In het brein van de reaguurder

door
Illustratie: Paul Faassen
Wat bezielt ons om zo veel onlinebedreigingen te uiten? Asha ten Broeke zoekt het uit en ontmoet een van haar haters.

Hypocriete kut.’
‘Feministisch zwijn *kots*.’
‘Kankerhoer verdwijn van het internet. Niemand wil je hier.’
‘Zou @ashatenbroeke haar kinderen via kunstmatige inseminatie hebben gekregen, of bestaat er echt iemand die hem bij haar omhoog krijgt?’
‘Ik kom naar je huis en ik neuk je zo hard in al je gaten dat je niets meer kunt zeggen al zou je het willen jij oliedom moddervet wijf.’
Dit soort gezelligheid zie ik bijna elke dag voorbijkomen, op Twitter, in mijn mailbox, in de reacties onder mijn columns en onder de berichtjes die de redacteuren van weblog GeenStijl met enige regelmaat over me tikken.

Elke keer als ik schrijf over iets als seksisme in Bart Smit-folders of de racistische kantjes van Zwarte Piet zijn ze er weer: de oprispingen uit het afvoerputje van het web, waar internethooligans en reaguurders de haat en intimidatie vrijelijk laten lopen.

Ik ben natuurlijk niet de enige in Nederland die hiermee te maken heeft. Maar afgelopen oktober werd voor het eerst in cijfers uitgedrukt hoe groot het probleem eigenlijk is. Nederlandse twitteraars uiten elke dag honderd tot tweehonderd bedreigingen die zo ernstig zijn dat de politie op onderzoek uitgaat. Bijna dagelijks wordt er iemand voor opgepakt of berispt, vertelde politiechef Martine Visser aan de Volkskrant. ‘Vroeger moest je een envelop kopen, een brief schrijven en hem posten. Nu tik je wat woorden en bedreig je iemand. Dat is erg makkelijk en gebeurt dus ook veel.’

Maar waarom? Wie zijn deze mensen? Wat bezielt iemand die Anouk iets toewenst als ‘viese rvuil vwende kanker hoer dat je bent hoop dat je binnen kort dood valt het liefs doe ik het zelf tyfus slet’ (sic), alleen omdat zij vindt dat Zwarte Piet niet meer van deze tijd is? Wat beweegt een reaguurder om over Femke Halsema te zeggen: ‘Ik zou Femke Hoersema keihard nemen met een bal in haar bek’? Vanwaar de aandrang om, nadat ik bij Pauw & Witteman heb genoemd dat ik twee dochters heb, te twitteren: ‘Dat er überhaupt iemand twee keer over die @ashatenbroeke heen is geweest. Da’s pas eng.’

Ik besluit het te vragen aan een paar mensen die met enige regelmaat iets onaardigs over me zeggen. Per Twitter en mail verzoek ik ze vriendelijk of ze eens willen vertellen waarom ze nou eigenlijk zo’n hekel aan me hebben. De meesten reageren niet, en degenen die wel reageren, zijn weinig introspectief. De hatelijkheden heb ik aan mezelf te danken, vinden zij, want ik ben gewoon een dom vies varken. Net als ik spijt begin te krijgen dat ik erover ben begonnen, krijg ik een iets informatievere reactie: ‘Ik heb niet de schurft aan jou persoonlijk, maar je staat voor de verweking van dit land, het gezeur en de kleinzieligheid.’

Dieptepunt was een mailtje waarin mijn kinderen werden bedreigd

Een soort algemene woede, dus, en ik ben half per ongeluk de kop van Jut? Ik wil het serieus in overweging nemen, maar mijn brein wil er niet goed aan, na ruim twee jaar aan net-niet-doodsbedreigingen (‘Iemand moet jou eens goed overhoop steken’ – net zo onbeschaafd als een echte maar net wat minder strafbaar), verkrachtingsbeloftes (‘als ik ooit tegenkom zal ik jouw neuken tot je scheurt en bloed’, sic) en een schier eindeloze stroom kritiek op mijn uiterlijk (te dik, te lesbisch, te jongensachtig). Hoe moet ik dit anders opvatten dan persoonlijk?

