Interview met Wim Helsen

Terwijl theater de Koornbeurs in Franeker, ‘het gezelligste theater in Fryslân’, langzaam leegstroomt, zit Wim Helsen (37) ietwat verslagen in zijn kleedkamer. ‘Dit was heel hard werken,’ zucht de Vlaming boven een kop thee. Het publiek, waarvan het merendeel Reinier Paping nog door de stadsvaarten moet hebben zien ploegen, liet zich vanavond moeilijk meeslepen in zijn surrealistische universum. Een ouder echtpaar op de eerste rij, van wie de man zich in een elektrisch karretje verplaatste, hield het voortijdig voor gezien. Verschillende toeschouwers lieten zich na afloop van de voorstelling ontvallen dat het ‘niet echt iets voor ons’ was. En zelfs de technicus van de Koornbeurs had het niet helemaal begrepen. Toen op een bepaald punt van de avond een opvallend geluid door de zaal klonk, een vast onderdeel van de show, begon die direct aan allerlei knoppen te draaien om aan die herrie een einde te maken.

Toch was dit niet eens de zwaarste avond die Helsen heeft beleefd. Soms bestaat zijn publiek uit zulke ‘zombies’ dat hij er opstandig van wordt.

Dan denkt hij ‘blaast mijnen zak op’ en raffelt hij zijn voorstelling af. En als hij helemáál geen reactie krijg, dan ‘straft’ Helsen de mensen. Zoals hij dat deed in het Belgische Maldegem. ‘Ik dacht: jullie verdienen het niet dat ik hier zo hard mijn best sta te doen. Ik liet een heel grappig onderdeel uit de voorstelling weg, en verving dat door een mislukt stuk uit mijn beginperiode. En toen kreeg ik na afloop heel lang applaus, zó achterlijk waren ze daar. Ik ben het podium af gegaan en niet meer teruggekomen. Ik heb Maldegem meteen op mijn zwarte lijst laten zetten.’

Wie op hapklare brokken wil worden getrakteerd, heeft bij Wim Helsen weinig te zoeken. Bij hem geen grappen over bejaarden die voordringen in de supermarkt, geen spervuur van spitsvondigheden over actuele kwesties en al helemaal geen imitaties.

In zijn tweede voorstelling Bij mij zijt ge veilig speelt Helsen een machtswellusteling die zijn publiek ervan probeert te overtuigen dat het einde der tijden is aangebroken. De gehele aarde is vernietigd, iedereen is in een salamander veranderd. Alleen de mensen in het theater hebben niets te vrezen. Zolang ze maar precies doen wat de man op het podium zegt.

Helsen geeft gestalte aan een figuur die over lijken gaat om de eenzaamheid te verdrijven en zijn angsten bestrijdt door angst te zaaien. Niet zomaar is de voorstelling gelardeerd met verwijzingen naar Nick Cave, Jacques Brel en Herman Brusselmans. Helsen vertelt zijn verhaal tegen de achtergrond van een wereld waarin de meest absurde situaties op volstrekt logische wijze met elkaar samenhangen. Waarin ‘Vader Jacob’ wordt gespeeld door een rijtje dieren op de juiste wijze te knijpen en te schoppen. Waarin een man merkt hoe lastig het is om zichzelf in zeven stukken te snijden. De machtswellusteling raakt voortdurend verstrikt in zijn eigen geraaskal, maar net op het moment dat zijn publiek denkt een simpele ziel voor zich hebben, slaat hij uit onverwachte hoek toe.

De critici waren over Bij mij zijt ge veilig minstens even lyrisch als over Helsens eerste voorstelling, Heden soup!. Ze roemden zijn originaliteit, acteertalent en vermogen om het publiek te hypnotiseren. ‘Vijfsterrenmateriaal’, vond De Morgen. ‘Een ode aan de verbeelding’, schreef Trouw. ‘Werkelijk belachelijk goed!’, juichte de Volkskrant. En daarmee lijkt de leemte die Hans Teeuwen heeft achtergelaten opgevuld, en hoeft Freek de Jonge zich voorlopig niet meer om zijn nalatenschap te bekommeren.

