij door in een kale cel en toen hij werd vrijgelaten, zat hij voor zijn gevoel op een berg vanwaar hij goed zicht had op de haters die ‘als kakkerlakken uit een beerput’ tevoorschijn kwamen. ‘Het voordeel van zo’n voorval is dat je vanaf een afstand kunt kijken naar wie je haten. Laten ze zich vermaken, vandaag hebben de kranten mij alweer gebeld over het nieuwe centrum. Ze kunnen niet om me heen.’

Waar komt het wantrouwen vandaan?
Laconiek: ‘Het heeft te maken met jaloezie. Iedereen die met een nieuw idee komt, wordt afgemaakt.’

In de Belgische pers las ik dat het onduidelijk is waar het geld voor dit centrum vandaan komt.
‘Ze mogen het uitzoeken. Controleer me. Kom hier.’

U betaalt alles uit uw eigen zak, zegt u.
‘Van wat anders?’

Op twitter schreef u dat het centrum duizend euro per maand kost.
‘Ongeveer. Alles samen, hè? De huur en alles wat erbij komt kijken.’

Als ik mag vragen: waar betaalt u dat van?
‘Ik woon alleen in een appartementje. Ik heb geen vrouw en kinderen, en ik heb wat geld gespaard. Ik heb een tijdje wetenschappelijk onderzoek gedaan in Leuven en daarvoor ben ik betaald. Ik schrijf exclusieve artikelen over jihadgangers, die wat meer opbrengen dan gewone artikelen. Ik geef lezingen en dergelijke. Uiteindelijk steek ik zestig, zeventig procent van mijn inkomen in het centrum, maar op de lange termijn heb ik sponsors nodig.’

U wilt geen subsidie van de overheid. Waarom niet?
‘Ik denk dat subsidies vragen met betrekking tot religie of radicalisering leidt tot polarisatie. Sommige Belgen willen daar niet voor betalen. Ze denken: moet ik helpen die problemen op te lossen? En ik moet zeggen: voorlopig zie ik ook niet in waarom ik hardwerkende mensen moet vragen mij te ondersteunen om een intern probleem op te lossen.’

Wat bedoelt u met intern?
‘De jongeren over wie we spreken, komen uit de moslimgemeenschap. Ik vind het tijd worden dat moslims hun verantwoordelijkheid nemen. Het centrum is geen islamitisch project en staat open voor iedereen, maar we hebben het nu over religieuze radicalisering. Veel van die jongeren willen praten met iemand, maar ze kunnen naar niemand toe.’

Melden ze zich zelf bij u aan?
‘Vaak wel, via via komen ze met mij in contact. Het punt is: vaak staan imams niet open voor hen, soms worden ze de moskee uitgegooid. De jongeren doen dat ook zelf, want ze gaan in de moskee de imam aanvallen om zijn standpunten. Er is ook een taalprobleem: er zijn in Vlaanderen meer dan honderdvijftig moskeeën, maar misschien spreken tien imams Nederlands. Veel imams zijn hier niet geworteld en kennen de leefwereld van de jongeren niet.’

Als ik word gevraagd om als onderhandelaar met IS te praten, doe ik datKunnen deze jongeren niet terecht bij hun ouders?
‘Dat ligt vaak moeilijk. Ouders reageren overbezorgd – dat is ook waarom ik zelf amper met mijn problemen naar mijn ouders ging. Als je als zoon zegt dat je IS cool vindt, kan je een klap in je gezicht krijgen. Maar eerlijk gezegd: ook de overheid schiet tekort. Als bekend is dat in Molenbeek problemen zijn met radicalisering, zou ik hier als beleidsmaker twee keer in de week shoppen of naar het café gaan en met mensen praten. Ik zou families bezoeken. Maar ik heb bijvoorbeeld de burgemeester hier nog nooit gezien.’

Nogal wat mensen vinden dat je IS keihard moet aanpakken.
‘De overheid bezigt oorlogstaal en laat Molenbeek schoonvegen. Op die manier speelt de overheid het spelletje van IS mee, want IS wil polarisatie. Stel dat de overheid niets zou zeggen, dan is IS eigenlijk kapot aan het gaan.’

