De Hongaarse schrijver Imre  Kertész is overleden. Vrij Nederland interviewde hem in 2001, vlak voor hij de Nobelprijs zou krijgen. ‘De Hongaarse autoriteiten willen nog steeds de kunst controleren.’

Dit artikel verscheen voor het eerst op 30 juni 2001 in Vrij Nederland.

Schrijver Imre Kertész maakte als jongen de vernietigingskampen van de nazi’s mee. Later, in communistisch Hongarije, kon hij zijn boeken niet publiceren. En na de omwenteling in Oost-Europa willen de Hongaren nog steeds niets weten van hun schuldige verleden. ‘Als ik een roman had voltooid, werd ik weer geconfronteerd met de vraag of ik nu zelfmoord moest plegen of niet.’

Na zijn bevrijding uit Buchenwald werkte Imre Kertész in het communistische Hongarije eerst als journalist, daarna als zelfstandig schrijver en vertaler. In Onbepaald door het lot beschreef hij de deportatie vanuit het perspectief van een veertienjarige jongen – zijn eigen perspectief. Hoe was Kertész’ jeugd in het vooroorlogse Hongarije?

Advertentie

Advertentie

‘Toen mijn ouders scheidden, op mijn vijfde, werd ik naar een internaat gestuurd. Later, toen ik kon terugblikken, heb ik het internaat ervaren als een voorportaal van Auschwitz. Hongarije was in de jaren dertig een prefascistische maatschappij. Je moest jezelf als kind voortdurend verloochenen.’

Had u als schooljongen al een idee van de uitzonderingssituatie van de joden in Hongarije?
‘Zeker. Mijn vader wilde me naar een gymnasium sturen, maar sinds 1938 was er in Hongarije al een jodenwet die een “numerus clausus” voor joden had ingevoerd. Het kwam erop neer dat ik naar een aparte school voor joden werd gestuurd.’

U heeft het over het politieke christendom dat Hongarije in zijn greep hield.
‘Ja, in het Hongaarse parlement zaten in de jaren dertig protestanten en vooral katholieke priesters die de jodenwetten mee hebben goedgekeurd. Hongarije was tijdens het interbellum een uitgesproken katholiek land. Miklos Horthy, de regent, vertegenwoordigde de lijn van de katholieke kerk die al heel vroeg, nog voor Hitler aan de macht kwam, een antisemitische richting ingeslagen was. De eerste antisemitische verordeningen dateerden al van 1920. De katholieke kerk in Hongarije heeft bewezen dat ze een collaborerende kerk was die eerst met de nazi’s en daarna met de communisten heulde. Nu eist die kerk haar bezittingen weer op en drukt weer zwaar op het maatschappelijk leven in Hongarije, wat ik helemaal niet gezond vind.’

De huidige jonge Hongaarse fascisten die u beschrijft, verschillen weinig van de Pijlkruisers die in 1944 Boedapest terroriseerden.
‘Er zijn helaas veel parallellen. Bij de Pijlkruisers, de nazipartij van Hongarije, waren veel politiemensen, militairen en gendarmes aangesloten. Ze beheersten vanaf oktober 1944 de straten van Boedapest. Ze vielen binnen in de getto’s waar ze razzia’s hielden, waarbij talloze joden naar de oevers van de Donau werden gesleept en daar afgemaakt. Ze werden gewoon de rivier in geschoten. We wisten helemaal niets over Auschwitz. Toen we verhalen hoorden over mensen die naar Duitsland gedeporteerd werden om daar te werken, leek ons dat een heel aantrekkelijk perspectief.’

Hongarije koestert de rol van slachtoffer, terwijl het in werkelijkheid zonder scrupules dader was?
‘De deportatie van de Hongaarse joden naar Duitsland was een Hongaars initiatief, het werk van de Hongaarse gendarmerie, van Hongaarse burgemeesters en ambtenaren. De joden die werden aangehouden, onder wie ikzelf toen ik veertien jaar was, werden eerst in een kazerne van de gendarmerie opgesloten, vervolgens naar een getto gebracht en daarna naar Auschwitz gedeporteerd. Het waren Hongaren die de getto’s bewaakten en die voor de deportatie verantwoordelijk waren. Mijn vader is in de buurt van de Hongaars-Oostenrijkse grens door Hongaren vermoord. Hij was een totaal verzwakte, zieke man toen hij als arbeidsongeschikte arbeider werd doodgeschoten in een steengroeve in Fertörakos. Later heb ik een document gekregen waarin Hongaarse autoriteiten me meedeelden dat mijn vader “de heldendood” gestorven was. Een leugen.’

