Maandboek poëzie
Kleine dingen verzamel je makkelijker dan grote, vandaar dat de meeste auteurs hun verzameld werk pas na hun dood toebedeeld krijgen. Verzamelde verhalen of gedichten kunnen er vaak wel tijdens hun leven al af. Zo’n verzamelbundel bij het leven heeft iets dubbelzinnigs: enerzijds een kroon op je werk, anderzijds toch een beetje een doodskist: is de scheppingskracht soms al voorbij?
De bundel verzamelde gedichten van Robert Anker, naar een van zijn vorige bundels Nieuwe veters geheten, speelt in zijn vormgeving (van Maarten Evenhuis) mooi met die gedachte. Omslag en bindwerk maken een doelbewust onaffe indruk, witte kaft, open rug als moet het definitieve bindwerk nog beginnen.
Sommige dichters nemen het verschijnen van hun verzamelde verzen te baat om de boel eens op te schonen, oude gedichten worden bijgepunt, andere weggegooid. Zo niet Anker. De hele boel staat er integraal in, van het onaanzienlijkste versje uit zijn debuut tot en met de volledige teksten van de latere bundels.
Geen gêne voor het jeugdwerk kennelijk. Anker begon, in 1979 met de bundel Waar ik nog ben, als natuurdichter. Het allereerste gedicht luidt:
De boom verwondert zich / om wat in groei is opgegaan, / door wortels aangedragen, / in zaden weggevoerd op wind. / De rest is hout. / Een timmerman, een vader, / zaagt sparren uit hout tot hoger bloei: / een huis om in te wonen. // Terzij in zaagsel groeit een kind / naar hout.
Qua onderwerp, metaforiek, toon en stijl (weglatingen van lidwoorden, ingesloten antecedenten) is dat helemaal Chris van Geel, wiens besmettelijke invloed in die tijd veel dichters raakte; je ziet hem ook terug bij Ankers bentgenoten Van Deel en Willem-Jan Otten. Toch bespeurt de fijnproever al wel iets anders in dit werk, een autobiografische kiem: uit het symbolische groeit het persoonlijke.
En dat zet door. Inmiddels is Anker een grotestadsdichter geworden en de huidige (en na de onlangs overleden Adriaan Jaeggi tweede) stadsdichter van Amsterdam. In zijn werk komt zowel het individuele als het collectieve lot van de geürbaniseerde mens aan bod, de haastige en zoals het in een van zijn bundels heet ‘broekbewapperde’ enkeling, maar ook de multiculturele samenleving en haar kleurrijke problemen. Een zendeling of boodschapper is Anker bepaalt niet, hij staat langs de zijlijn en kijkt, soms sceptisch, soms deelnemend, maar altijd geïnteresseerd toe.
In de bundel In het vertrek uit 1996 staat een cyclus ‘Afwezig’, gewijd aan zijn inmiddels overleden vader, die de ontwikkeling van het Van Geel-achtige miniatuurtje naar een breder en levendig palet treffend illustreert:
Ik was natuurlijk weer te laat / niet voor het sterven maar dat hij stierf / al die witte pagina’s ook die ruzies / lieve vrienden al die boodschappen / ja ik kom vanmiddag // Blootgewoeld pyjamajasje gele buik zijn lul / wat zijn de dekens in een ziekenhuis toch dun / de deur staat open kakelend bezoek over de gang / ‘hindert niks dat vind ik wel gezellig’
Anker ontwikkelde voor zichzelf een taal vol registerwisselingen: rommelig, terloops, zonder pudeur en vol gedachtesprongen, zinsflarden, parlando-achtige oprispingen. Niet meer dat ene, treffende beeld telt maar de veelvormigheid en het kleurrijke van het geheel. Zo stiefelt hij als dichter voortaan door de buurt, zit in het café, aanschouwt het multiculturele schouwspel, luistert naar een ‘fanfare met spuitmuziek’, maar alles vlot en schijnbaar niet al te betrokken.
Gedachten aan eeuwigheid en wezenlijkheid, die verzwegen grootheden van vroeger die zijn eerste gedichten bepaalden, zijn er nog altijd bij tijd en wijle, maar de wens om er uit te komen of er althans een afgeronde gedachte aan te wijden is er niet meer. De hoofdpersoon van Anker is een twijfelende en sukkelende wandelaar, nu eens egocentrisch op zoek naar idylle, dan weer barmhartig opgaand in zijn omgeving. En zijn poëzie schept niet langer orde maar demonstreert de chaos.