Uw boodschap is: liefde en verzoening?
‘Als ik word gevraagd om als onderhandelaar met IS te praten, doe ik dat. Niet omdat ik IS of zijn kalifaat erken, maar omdat ik denk dat dialoog ervoor kan zorgen dat er minder slachtoffers vallen. Hebben wij niet met de nazi’s onderhandeld? Met de ETA? Met de IRA? U moet niet denken dat ik van alle mensen hou, ik heb een afkeer van wat IS-strijders allemaal doen. Maar IS is er nu eenmaal. IS is in Syrië en Irak met enkele tienduizenden, in Libië met enkele duizenden. In Afghanistan beginnen ze invloed te krijgen, in Algerije gedragen radicale groepen zich meer en meer als IS en ook in Jordanië zitten honderden IS-aanhangers. De kans bestaat dat het IS-kalifaat in verval zal raken, kijk naar de Nederlanders die vermoord zouden zijn, maar de jihadistische ideologie verspreidt zich nog steeds.’

Waar ligt voor u de grens? Als bij uw centrum een teruggekeerde IS-strijder voor de deur staat, helpt u die dan?
‘Iedereen die voor mijn deur staat, bied ik een luisterend oor. Autochtonen zijn ook welkom. Er is veel zelfdoding in België onder autochtonen, dat is ook een probleem, vergelijkbaar met dat van radicaliserende moslimjongeren. Beiden zien geen uitweg meer en allebei kiezen ze voor de dood, want dat is waar de weg van de gewelddadige radicalisering naar leidt.’

Maar helpt u iemand die in Raqqa een paar kelen heeft doorgesneden?
‘Kijk, als je je aangetrokken voelt tot IS, kan je hier komen en zal ik proberen je op andere gedachten te brengen. Als je dan toch vertrekt en wilt terugkeren, ben je niet welkom bij mij. Sorry, mijn empathie kent grenzen. Maar als zo iemand er toch in slaagt hier voor de deur te staan, probeer ik naar zijn verhaal te luisteren. Als ik begin te veroordelen, gaat hij weg en kan hij nog gekker worden en een gevaar vormen voor de maatschappij. Dus ik zal hem proberen te kalmeren en daarna zal ik raad vragen aan de overheid. Het is de overheid die zo iemand gevangen hoort te nemen, niet ik.’

Uit uw verhalen over uw bezoek in 2014 aan Jabhat al-Nusra in Syrië kreeg ik de indruk dat de Nederlanders en Belgen het daar wel naar hun zin hadden.
‘Ja, zij integreerden een beetje in de samenleving, of wat daar nog van restte. Ze leerden Syriërs kennen en Syrisch eten. Jabhat al-Nusra is minder radicaal dan IS. Maar een aantal die ik heb ontmoet, zijn al gesneuveld, hè?’

‘De overheid speelt het spelletje van IS mee.’ Foto’s: Jef Boes
Liefde en vergeving

Het centrum bestaat uit één grote kamer, waarin het meeste meubilair geschonken is. AlDe’emeh kocht zelf een grote tafel, de stoelen eromheen kreeg hij, net als een complete zithoek van blauwgroen leer. Hij wil maar zeggen: hij krijgt óók veel bijval. De lijst met vrijwilligers die hebben aangeboden hem te helpen, is lang. Tijdens dit interview zitten twee nieuwe medewerksters op de bank te luisteren en af en toe mee te praten: Hind Ben El Fkih en Chifaâ Aâriara. ‘Het is vooral belangrijk dat hier vrouwen komen werken, ik wil laten zien dat mannen en vrouwen gelijkwaardig zijn,’ zegt AlDe’emeh.
Hij werkt samen met Les parents concernés, een club van bezorgde ouders, opgericht door twee Belgische moeders die hun zonen naar Syrië zagen vertrekken. Samen staan ze achtenveertig families bij die in vergelijkbare situaties zitten. Hoeveel jongeren hij al heeft begeleid, weet AlDe’emeh niet meer, hij schat enkele tientallen. Slaagt zijn aanpak? Verbaasd: ‘Ja. Denkt u dat ik zo’n groot deel van mijn eigen inkomen stop in iets waarvan ik zie dat het niet lukt?’