Het waren Hongaren die de getto’s bewaakten en die voor de deportatie verantwoordelijk waren.

U schrijft dat de Hongaarse autoriteiten u verwijten dat u altijd hetzelfde boek schrijft, dat uw enige thema Auschwitz is.
‘Wat heeft een schrijver met de autoriteiten te maken? Niets toch! Maar toch willen de Hongaarse autoriteiten nog steeds de kunst controleren en onder curatele plaatsen. De staat heeft nog altijd de neiging om te ideologiseren, om de Hongaarse geschiedenis en de prefascistische jaren dertig, die tot de oorlog leidden, te rechtvaardigen. De Hongaarse maatschappij voelt nog steeds niet de noodzaak om de recente geschiedenis recht in de ogen te zien. Ze wil nog altijd goedpraten en verbloemen waar niets verbloemd en goedgepraat kan worden. In Hongarije bestaat geen holocaustbewustzijn.’

U werd als jongen van vijftien naar Auschwitz gedeporteerd, terwijl Miklos Horthy had besloten dat de joden in Boedapest mochten blijven.
‘Horthy gebruikte op het einde van de oorlog de joden als gijzelaars en als schild. Toen duidelijk werd dat de Duitsers de oorlog zouden verliezen, wilde hij zijn huid redden door geen jodentransport uit Boedapest toe te staan. Maar elke jood die de hoofdstad verliet, werd door de Hongaarse gendarmes gearresteerd en gedeporteerd. Dat overkwam mij ook. In juni 1944 werkte ik in de Shell-fabriek van Csepel, een industrieel eiland even buiten Boedapest. Ik werd aangehouden. De Hongaarse gendarmerie trok er zich niets van aan dat ik als jood een vergunning had om buiten de stad te werken. Ik werd gearresteerd en naar Auschwitz gedeporteerd.’

In ‘Onbepaald door het lot’ beschrijft u een scène waarin een gevangene eten geeft aan een ziek jongetje. Beschrijft u wat uzelf overkwam?
‘Ja, we waren op ziekentransport van het ene kamp naar het andere. Ik dreigde mijn portie voedsel mis te lopen, leefde al met de gedachte dat ik zou sterven. Toen is een medegevangene – leraar in het burgerleven – naar me toe gekomen en heeft mijn voedselpakket op mijn buik gelegd. Dat hij mijn portie niet zelf opat en zelfs zijn leven riskeerde door het me te bezorgen, noem ik een heldhaftige daad. Het betekent gewoon dat de leraar bewust afzag van zijn mogelijkheden om te overleven. Zoiets was een wonder in Auschwitz. Een uitzonderlijke daad in een situatie waarin je niets anders meemaakte dan vernederingen.’

Heeft het lang geduurd voor u erin slaagde Auschwitz op een voor u doeltreffende manier te beschrijven?
‘Ja, ik heb een hekel aan Auschwitz-kitsch à la Spielberg. Toen ik Onbepaald door het lot begon te schrijven, wilde ik de Auschwitz-anekdoten zoveel mogelijk vermijden. Ik vertelde de geschiedenis vanuit het perspectief van een jongetje dat naar Auschwitz wordt gedeporteerd en dat niet weet hoe het zal aflopen. Het perspectief van het kind was een stijlmiddel om het infantilisme van het gebeuren te beschrijven. Ik wou niets gebruiken van de achterafkennis over Auschwitz. Vandaar dat het jongetje niet weet wat hem overkomt en zich soms vreselijk verveelt. Je hoopte dat er iets zou gebeuren wat de sleur zou doorbreken. Maar tegelijk was je bang dat het nieuwe toch weer erger zou zijn. Je verneemt wel dat er mensen worden geslagen en vermoord, maar dat sluit niet uit dat iemand die niet gedood wordt toch nog altijd hoopt in een betere omgeving terecht te komen. Ik wou Auschwitz neerzetten als gemeenplaats, met alle verplichte fasen die je moest doorlopen: de normaliteit in het huisgezin, de dwangarbeid, het getto, de arrestatie, de deportatie, de aankomst in Auschwitz, de selectie, de terugkeer naar huis. Het is geschreven als een kruisweg in staties. Het moeilijkst was om in de taal van het kind te blijven schrijven, ik mocht niet uit die rol vallen.’