Het idee voor Bij mij zijt ge veilig ontstond zo’n twee jaar geleden op de snelweg van Utrecht naar Antwerpen. Helsen had net een rare avond in Nieuwegein achter de rug. ‘Het publiek droeg me daar aanvankelijk op handen. Maar dat was opeens helemaal over. Heel ontregelend.’ Aangedaan reed hij in zijn oude auto naar huis, toen plotseling een vreselijk onweer losbarstte. ‘Het stormde en regende zo hevig, dat mijn kartonnen bakske bijkans van de weg vloog. Ik durfde niet harder te rijden dan tachtig. Achter mij doemden spookachtige vrachtwagens op, die me hard voorbij raasden en het water hoog lieten opspatten. Ik werd bang en dacht: elk moment kan het gedaan zijn.’ Maar of het nu door Spinvis kwam, die met zijn enigmatische teksten de perfecte soundtrack voor het moment leverde, of doordat de adrenaline hem een natural high had bezorgd, feit was dat Helsen zich langzaam maar zeker behaaglijk ging voelen bij de apocalyptische sfeer. ‘Het idee dat er slechts een dun wandje zat tussen mij en de dood werd interessant. Stel je voor, dacht ik, dat je in een theater zit en dat buiten alles weg is. Dat ze ons op een of andere manier vergeten zijn. Daar wilde ik iets mee doen.’

Dat de hoofdfiguur in zijn voorstelling een machtsgeile maniak werd die aanhang vergaart door angst te verspreiden, lag voor de hand, zegt Helsen. Hij ziet die types overal om zich heen. ‘Het is natuurlijk gemakkelijk om George Bush, Al Qaeda, Filip Dewinter of Pim Fortuyn in mijn figuur herkennen. Of, als je verder terugdenkt, Hitler, Stalin of Mao. Maar nog interessanter is het om je te realiseren dat je zulke mensen ook in het dagelijks leven tegenkomt.’ En dus is zijn figuur evengoed gebaseerd op zijn leraar klassieke talen, die lijfstraffen uitdeelde en ooit een leerling aan zijn haar door het klaslokaal sleurde. Op een oud-collega, die aanvankelijk poeslief leek, maar met iedereen overhoop bleek te liggen en Helsen in haar kamp probeerde te krijgen. Op de bewaker in het theater van Laren, die zich als een hufter opstelde omdat hij toevallig een uniform droeg. En op al zijn ex-vriendinnen die zich aan hem vastklampten en hem leegzogen tot hij bijna stikte.

Hoe sterk is de machtswellusteling vertegenwoordigd in Wim Helsen?

‘Ik geloof niet dat ik zelf zo ben. Hoewel, ik ben ooit een vriend verloren omdat ik op hem begon te parasiteren. Dat is net zoiets. Ik ging het vanzelfsprekend vinden dat hij mij overal mee naartoe vroeg, in die mate dat hij nauwelijks meer iets aan mij had. Ik vond dat ik zijn vriendschap verdiende. Belachelijk natuurlijk. Niemand verdient íets.’

Schuilt achter uw weerzin tegen machtswellust ook een autoriteitsprobleem?

‘Misschien wel ja. Als ik op straat een politieauto zie, begin ik automatisch tegen die agenten te schamperen. “Ach god, kijk jullie daar nou eens zitten. Zal ik jullie flikkenbakske eens omver duwen? Dan zullen we eens zien hoeveel praatjes jullie nog hebben!” Niet zo luid dat de flikken in kwestie het kunnen horen, natuurlijk. Waar die weerstand vandaan komt, weet ik niet. De huis-, tuin- en keukenpsycholoog in mij heeft zich daar nog niet over gebogen.’

Je zou snel bij een autoritaire vader uitkomen.

‘Maar over hem wil ik het niet hebben, want die leest alles wat over mij verschijnt. Ik koester geen wrok meer tegen mijn vader, alleen nog maar mededogen. Behalve als ik hoor dat mijn moeder ongelukkig is, dan word ik kwaad.’

Wim Frans Constantina Helsen werd op 5 oktober 1968 geboren in Wilrijk, een district van Antwerpen, als de middelste van drie broers. Zijn vader werkte als vertegenwoordiger in onderdelen voor hogedrukwagens. Zijn moeder was huisvrouw en lerares ‘snit en naad’. Helsen doorliep een katholieke jongensschool, waar hij naar eigen zeggen zo kort werd gehouden dat hij er cynisch, hufterig en onzeker vanaf kwam. Als jongen droomde hij er al van om ‘iets’ op een podium te gaan doen. Zijn grote voorbeeld was de dichter Paul van Ostaijen. ‘Ik had van mijn vader een boekje van Van Ostaijen gekregen. Het stond vol wilde, waanzinnige gedichten waarvan ik niks begreep, maar ik voelde wel de kracht.’