Onlangs hoorde hij dat de ex-verloofde van Salah Abdeslam, de voortvluchtige verdachte van de aanslagen in Parijs, over hem had gezegd: ‘Het is beter met hem te spreken dan met vijf psychologen.’ De ex, een meisje in trendy kleren, zocht contact met hem omdat ze zich alleen voelde, aldus een interview dat hij met haar maakte voor het Belgische tijdschrift Knack. Anderen komen omdat ze voelen dat ze radicaliseren. Wat hij dan doet? Hij laat zien dat de boodschap van de islam barmhartigheid, liefde en vergeving is. ‘Dat er islamitische teksten bestaan die geweld legitimeren, wil nog niet zeggen dat de boodschap van de islam gewelddadig is,’ houdt hij de jongeren voor. Hij plaatst de teksten in de historische context en vertelt verhalen over het kalifaat zoals dat eeuwen geleden bestond, toen moslims rekening hielden met andersoortige gelovigen en er poëzie over wijn werd geschreven. ‘Een kleine minderheid van de jongeren die naar Syrië vertrekken, gelooft echt in het kalifaat van IS. Zelfs al zou je voor hen in België een paradijs creëren, dan nog vertrekken ze. Maar de meeste jongeren die bij mij komen, weten niets van de islam en het is simpel hen ervan te overtuigen dat het anders zit dan zij denken. Echt, ik heb er heel veel overtuigd.’

Het centrum is overdag open, en via de telefoon is AlDe’emeh vierentwintig uur per dag bereikbaar. Ook nu piept zijn mobiel constant. Als jongeren zich rot voelen, mogen ze hem bellen en gaat hij met hen naar het café of de bioscoop. Tegen de jongens zegt hij: ‘Kom op, wees een man. Altijd dat gehuil en melodramatisch gezever, ik was ook zo, maar je moet een man worden. Ga studeren.’ Wekelijks voetbalt hij met een clubje. Hij is niet eens zoveel ouder dan zij en ze zien hem als iemand die hen begrijpt. Want dat komt erbij: ooit was hij net zoals zij.

Zijn eigen geschiedenis heeft hij met journalist Pieter Stockmans beschreven in het boek De jihadkaravaan dat vorig jaar verscheen. ‘Lees dat boek,’ is alles wat hij tegen zijn haters kan zeggen.

De verdrijving van zijn ouders

Het verhaal begint bij de verdrijving van zijn ouders uit hun dorp Sabbarin, tegenwoordig in het noorden van Israël, waar hun beider families generaties hadden gewoond. Het dorp werd in 1948 etnisch gezuiverd, zo constateerde de Israëlische historicus Ilan Pappé, die werd verketterd om zijn standpunten, maar de ouders van AlDe’emeh maakten het zelf mee. Zijn moeder was één jaar en zijn vader zeven toen ze moesten vluchten. Ze belandden op de Westelijke Jordaanoever en kwamen na de Zesdaagse Oorlog in 1967 terecht in Russeifah, het Jordaanse vluchtelingenkamp. Sabbarin werd weggevaagd, er is niets meer dat herinnert aan de levens die er ooit werden geleid.

‘Ik luisterde naar strijdliederen, ik ken ze nog van buiten. Ze gaven adrenaline.’Zijn ouders zijn de klap nooit te boven gekomen en nog kunnen er jaren verstrijken zonder dat ze hebben gelachen, zegt AlDe’emeh. Vooral zijn vader voelde haat tegen Joden, die hij overbracht op zijn zoon. Elke ochtend als de jonge Montasser zijn veters strikte om naar school te gaan, moest hij met zijn vader naar Al Jazeera kijken, vooral als ‘de Joden’ iets ergs hadden gedaan. ‘Ik kreeg als kind elke dag haat voor de kiezen,’ zegt AlDe’emeh. ‘Ik kon dat niet plaatsen, neem mij dan niet kwalijk dat ik radicaliseer.’
Hij ziet het bij meer gezinnen. ‘Bepaalde ouders kunnen niet overweg met maatschappelijke problemen. Ze zitten tv te kijken en zien Palestijnen sterven en dan zeggen ze ‘vuile Joden’. Dat heeft invloed op kinderen. Die komen op school en zeggen dat Hitler goed was of dat de Joden dood moeten. De leerkracht reageert geschokt en die kinderen voelen zich in een hoek geduwd. Als ze dan in de moskee meemaken hoe er geld wordt ingezameld voor arme Syriërs, zeggen sommigen op een dag: ik ben het kotsbeu, al die mensen die sterven, ik wil de problemen daar oplossen. Ouders moeten hun verantwoordelijkheid nemen: voed je kinderen op zonder die gruwelen.’

