Dus achter Elena Ferrante (vrouw) gaat auteur Domenico Starnone (man) schuil. Prima, vindt Jamal. Nogal wat mensen overschatten hun eigen uniciteit, terwijl ze het inlevingsvermogen van een ander ónderschatten.

Het persoonlijke is vaak minder persoonlijk dan je in eerste instantie zou denken. Daarom begin ik deze algemene beschouwing graag met het verslag van een persoonlijke ervaring. In 2013 verscheen mijn roman 25. De recensies liepen uiteen van jubelend tot vernietigend – wat wil een mens nog meer? – en dat gold ook voor het gehele drieluik waarvan die roman het eerste deel was – de andere twee delen waren geschreven door David Pefko en Daan Heerma van Voss.

Wat was het geval? Het hoofdpersonage van ons drieluik was een vrouw, Hanna genaamd. In 25 voerde ik haar op als, tja, de titel verklapt het eigenlijk al een beetje, vijfentwintigjarige. In het boek vertelt zij in de loop van één etmaal aan vier verschillende toehoorders over een voorbije liefde, en die liefde beschrijft zij telkens volstrekt anders, maar toch ook elke keer in essentie hetzelfde.

(Als ik even één alinea lang tussen haakjes mag zuurbraken… Dat drieluik presenteerden we aanvankelijk als literair antwoord op Fifty Shades of Grey. Literaire erotiek moest het worden, met de klemtoon op dat literaire, maar je begrijpt: de meeste (professionele) lezers keken alleen naar de voorbijglibberende geslachtsdelen – de erotiek, kortom – en niet naar wat die boeken nu juist onderscheidde van Fifty Shades, namelijk de literaire aspecten ervan, terwijl, als ik even voor mezelf spreek, 25 toch vooral dát was: een literair spel. Die vier verschillende verhalen over één en hetzelfde verlies van een geliefde waren gemodelleerd naar de vier verschillende evangeliën in het Nieuwe Testament, en daarmee vormden ze een onderzoek naar de vraag hoe elkaar tegensprekende getuigenissen toch een kern van waarheid kunnen blootleggen, en ook naar de manier waarop een door verlies ontstane leegte een bron van verhalen kan zijn. Dat had natuurlijk bijna niemand door, al barstte de roman van de christelijke beeldtaal en droegen de vier gesprekspartners van Hanna de namen Matt (Matteüs), Marc (Marcus), Luuk (Lucas) en Johanna (Johannes). Enfin, het was een waardevol lesje in hoe je een boek niet in de markt moet zetten. En dan slik ik het opgerispte zuurgolfje nu weer in en kunnen we verder.)

De reacties waren, zoals gezegd, uiteenlopend, maar er waren twee ‘typen’ die mij in het bijzonder opvielen, en die hadden allebei met verbeeldingskracht te maken. Aan de jubelkant had je de mensen die mij complimenteus en bewonderend toevoegden dat ik mij zo goed kon inleven in een vrouw, ja, ongelofelijk hoor, wat knap!

Maar waarom was dat zo ongelofelijk? Ik ben opgegroeid in een huishouden waarin een moeder (vrouw) en drie zussen (vrouwen) een prominente rol speelden, ik ben opgeleid door juffen en vrouwelijke docenten, heb een leven lang vriendschappelijke en, o, zeker ook vijandige omgang gehad met vrouwen, werkte samen met vrouwelijke collega’s, voerde ontelbare gesprekken met vrouwelijke geliefden, en had in de duistere vrijgezelle periode waarin ik 25 schreef net een kortstondige en rampzalige relatie met een vrouw achter de rug en stortte me, bij wijze van hopeloze troost, in een reeks ontmoetingen met vrouwen bij wie ik niet de liefde vond die ik zocht, en o ja!, ik las stapels boeken geschreven door vrouwen – kortom: enige kennis van de vrouw en haar belevingswereld kon mij toch niet worden ontzegd.

Man-vrouwverschillen zijn naar mijn smaak veel minder relevant dan verschillen tussen individuen. Concreet: ik lijk oneindig veel meer op een aantal vrouwen die ik ken dan dat ik op, pakweg, Donald Trump lijk.

Daar komt bij dat, ondanks alle verschillen, mannen en vrouwen toch ook in heel wat opzichten op elkaar lijken. Man-vrouwverschillen zijn naar mijn smaak veel minder relevant dan verschillen tussen individuen. Concreet: ik lijk oneindig veel meer op een aantal vrouwen die ik ken dan dat ik op, pakweg, Donald Trump lijk. Terwijl hij en ik toch allebei mannen zijn.

Of om het van weer een andere kant te benaderen: niemand leek zich erover te verbazen dat ik mij in mijn debuutroman, De vernietiging van Prosper Morèl, wist in te leven in een psychotisch wrak, of in mijn tweede roman Vertedering in een vrouwenmishandelaar (of nog weer later, in Een honger, in een pedofiel). Blijkbaar was dát de normaalste zaak van de wereld, maar een vrouw? Nee, het was toch echt wel héél frappant, dat ik me dáár in kon inleven…

Een tweede type reactie kwam erop neer dat ik vrouwen juist volkomen verkeerd representeerde. Want een vrouw die zich vrijwillig én gretig aan allerlei seksuele handelingen overgaf, nou ja zeg! Waar haalde ik het vandaan? Een vrouw die geniet van een potje pijpen? In your dreams, Ouariachi! (Misschien niet geheel verbazingwekkend kwamen dit soort reacties veelal van mannen.)