De criticus Ad Zuiderent beval het werk van Anker ooit aan bij de opstandige jonge Maximalen, als zou hier de ware maximale poëzie geleverd worden. Ik snap dat wel, Anker maakte zich in diezelfde tijd van poëtische reuring immers juist los van de ‘lispelende garde van de porseleinkast’, zoals Maximaal Arthur Lava het beliefde te noemen. Maar Ankers dynamiek is toch heel anders, wel levensgroot en vitaal vaak maar geen opgewonden geschreeuw, geen bijkans kosmisch opgaan in de wereld; daarvoor is hij toch te zeer een filosoof die ‘volkomen overtuigd is / en volkomen besluiteloos’.
Als je al die zeven bundels van Anker achter elkaar consumeert, merk je dat zijn overgang van het land naar de stad geen wezenlijke verandering bij de maker heeft teweeggebracht. Hij bleef een gedistantieerd deelnemer die van het landschap, of het nu groen of grijs is, vooral lekker taal en beelden snoept.
Nieuwe veters, ja natuurlijk die heb je altijd nodig als je vorige zijn geknapt, maar deze bundel had met evenveel recht naar de allereerste genoemd kunnen worden: Waar ik nog ben. Want ondanks zijn verhuizing naar de stad, en het botaniseertrommeltje dat voor de camera werd ingeruild, is deze dichter op zijn plaats gebleven, te weten in zijn eigen hoofd, met zijn eigen aangeboren voorkeur voor het schone en aangename, of zoals hij zichzelf toewenst: ‘o knusse dingen hou me vast / ik blaak van alles wat me ook vandaag omringde.’
Kunst of ijdelheid?
René Huigen was zo’n Maximaal, die maar eens naar dichters als Anker moest kijken. En misschien heeft hij het wel gedaan ook want heel erg wild is-ie niet gebleven. Of misschien was hij het wel nooit. Wie nu de gedichten uit het begin herleest heeft toch het gevoel dat het zo’n vaart niet liep met dat maximale levensgevoel. Het klinkt allemaal wel stevig maar toch zeker niet alles omverwerpend:
Poëzie samenvattend / steven ik op een boom af / en van geen wijken weet mijn spoor / daalt op de bevestiging de daad die stilstaat.
Of hebben we hier te maken met de wet van de remmende voorsprong die van revolutionaire voorlopers vergeelde beginners maakt?
Huigen leerde gedurende zijn dichterlijke loopbaan relativeren. Wat dat betreft suggereert de titel Fysica voor dichters een soort voorbeeldboek: zie eens hoe het toegaat in de dichterlijke natuur, je begint schreeuwend maar eindigt bedachtzaam:
Ik weet niet of het een kunst is / of eerder een vorm van ijdelheid / niet alleen mijzelf maar ook / de wereld van de wereld te denken
Dat is het aardige van verzamelde gedichten, je ziet wat er allemaal van terecht is gekomen; het zijn als geen ander documenten die aan de hand van een en dezelfde auteur iets van de veranderende tijdsgeest in beeld brengen.
Huigen overigens vertrouwde de boel toch kennelijk niet helemaal en schrapte wel degelijk hier en daar een ondermaats gedicht. En ook dat klopt want zijn verzen gaan vaak over de vraag wat poëzie eigenlijk is en betekent; eigenlijk schrijft hij bijzonder immanente gedichten, juist dat waar de Maximalen zo op afgaven. Ach, het kan verkeren, zullen wij van de zijlijn maar zeggen.
Kou op je huid
De dichter L.Th. Lehmann (1920), inmiddels al een kleine zeventig jaar actief, werd vooral bekend vanwege zijn adagium ‘Gij zult niet bloemlezen’, dat hem mogelijk een aantal lezers heeft gescheeld. Waarom eigenlijk? Zo onontkoombaar samenhangend en streng is zijn oeuvre toch niet. Integendeel, het maakt eerder een lichte, burleske indruk.