In uw boek staat dat u voor uw gevoel in een kloof viel.
‘Ja, je gaat als kind uit zo’n gezin van de ene wereld naar de andere, elke dag, waardoor je affiniteit met beide verliest. Je voelt je noch thuis op school, noch thuis bij je ouders.’

U ontdekte een winkeltje met islamitische lectuur en bandjes van Hezbollah, de militante sjiitische beweging van Nasrallah.
‘Ik luisterde naar strijdliederen, ik ken ze nog van buiten. Ze gaven adrenaline.’

Op uw slaapkamer gebruikte u de Israëlische vlag als deurmat.
‘Ik had niet echt haat ten aanzien van mensen. Ik haatte, maar wie haatte ik? De Israëlische regering, het Israëlische leger, de wereldleiders, de VN, de Veiligheidsraad.
Ik wilde die instellingen raken, mensen die ik niet kon zien. Ik ben gaan geloven in Hezbollah omdat het puur strategisch was. Ik wou naar een land waar een directe confrontatie mogelijk was met het Israëlische leger en dat was Zuid-Libanon. En wie zit daar? Hezbollah. Ik dacht: ik ga eerst naar Iran, daar herislamiseren, dan een militaire training in Libanon en dan word ik martelaar. Prachtig.’

Serieus?
‘Ja, ja. Ik was er klaar voor.’

Voor de meeste mensen is het onvoorstelbaar dat je dood wilt en dood wilt zaaien.
‘Het ging niet om de dood. Ik wilde mijn leven geven voor een project.’

Volgens uw boek bestaat er in het Midden-Oosten een jihadkaravaan die ervoor zorgt dat overal jihadisten komen waar een dictator wegvalt.
‘Dat is wat we nu zien.’

Is het waar dat het uiteindelijke doel is: Palestina bevrijden?
‘Belangrijke strategen van Al-Qaida komen uit Palestijnse vluchtelingenkampen in Jordanië. Het doel, ook van IS, is dichter bij Israël komen en dan aanvallen. Palestina bevrijden, is de natte droom van alle jihadisten, iedereen weet dat.’

U had zich bijna aangesloten bij de jihad, maar uw broer hield u tegen.
‘Mijn broer sloeg me in elkaar en ik wist ook dat ik mijn moeder verdriet zou doen als ik zou vertrekken.
Maar ik was het zelf die besloot te blijven. Ik kwam terecht in een proces waarin ik stap voor stap veranderde. Ik ging met school naar Auschwitz en begon in het grootste verdriet mijn eigen verdriet te zien. Ik ging Anne Frank lezen en Hannah Arendt. Ik ging naar films kijken, The Pianist en Schindler’s List en toen voelde ik mij een Jood. Ik kreeg medelijden en begon te huilen. Ik zag dat zij lijden en wij lijden, het is een universele pijn. Het is de mens die lijdt.’

En u ging op de universiteit lessen volgen over het jodendom.
‘In het begin wou ik weg, het was heel moeilijk voor mij om te luisteren. Het is een mechanisme dat ik constant zie bij mensen die met pijn zitten of die haten: ze kunnen niet openstaan voor de ander. Ze hebben geen moed om te luisteren. Maar ik bleef en heb er geen spijt van gekregen. Ik ben gaan begrijpen dat ik vroeger als Jood in Europa misschien ook was gaan ijveren voor een Joodse staat, ik zou me misschien ook hebben laten meeslepen door het zionisme.’