Surrealistische situaties
Levendige herinneringen heb ik aan de eerste keer dat ik als freelance journalist een haatstorm over me heen kreeg. Het was twee jaar geleden; ik had zojuist in Trouw een dwarse column over Diederik Stapel geschreven. Dat zijn fraude erg was, maar ook vooral een vergrotende trap van een vrij ziek wetenschapssysteem waarin resultaten voortdurend fraaier werden voorgesteld dan ze waren omdat de prestatiedruk zo ontzettend hoog was. Inmiddels is dit een bekend verhaal, maar toen was de communis opinio nog dat Stapel een rotte satansappel was in een mandje vol stralende goudrenetten, en was mijn standpunt een tikje afwijkend.

GeenStijl schreef er een vilein stukje over, en daarna ging het los, op de typische manier waarop dit soort dingen gaan. Het begon in de reacties onder het GeenStijl-stukje zelf, daarna zwol het haatorkest aan op Twitter en als slotakkoord kwamen er een paar echt vuige berichten via de mail, waarin anonieme hotmailadressen me seksueel geweld en/of een spoedige dood toewensten. Dieptepunt was een mailtje waarin mijn kinderen werden bedreigd: die moesten ‘gered’ worden van een verknipte moeder als ik. Een digitale gifpijl in de achilleshiel van iedere ouder – mijn hart miste twee slagen toen ik dat bericht las, want het zal toch maar gebeuren dat zo’n gek de volgende dag bij het schoolplein staat. Maar net als je denkt dat je er niet meer tegen kunt, gaat de storm weer liggen. Het gros van de reaguurders vindt een ander slachtoffer om op los te gaan. Rust.

Ik besloot geen aangifte te doen, omdat ik die rust niet verstoren wilde. Dus bleef ik achter met alleen een rauw gevoel en een handjevol meer vasthoudende types die vanaf dat moment te pas en te onpas hun onvriendelijke mening over mijn persoon kwamen delen. Dat clubje trouwe haters groeit sindsdien met elke nieuwe storm. Deze ‘harde kern’ bestaat uit misschien tweehonderd man (en een enkele vrouw), schat een collega-journalist die al veel langer dan ik voorzien is van zo’n vaste schare ‘fans’. Ze zorgen voor surrealistische situaties. Twitter je een linkje naar een leuke column, komen ze uit het niets ineens met: ‘Hou je bek, vuile kuthoer.’ Zeg je iets sympathieks over vrouwenemancipatie, dan wenst iemand je volkomen ongerelateerd toe dat je naar een oorlogsfront gestuurd wordt, alleen en zonder wapens. En ja, dat is een doodswens aan mijn adres, bevestigt dit fuifnummer desgevraagd.

Doodsbange journalisten
Twee jaar geleden raadden de meeste mensen me aan om niet te reageren op het GeenStijl-bericht en de bijbehorende ellende. Als je geschoren wordt, moet je stilzitten. Als je er wel wat van zegt, dan moeten zij daar weer wat mee en begint het hele circus weer van voren af aan.
Ik heb daarover nagedacht. Maar toegeven aan de angst om door GeenStijl en de trollen (zeg maar: de voetbalhooligans van het internet) in hun slipstream door de mangel gehaald te worden zou betekenen dat ik voortaan met angst in mijn hart mijn columns zou moeten schrijven. Dan zou ik me scharen bij alle beleidsmakers, journalisten, opiniemakers en activisten die me de afgelopen twee jaar op borrels en conferenties vertelden dat ze in alle ernst doodsbang zijn voor de potentiële toorn van GeenStijl en daarom sommige dingen maar gewoon helemaal niet zeggen.

Illustratie: Paul Faassen
Illustratie: Paul Faassen

Daar was ik niet toe bereid, en dus schreef ik de week na de Stapel-storm, met knikkende knieën en zweethanden, een column over hoe GeenStijl haat op internet aanwakkert. En hoe vrouwen met een mening altijd recht lijken te hebben op wat extra venijn. Want als vrouw ben je niet alleen dom en/of gek, maar komt er een extra dimensie bij die volledig draait om seks. De filosofie van de reaguurders is als volgt: vrouwen die niet ‘neuqbaar’ zijn moeten hun bek houden, want die zijn te lelijk om recht te hebben op een opinie. En vrouwen die wel aantrekkelijk zijn, hoeven niets te vinden, maar alleen mooi te wezen en geneukt te worden. Deze houding wordt meestal afgetopt met een verkrachtingsdreigement.