Het moeilijkst was om in de taal van het kind te blijven schrijven, ik mocht niet uit die rol vallen.

U had in het dictatoriale Hongarije van de jaren vijftig en zestig geen uitzicht op publicatie?
‘Omdat ik als schrijver vrij wilde blijven, kon ik niets publiceren van wat ik tot mijn echte literaire werk rekende. Ik bleef in leven door het schrijven van blijspelen, vaudevilles en kleine operettes. Ik schreef zoveel stukken als ik nodig had om te overleven. Mijn eerste vrouw werkte in een restaurant. Zo hebben we vele jaren overleefd. Eigenlijk woonden we meer dan dertig jaar op een kamer van achtentwintig vierkante meter. In 1975 werd Onbepaald door het lot gepubliceerd. Je kon het niet in de boekhandel vinden, maar wel op de zwarte markt en in de bibliotheek. Aan de ene kant was ik blij dat mijn werk niet geprezen werd, want welke serieuze schrijver wil nu geloofd worden door een dictatoriaal regime? Maar ik was ook ijdel en betreurde dat ik nooit de resultaten van mijn werk zou zien. Twintig jaar frustratie kun je als schrijver nog uithouden, maar alles wat langer duurt, is schadelijk. Ik kan dus wel zeggen dat de ommekeer in Oost-Europa voor mij precies op het goede moment gekomen is.’

Er zijn schrijvers die de kampen overleefden en daarna zelfmoord pleegden, Primo Levi is de bekendste. Heeft u zelf met die gedachte gespeeld?
‘Niet alleen gespeeld, ik heb die gedachte zeer ernstig genomen. Ik vermoed dat ik overleefde omdat ik gedwongen werd te leven in de antihumanistische maatschappij van het stalinisme. Ik verwachtte geen loutering, wat wel gold voor de westerse intellectuelen die Auschwitz hadden meegemaakt. Maar hun verwachtingen kwamen niet uit. Tijdens het stalinisme heb ikzelf helemaal geen illusies gekoesterd. Dat heeft me waarschijnlijk het leven gered. Juist omdat het stalinisme me niet toestond om in Hongarije het debat over de schandalige Auschwitz-geschiedenis te beginnen, werd ik gedwongen om nog maar eens een overlevingsproces door te maken. Het schrijven van een roman was telkens weer extra tijd waarin het mogelijk was om te overleven. Pas nadat een roman was voltooid, werd ik weer geconfronteerd met de vraag of ik nu zelfmoord moest plegen of niet. Na de voltooiing van een roman viel ik telkens in een grote leegte. Het leven hier was grijs en hopeloos. Het leek niet de moeite om te leven in de tijd tussen twee romans. Maar nu de toestand zo drastisch is veranderd, is het probleem in artistieke materie opgegaan. In mijn volgende roman staat de kwestie van de zelfmoord, de enige echte en ernstige filosofische vraag, centraal.’

In ‘Ik, de ander’ is een zekere I.K. aan het woord. Waarom alleen uw initialen?
‘Ik heb nog altijd niet aan mijn naam kunnen wennen. Als ik bij mijn naam genoemd word, heb ik nog altijd het gevoel dat me iets zal overkomen. Het is een naam die op een lijst gestaan heeft van mensen die niet gewenst zijn. Ik ben het nu gewoon dat ik me niet identiek voel met mijn naam. Dat is soms grappig, want de schrijver Imre Kertész, die langzamerhand beroemd wordt, is voor mij een vreemde. Ik ben gewoon de man die besloten heeft te schrijven, die leeft om elke dag te schrijven en niet om beroemd te zijn.’