Weg met de Israëlische vlag en weg met de Palestijnse vlag.In 2014 heeft u in Israël een olijfboom geplant op de plek waar ooit het dorp van uw ouders was. Wat symboliseerde die actie?
‘Een olijfboom is sterk, hij kan duizenden jaren leven. Hij symboliseert de moed, de kracht en het geduld van een volk. Ik wilde daar nieuw leven brengen. Ik was al verlost van de haat maar op dat moment voelde ik me herboren. De zon scheen, het was er droog, overal stonden cactussen. Ik voelde dat het land verbonden was met mij en ik huilde. Daarna ben ik naar West-Jeruzalem gegaan en heb met Joodse jongeren gesproken. Ik dacht: zie je wel, het kan, we kunnen met elkaar praten.’

Was dat het moment van verzoening?
‘Weet u wanneer ik dat voelde? Ik ging daarna naar Gaza, waar een Palestijn tegen me zei: “Ik hoop dat er een dag komt dat we met de Joden een eenheid vormen en de Arabische landen binnenvallen uit wraak.” Ik was verbaasd. Hij zei: “Een zieke Gazaan die naar Egypte gaat, keert nooit meer terug. Een zieke Gazaan die naar Tel Aviv gaat, keert beter terug. De Arabieren behandelen ons slechter dan Israël.”’

De Arabische landen doen weinig voor de Palestijnen, bedoelde hij dat?
‘Precies. Daarom zeg ik: laten we tot een oplossing komen, laten we vrede sluiten. Ik beschouw mezelf als een afstammeling van het volk Israël. Uit verschillende onderzoeken is gebleken dat de Palestijnen genen dragen van de vroegere Joden. Mijn verre voorouders waren Joden, misschien zijn ze later bekeerd tot het christendom en daarna moslim geworden. Ik noem mijzelf dus een Israëliër, wat iets anders is dan een Israëli, want dat is iemand met de Israëlische nationaliteit. Alle mensen in dat land zijn Israëliërs. Weg met de Israëlische vlag en weg met de Palestijnse vlag, we zijn allemaal lid van de stammen van Israël, laten we een eenheid vormen.’

Het is prachtig wat u zegt, alleen staat het wel erg ver af van de werkelijkheid. Zegt u dit om met die werkelijkheid om te kunnen gaan?
‘Wie bepaalt wat de werkelijkheid is?’

Die kun je daar gewoon zien.
‘Dat is dáár. Ik zit hier en heb een mening, maar wil er verder niets mee te maken hebben. Ik vind dat de leiders van de Israëli’s en de Palestijnen idioten zijn. Een bende idioten is het, met hoofdletters. In Gaza leven een half miljoen kinderen die daar nooit weg mogen, die worden geblokkeerd, ze mogen niet leven. Niemand die aan ze denkt en de leiders van Hamas en Israël wijzen voortdurend naar elkaar. Ze moeten stoppen met hun egocentrische gedrag, de kinderen zijn belangrijker.’

Hoe gaat het nu met uw ouders?
‘Ze zijn oud, ik denk dat het moeilijk voor ze is nog te veranderen. Ik ben niet zo arrogant om te zeggen: ik heb het verleden verwerkt, dus jullie moeten dat ook doen. Ik vind het heel erg dat mijn ouders ontworteld zullen sterven, het doet mij pijn, maar ik kan niet meer doen dan zelf het goede voorbeeld geven. Mijn land is mijn hart. Dat zeg ik ook tegen de jongeren die hier komen.’

Nou goed, ook België is zijn land. Binnenkort gaat hij afstand doen van zijn andere nationaliteit, hij wil alleen nog Belg zijn. ‘Ik doe dat om een signaal af te geven aan de jongeren. Veel moslims in westerse landen weten niet waar ze thuishoren, hè? Dat is het probleem. Ze leven in twee werelden en daarom gaan ze andere opties onderzoeken. Maar kijk naar mij: ik ben opgegroeid in Baardegem, in de Jan Frans Vonckstraat, genoemd naar een van de leiders van de Brabantse omwenteling. We zijn allemaal Belgen, laten we ons wortelen.’