Voor internethooligans maakt het niet uit wát een vrouw zegt of wat haar politieke kleur is, blijkt uit een artikel uit The Observer waarin een aantal prominente Britse opinievrouwen vertelden over wat hun allemaal aan haat en intimidatie overkomt op het internet. Van een linksige columnist tot een katholieke blogger die zichzelf omschrijft als ‘tamelijk orthodox’: ze vertelden allemaal hetzelfde verhaal. Vooral de verkrachtingsbedreigingen hakken er diep in. Schrijver Susie Orbach zegt het zo: ‘Het dreigen met seksueel geweld is op zichzelf een vorm van geweld.’ Zo kijken de trollen er zelf echter niet tegenaan, blijkt uit een opmerking van New Statesman-redacteur Helen Lewis-Hasteley. ‘Iemand vroeg me of ik me niet realiseerde dat ik niet echt verkracht zou worden.’

Verknipt-normaal
Wat nou als dat reaguren een soort spel is, waarbij beide kanten volgens andere spelregels spelen? Als het voor de trollen écht niet persoonlijk is, maar dat het gewoon in sommige kringen een soort van verknipt-normaal is geworden om je mening kracht bij te zetten met haat en intimidatie, voor de lol, en met een halve hoop om iemand als bonus de mond te snoeren? Terwijl degenen die aan de ontvangende kant van de haat en intimidatie staan zich wel echt onveilig en persoonlijk bedreigd voelen en daardoor niet altijd meer durven zeggen wat ze willen zeggen?

Ergens is dat trouwens ook wel een geruststellend idee: als trollen roepen dat ik dood moet gaan of verkracht moet worden, menen ze het blijkbaar niet serieus. Maar die constatering roept wel onmiddellijk weer een andere vraag op: als er achter de hatelijkheden geen echte haat zit, hoe komt iemand er in vredesnaam bij dan toch zo te dreigen en intimideren? Het is niets persoonlijks, meid, maar ik ga toch gezellig even je neukbaarheid onder de loep nemen en als toetje een paar leuke verkrachtingsscenario’s schetsen?

New Statesman-columnist Laurie Penny wijdt het in The Observer aan de geneugten van het per computer communiceren: ‘Het internet maakt het gemakkelijker voor jongens in eenzame slaapkamers om pestkoppen te worden.’ En daarin heeft ze waarschijnlijk gelijk. Volgens John Suler, hoogleraar psychologie aan Rider University, gedragen mensen zich op het web anders dan in het echte leven. Hij schreef al in 2004 een zeer invloedrijke wetenschappelijke paper over de vraag: waarom?

Sowieso zijn mensen online ontremder dan wanneer ze gewoon met iemand staan te kletsen, stelt Suler vast. Dat hoeft niet per se lelijk af te lopen: er zijn ook mensen die zich meer blootgeven online, eerder iemand te hulp schieten of sneller intiem praten met iemand met wie ze veel gemeen hebben. Maar Suler gaat ook in op wat hij ‘toxic inhibition’ (giftige ontremming) noemt. In zijn publicatie omschrijft hij het poëtisch als ‘een blinde catharsis, een herhaaldelijke vruchteloze drang tot onverkwikkelijk gedrag’.

Illustratie: Paul Faassen
Illustratie: Paul Faassen

Onthechting

Een van de eerste oorzaken van deze ontremming, zo schrijft Suler, is de anonimiteit die het internet biedt. Het maakt niet uit hoezeer je je online misdraagt, zolang je je identiteit niet bekendmaakt kun je de volgende dag gewoon naar je werk, niemand die je raar aankijkt. Maar dit gebrek aan consequenties is niet de enige reden waarom anonimiteit ontremt. Het heeft ook een psychologisch effect: mensen zijn geneigd hun daden op het internet los te koppelen van hun ‘echte’ identiteit. Die onthechting gebruiken ze om zich op te delen in een online-zelf en een offline-zelf. Het gevolg is dat ze, zodra de computer uitstaat, geen echte verantwoordelijkheid voelen voor wat ze getrold en gereaguurd hebben. Zoals iemand die tijdens een potje squashen op het agressieve af bloedfanatiek op de baan staat, en daarna weer overgaat tot zijn eigen zachtmoedige orde van de dag.

