Niets mis met diepgang en duisternis in popmuziek, hoor, maar God bless de dag waarop Radiohead een grapje maakt. Geen zwaarte zonder lichtheid, stelletje sad fucks.

De dag dat Radiohead met een vrolijk, luchthartig liedje komt, zal de Islam een religie van vrede blijken te zijn, zal de opwarming der aarde definitief tot afkoeling zijn omgebogen en treffen we GroenLinks aan in een kabinet met de VVD en de Christenunie, zónder D66.

Gedachten van dergelijke strekking spookten door mijn hoofd terwijl ik afgelopen vrijdagavond-slash -nacht op de bank naar het concert van die Britse band op het Glastonbury Festival lag te kijken, live uitgezonden door de BBC. O, Radiohead: wat maken ze toch waanzinnig mooie muziek, wat heeft zanger Thom Yorke toch een feilloze beheersing over het onbeheerste instrument dat zijn stem is, en hoe is het DNA-technisch toch mogelijk dat er wezens bestaan die nummers als Idioteque of Pyramid Song of 2 + 2 = 5 schrijven?

Niettemin zat ik me ook te ergeren. Behoorlijk, zelfs. Want Jezus, meer dan een citroenzuur lachje, hooguit eens per drie kwartier uit de gezichtsspieren geperst, kon er niet af. It’s only rock-’n-roll, mensen! Zo’n Yorke, met z’n ‘in vervoering’ gesloten ogen en z’n bestudeerde spasmen… Tussen twee liedjes door het publieke eventjes vriendelijk toespreken is er amper bij… Als een irritante puber verschuilt hij zich achter wat artistiek gemompel, een paar ironische stemwendingen en hier en daar een loos politiek quasi-statement: ‘I’m useless at this stuff,’ bromde hij nog. Inderdaad. En dan die kerel met die lok! Die gitarist, of multi-instrumentalist, Jonny Greenwood heet-ie geloof ik. Staat-ie daar op een vrijstaande trommel in te hakken alsof z’n mindfulness-therapeut hem dat heeft voorgeschreven zodat hij zijn sociale angststoornis niet langer als hindernis maar als kracht ziet. Haal die lok uit je gezicht, man! Zit daar niet autistisch-kromgebogen achter die piano als een mislukte Glenn Gould-lookalike. Je speelt voor een publiek, lul, en niet voor het eerst, maar je doet het al zo’n vijfentwintig jaar!

Staat-ie daar op een vrijstaande trommel in te hakken alsof z’n mindfulness-therapeut hem dat heeft voorgeschreven.

Niet dat het dat publiek ook maar iets kon schelen. See no evil, hear no evil: ze hadden zelf óók hun ogen gesloten in vervoering, en luisteren was er ook al niet bij, want ze brulden alles luidkeels mee. Ieder voor zich (al zullen de liefhebbers achteraf hun mond vast en zeker vol hebben gehad van ‘verbondenheid’ en ‘intimiteit’). Een mensenmassa van in zichzelf gekeerde individuen, dat was het.

Waarom het me zo stoort? Ach, het is de overmatige pretentie, denk ik. Ergens op internet dook een fake nieuwsbericht op over uitzinnige Radiohead-fans die het stemmen van de gitaren voorafgaand aan het concert interpreteerden als een fantastisch nieuw nummer, en daar massaal over waren gaan twitteren. Het had zomaar gekund, echt. De grap deed me denken aan de Sokal-affaire, halverwege de jaren negentig, toen de Amerikaanse natuurkundige Andrew Sokal het onuitstaanbare bullshit-jargon van postmoderne filosofen ontmaskerde door een nepartikel in te sturen naar een postmodern tijdschrift, vol holle frasen en abstract taalgebruik, vrij van enige betekenis (titel: Transgressing the Boundaries: Towards a Transformative Hermeneutics of Quantum Gravity). Het stuk werd geplaatst.

Radiohead lijkt soms wel een postmoderne filosoof.

Begin deze maand trad voormalig Oasis-frontman Liam Gallagher op tijdens One Love Manchester, het door Ariana Grande georganiseerde benefietconcert in de nasleep van de terroristische aanslag bij haar concert in Manchester, twee weken eerder. In de jaren negentig was ik altijd meer van Blur dan van Oasis, maar verdomd zeg, wat gaf die Gallagher een showtje weg, daar in Manchester. Een schim van zichzelf, maar hij stond er mooi wel, het stuk chagrijn, met een stem als een uitgedrukte sigarettenpeuk en een handvol gruizige liedjes. Ook hij lachte niet, maar er viel dan ook weinig te lachen bij die gelegenheid.

In de jaren negentig was ik altijd meer van Blur dan van Oasis, maar verdomd zeg, wat gaf die Gallagher een showtje weg, daar in Manchester.

Op Twitter zoemde de vraag rond of zijn broer Noel ook nog zou komen opdraven. ‘Noels out of the fucking country,’ schreef Liam later in een interpunctieloze tweet, en hij vervolgde: ‘weren’t we all love get on a fucking plane and play your tunes for the kids you sad fuck.’

Zo simpel kan popmuziek zijn: get on a fucking plane and play your tunes for the kids. En hou verder je wijsneuzerige postmoderne smoel dicht.

Niets mis met diepgang en duisternis, trouwens, ook niet in popmuziek, maar ik wantrouw kunstenaars die niet kunnen lachen. Ik hou ook niet van schrijvers die consequent een pikzwart en door en door cynisch wereldbeeld schetsen in hun werk (je kunt de voorbeelden zelf bedenken). Het klopt niet, dat wereldbeeld. Het mist contrast. Geen god zonder duivel, geen kwaad zonder goed, geen zwaarte zonder lichtheid. Geen donkere popmuziek zonder af en toe een lachje. Doe mij maar The Cure, waarvan zanger Robert Smith het ene moment met volle overtuiging kan zingen: ‘It doesn’t matter if we all die’, en het volgende moment het glazuur van je tanden doet springen met mierzoete, hypervrolijke popliedjes als The Lovecats of Friday I’m in Love.

En omdat we in al te stellige tijden leven, tot slot een injectie twijfel. ‘Karma police, arrest this girl, her Hitler hairdo is making me feel ill.’ Bij dat zinnetje schiet ik altijd weer in de lach, hoe dramatisch Thom Yorke het ook uit zijn gekwelde keeltje perst. Dus wie weet zit er toch nog ergens humor in die Radiohoofden. Lieten ze daar maar wat vaker een glimp van zien. ’t Stelletje sad fucks.