De overeenkomst tussen die twee typen reacties is dat zij er allebei vanuit gaan dat er zoiets bestaat als ‘de’ vrouw, en dat ‘een’ man in principe niet geacht wordt in staat te zijn zich in die vrouw in te leven.

Dat is vooral vreemd als zo’n reactie van een vrouw afkomstig is: blijkbaar gaat zij ervan uit dat haar eigen individuele, persoonlijke ervaring maatgevend is voor de ervaring van de-vrouw-in-het-algemeen. Daar mag en kan een man niet aankomen. Maar het persoonlijke is vaak minder persoonlijk dan je in eerste instantie zou denken.

Afgelopen week kon De Groene Amsterdammer melden dat het ‘onomstotelijk’ vaststaat dat achter de mysterieuze Italiaanse schrijfster Elena Ferrante een man schuilgaat, de eveneens Italiaanse maar mannelijke auteur Domenico Starnone. De eerste reacties, op de sociale media, laten een gemengd beeld zien. Er zijn so what?-roepers, en er komen enthousiastelingen voorbij die het een geslaagde stunt vinden of die hun bewondering uiten voor, jaja, hoe goed Starnone zich dan dus blijkbaar heeft kunnen inleven in de belevingswereld van vrouwen. Maar er is toch ook veel verbazing, ontzetting, veel ‘OMG!’ en ‘ik wil dit niet weten!’. Iemand die ik hoog heb zitten, schreef op Twitter dat zij zich bedrogen voelde. De wetenschap dat die boeken door een man geschreven zijn, maakt ze wat haar betreft ‘minder oprecht’.

Het verbaasde me allemaal niet zo, na mijn eigen ervaringen met 25, maar het blijft interessant om je af te vragen wat hier nu toch aan ten grondslag ligt. Een ongeloof in het vermogen van een literaire auteur om zich in een ander in te leven – ja, akkoord, maar waar komt dat vandaan?

Toevallig begon ik afgelopen week aan een herlezing van een oude Philip Roth, Operation Shylock (1993), een quasi-autobiografische roman over identiteitsverwarring. Aan het begin beschrijft de ik-verteller, Philip Roth genaamd, hoe hij een zware zenuwinzinking doormaakte, compleet met hallucinaties en onverklaarbare huilbuien en het gevoel dat zijn geest uit elkaar begon te vallen. Later blijkt dat de ellende een vaker voorkomende, hevige bijwerking is van het slaapmiddel Halcion, en na een korte, pijnlijke afkickperiode verdwijnen de symptomen van de zenuwinzinking als sneeuw voor de zon.

Achteraf kan Roth nauwelijks geloven dat het pilletje verantwoordelijk was voor zijn mentale desintegratie. Blijkbaar beschouwt hij zijn ervaring als zoiets unieks, persoonlijks en diepgravends, dat hij zich niet kan voorstellen dat een chemische verstoring er de oorzaak van is. Maar andere Halcion-gebruikers blijken soortgelijke zenuwinzinkingen te hebben beleefd, en Roth beseft – tot zijn verbijstering – dat zijn ervaring zodoende verre van uniek is.

Dat is een besef – niet uniek te zijn – waar wij mensen slecht tegen kunnen. Jouw ervaring is zo bijzonder – daar kan een ander met zijn verstand niet bij.

Ik weet nog dat jonge ouders vroeger weleens tegen mij zeiden: je begrijpt pas wat wij doormaken als je zelf een kind krijgt. Ik meende dat ik mij hun ervaring wel degelijk kon voorstellen, maar goed, ik hield dan maar mijn mond, wist ik veel, misschien hadden ze wel gelijk. Maar nu ik zelf daadwerkelijk een kind heb, besef ik eens te meer dat ik het destijds wel degelijk goed had gezien: ik kon het mij prima voorstellen.

Ik denk dat nogal wat mensen hun eigen uniciteit overschatten, terwijl ze het inlevingsvermogen van een ander ónderschatten.

Vrouwen die hun vrouwelijkheid als allesbepalend onderdeel van hun identiteit zien, zijn teleurgesteld wanneer de vrouwelijke ervaring er een blijkt te zijn die toch in grote lijnen overeenkomt met de mannelijke ervaring. Die vaststelling lijkt bijna identiteitsroof, maar dat is het niet. Het is eerder een bemoedigende constatering: mannen en vrouwen komen tóch niet van verschillende planeten. Is dat een antifeministisch statement? Integendeel. Want inlevingsvermogen brengt een dure plicht met zich mee: wie ten volle tot zich laat doordringen hoe het is om een ander te zijn, haalt het niet meer in zijn hoofd om die ander te onderdrukken, om de menselijkheid van die ander te ontkennen.

Of anders gezegd: waren er maar meer mannen als Starnone.