Die onthechting wordt een handje geholpen door het feit dat reaguurders de mensen die ze te pakken nemen niet kunnen zien. Wanneer je offline een gesprek hebt, krijg je voortdurend informatie over wat jouw gedrag met iemand doet. Wanneer je iemand dood wenst of uitscheldt, zie je die persoon schrikken en verdrietig of boos worden. Mensen zijn erop gebouwd zich deze emotionele reacties aan te trekken, zeggen wetenschappers, want homo sapiens is een sociale diersoort. Maar online zie en hoor je niets van dit alles. Uit een experiment in 2012 dat voortborduurt op Sulers werk blijkt dat vooral het gebrek aan oogcontact zorgt voor meer ‘toxic inhibition’ op internet.

Dankzij dit experiment begrijp ik zangeres Anouk ineens ook beter. Bij Pauw & Witteman vertelde ze dat ze mensen die haar vanwege de Zwarte Piet-discussie met de dood bedreigden haar adres gaf. ‘Kom het maar in mijn gezicht zeggen, dan hebben we het erover. Er is niemand geweest.’ Dat is misschien helemaal geen gek idee. Ik kwam ooit GeenStijl-redacteur Annabel Nanninga tegen in de bus en dat verliep vrij goed: nadat ook zij benadrukte dat ik het allemaal niet persoonlijk moest opnemen, en ik desgevraagd bevestigde dat ik inderdaad een tuinbroek bezit, zijn we in alle vriendelijkheid uit elkaar gegaan. 
Misschien zou het wel goed zijn om eens een reaguurder in de ogen te kijken. Als ultieme poging om de innerlijkheden van de trol te doorgronden. En ook gewoon, om te zien wat er gebeurt.

‘Een gebbetje’
Via via achterhaal ik het e-mailadres van een lid van mijn ‘fanclub’ die ik net iets hoger heb zitten dan de rest omdat hij zijn verbale diarree tenminste onder zijn eigen naam deelt: Robert Engel. Hij is degene die zich afvroeg of ik mijn kinderen via kunstmatige inseminatie had gekregen. Niet erg lief, maar toch nodig ik hem uit voor een kop koffie en een interview. Tot mijn verbazing stemt hij meteen toe.

‘Op internet ben ik gewoon de grootste klootzak’

We spreken af in Den Bosch, in café De Nar. Ik heb de plek gekozen omdat de naam me toepasselijk leek, maar bij aankomst blijkt het een kaarsverlichte bruine kroeg te zijn, meer geschikt voor voetjevrijen met je minnaar dan voor een stevig interviewgesprek met iemand je de afgelopen maanden bij herhaling afzeek en vernederde.

Engel is een kleine kale man van negenenveertig, met gympies en een kabouterbaard, die me bij binnenkomst hartelijk de hand schudt en koffie bestelt. Hij weet waar hij over praat als we het over internethaat hebben. Hij blogt al meer dan vijftien jaar en hield er al ongezouten meningen op na toen ik nog in een studentenhuis woonde. Mij heeft hij nooit bedreigd, maar onlangs wenste hij een andere twitteraar een dood per messteek toe.

De slachtofferkant van het reaguurdersspel kent hij ook. Intiemer dan ik zelfs, want bij hem ging het zelfs zover dat zijn vriendin werd lastiggevallen op haar werk en dat zijn ouders midden in de nacht werden gebeld met de boodschap dat hun zoon dood was. De dreiging die ervan uitgaat neemt hij serieus, ook al benadrukt hij dat hij niet bang is. ‘Ik hou m’n adres geheim. Er zijn mensen die zich al vijf, zes jaar met mij bezighouden. Dan kan het best zijn dat er een keer eentje achter je staat.’