Laden ledigen bevat een keuze uit hervonden werk, poëzie maakt daar deel van uit, en veel ervan draagt moeiteloos bij tot de indruk van een even praatgrage als afwijkende dichter:
Ik heb nooit een auto gehad / of een villa,
maar wat veel beter was: / ik heb tegelijk met anderen / weer anderen onredelijk veracht. / Als ik nu wil verachten, / moet ik er zo hard bij denken. / Dan is het niet aardig meer.
Een typisch Lehmann-vers, je weet eigenlijk niet wat je ervan denken moet; vindt de dichter het goed nooit iets te hebben bezeten en nog beter dat-ie redeloos kon verachten, of dat-ie dat samen met anderen kon doen? Verachting als spel, dat geen moeite mag kosten? Een immorele maar misschien wel heel eerlijke gedachte: de mens pest graag.
Het is vaak verdraaid ingewikkeld om vat te krijgen op de gedachte die deze dichter wil uitdrukken. Dat maakt zijn werk intrigerend en stekelig maar soms denk je: schrijf toch niet alles op.
Anderzijds, het is allemaal nieuw werk van een van de wonderlijkste aanwezigen in onze literatuur. Die zijn verbod op bloemlezing kennelijk wil compenseren met douceurtjes van eigen hand:
Als je ouder bent, weet je / dat met een kleine beweging te veel / tegen je kleine laken, je de dekens / ongewenst van je kunt wentelen, / zodat je kou op je huid voelt.
schreef Lehmann ergens tussen 1950 en 1960. Gekke dichter, altijd geweest, een man van boeiende kruimelgedachten.
Verzamelde verongelijktheid
Schrijver en dichter Bouke Jagt hóéfde zijn toestemming om in bloemlezingen te worden opgenomen niet eens te geven. Iemand die het niet gemaakt heeft. En nu Weerlicht, opnieuw verzamelde gedichten, plus nieuw, kennelijk in de nalatenschap aangetroffen werk.
Alles in deze bundel ademt ietwat verongelijkte pretenties uit. De omslagtekst: ‘Ondanks een kleine groep podiumdichters en mediadichters wordt in onze samenleving poëzie niet serieus genomen.’ Niet minder dan het nawoord, dat een hele academische verhandeling over de poëzie zelf en het werk van Jagt biedt. Plus het bekende gezucht bij onderschatting: ‘Er ontbreekt ten onzent blijkbaar een literaire kwaliteitsnorm’.
Much ado about nothing, ben je geneigd te zeggen, maar klopt dat ook? Is Bouke Jagt, al weer enige jaren dood, misschien ten onrechte vergeten? Hier, het gedicht ‘Theehuis’:
Bordeellente, ieder uur 50 euro waard. / Bevredigd bij jong naakt en maneschijn / hoor ik muziek uit herberg of theehuis / over de binnenplaats. Daarboven rijst / onmetelijk de nacht, hoog en ver Azië in.
In elk geval geen valse schaamte over de plaatselijke kinderseks, maar helaas ook niet over de erop volgende hooggestemde gevoelens. Zo gaat het steeds, je voelt dat hij prat gaat op zijn inspiratie, die van hoog naar laag zwenkt en van verliefdheid naar vroomheid. Zijn terechte bescheidenheid heeft een valse toon: ‘Heer, ik reken mijzelf niet tot de elite / en besef, hoeveel mijn vermogens te boven gaat.’
Intussen is het een raar geval, zo’n miskende dichter met een verzameld werk. Me dunkt dat hij hooguit een schrijver was voor een selectief bundeltje. Maar daar denken zijn erfgenamen kennelijk anders over. En dan krijg je dit: verzamelde gedichten als anti-reclame.
Robert Anker, ‘Nieuwe veters, verzamelde gedichten 1978-2006’, Querido, 406 p., € 29,95; René Huigen, ‘Fysica voor dichters, Een definitieve keuze uit de gedichten 1989-2003’, De Bezige Bij, 224 p., € 24,90; L. Th. Lehmann, ‘Laden ledigen, Een keuze uit hervonden werk’, De Bezige Bij, 268 p., € 24,90; Bouke Jagt, ‘Weerlicht, Gedichten’, Badeloch, Voorschoten, 216 p., € 18,50
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.