Illustratie: Paul Faassen
Illustratie: Paul Faassen

Over wat hij online zelf allemaal zegt, is hij laconieker: ‘Ik weet dat ik geen lieverdje ben, maar echt mensen bedreigen, dat doe ik niet. Al was het maar omdat ik dan te pakken ben, haha. Maar nee, dan overschrijd je een grens. Dan kom je bij geweld, dat moet nooit kunnen.’ Als ik hem vraag naar zijn eigen hatelijke en dreigende opmerkingen, wuift hij het weg. ‘Een gebbetje.’
Hij moet mij vooral hebben omdat hij vindt dat mijn feministische standpunten niet meer van deze tijd zijn. ‘En daarom wil ik dat ridiculiseren. Puur voor de lol. Jij – en dit klinkt lullig maar het is niet persoonlijk – bent een gemakkelijk doelwit op zo’n moment.’

Sympathieke bent
Ik vraag hem of hij die dingen ook in mijn gezicht zou zeggen, wanneer we elkaar in de ogen kunnen kijken. ‘Ja, natuurlijk. Waarom niet?’ Dat wil ik testen. Op een papiertje heb ik de tweets geschreven die hij stuurde toen bekend was geworden dat ik bij Pauw & Witteman zou gaan vertellen over de lustpil voor vrouwen. Terwijl ik in de trein naar de studio in Amsterdam zat, ging hij los. Bij het kaarslicht van de kroeg lees ik ze voor:

‘Lijkt mij overigens verstandig als je als kerel op de vlucht slaat als @ashatenbroeke met een doosje lustpillen komt aanzetten.’

‘Ik moet er echt niet aan denken, dat @ashatenbroeke mij schalks aankijkt en met half gesloten ogen haar lustpil verorbert.’

‘Trouwens, nu die @ashatenbroeke op Bob de Rooy lijkt, zou haar man zich dan verkleden als Annie?’

Ik voel me kwetsbaar terwijl ik dit voorlees, maar ik dwing mezelf hem aan te kijken en te vragen waarom hij dit doet. Engel verbreekt het oogcontact. ‘Veel mensen missen het vermogen om te relativeren. Ze zijn niet in staat om een lolletje op het internet te scheiden van echte haat. Het is allemaal zo serieus.’ Daarna: ‘Het is verder niet hatelijk bedoeld.’ Hij zwijgt even. ‘Nee, dat is te makkelijk. Natuurlijk is het hatelijk bedoeld, maar ik heb echt niet voor altijd een hekel aan je. Ik vind het moeilijk om een hekel te hebben aan mensen. Zoals een vriendin van me zei: in het echt is hij best aardig.’ Dan blijkt dat ook Engel een scheiding aanbrengt tussen zijn offline-zelf en online-zelf: ‘Maar op internet ben ik gewoon de grootste klootzak.’

Hij moet mij vooral hebben omdat hij vindt dat mijn feministische standpunten niet meer van deze tijd zijn

In het Brabantse café is hij dat echt niet. Als ik mijn opschrijfboekje heb opgeborgen, drinken we nog een kop koffie. Hij vertelt over Willem, de poes waar hij zich over ontfermde toen ze nog een zwaargewond zwerfkatje van vier weken oud was. Hoe hij vier keer per dag drupjes in haar oogjes deed, haar zes keer per dag een pilletje gaf en haar overal mee naartoe nam in de binnenzak van zijn jas. Hoe ze niet wist hoe ze zichzelf moest wassen, waarop de dierenarts zei dat hij haar dat moest leren door met zijn kin over haar vacht te strijken. Zijn ogen glimmen als hij zegt: ‘Dus ik deed dat. En verrek, het werkte.’

Ik kan het niet helpen, maar dat ontroert me. Twee uur in een gezellig café en de man van wie ik dacht dat hij een hatende internethooligan was blijkt een sympathieke vent. En dat gevoel lijkt wederzijds. Want wanneer ik hem vraag of hij nu eens in mijn gezicht wil zeggen wat hij van me vindt, zegt hij: ‘Ik vind je een aardige meid.’

Ik heb GeenStijl gevraagd of ze wilden vertellen waarom ze eigenlijk doen wat ze doen en of ze zich verantwoordelijk voelen voor de haat en agressie die ze met hun stukjes uitlokken. Ze wilden niet reageren. Wel plaatsten ze mijn verzoek om wederhoor integraal op hun website. Dat leverde geen nieuwe informatie op, maar wel verheffende reaguursels als: ‘Daar moet een piemel in, daar moet een piemel in, daar moet een piemel in’ en ‘Alle Asha’s zijn vieze kuthoeren.’