Toch kwam er lange tijd niets van een podiumcarrière. ‘Op school was ik al mijn zelfvertrouwen kwijtgeraakt.’ Met zijn broers deelde hij een eigenzinnigheid die door vrienden en buurtgenoten als ‘typisch Helsen’ werd bestempeld. ‘Ze vonden ons een beetje raar en wereldvreemd. Mijn jongere broer bijvoorbeeld heeft de neiging om midden in een gesprek opeens weg te gaan. Hij wil daar niets mee zeggen. Hij is dan gewoon zijn interesse verloren. Maar dat valt bij mensen dikwijls verkeerd.’

Waar zijn broers keurig advocaat en boekhouder werden, wist de tweede in rij nauwelijks wat hij met zijn leven aan moest. Bij gebrek aan beter ging hij Nederlands studeren, rommelde wat aan en blowde wat. Er volgde een variëteit aan baantjes. Helsen was lopendebandwerker, bouwvakker, museumgids, leraar Nederlands voor anderstaligen, sociaal werker, cafébaas, radiomaker en Tupperware-verkoper. Vooral die laatste betrekking was goed voor de nodige anekdotes. ‘Een vriendin van mij organiseerde Tupperware-party’s. Ik hielp haar een beetje. Samen maakten we er een toneelstukje van. Ik speelde een foute, in te nauw pak gestoken verkoper, zij een tuttige verkoopster in mantelpak. Ik ging de mensen bewust vervelen met saaie verhalen en gedichten over Earl Tupper, de oprichter van Tupperware. Net zo lang totdat die vriendin steeds vaker en abrupter het woord overnam. Dan deed ik of ik kwaad werd en stormde ik naar buiten. Uiteindelijk kwam ik weer terug en ging ik mistroostig op een stoel zitten. “Ik kan het niet, ik kan het niet.” Sommige vrouwen kwamen mij dan troosten en tips geven. “Het is wel goe wat ge doe, maar ge zou ook over die pottekes moeten vertellen.”’

In 1998 besloot Helsen alsnog het podium te betreden. Aanvankelijk als helft van het duo Vrolijk België, dat hij samen met zijn goede vriend Randal Casaer vormde. Het was de ‘magie van het theater’ die hem trok. Dat mag dan een oubollige uitdrukking zijn, zegt Helsen, hij weet geen betere manier om te beschrijven hoe het voelt als de zaal ‘één lichaam is geworden’ en iedereen hetzelfde lijkt te beleven. ‘Dat maak je verder alleen in het voetbalstadion mee.’

In 2000 viel Vrolijk België uit elkaar. Ruim een jaar later ging Helsen – met Casaer als zijn regisseur – alleen verder. Met succes. Op het Leids Cabaret Festival van 2002 werd hij tweede achter Javier Guzman. Zijn eerste voorstelling Heden Soup! werd beloond met de Neerlands Hoop. De jury van de prestigieuze cabaretprijs prees hem voor een programma dat ‘nergens op lijkt’. Die eigenzinnigheid heeft Helsen voor een deel te danken aan een gebrek aan bagage. België heeft, op Urbanus en Kommil Foo na, nauwelijks een cabarettraditie. Met het Nederlandse cabaret was Helsen tot voor kort ook nauwelijks bekend. ‘Het voordeel daarvan is dat ik me niet naar heersende conventies heb geplooid. Ik ben nooit bezig geweest met de gedachte: ik moet iets doen dat anders is, dat er uitspringt. Ik wilde een voorstelling maken die ik zelf graag zou zien als toeschouwer.’ Hij liet zich inspireren door experimentele theatergezelschappen als Compagnie De Koe en Wacko. En ook door het werk van Louis Paul Boon, Samuel Beckett en Herman Brusselmans. Waardoor het bijna niet anders kon dan dat zijn voorstellingen absurdistisch en experimenteel van aard werden, en hij onbewust deel ging uitmaken van die typisch Vlaamse kunststroming, waarvan ook een band als dEUS representant is.

Vlaamse kunst begint inmiddels synoniem te worden voor ‘experimenteel’ en ‘absurdistisch’. Hoe komt dat, denkt u?

‘Het zou ermee te maken kunnen hebben dat in België, in tegenstelling tot Nederland, veel minder de illusie leeft dat er zoiets bestaat als orde. Bij jullie zijn alle huizen even hoog en stopt hier de stad en begint daar de natuur. Bij ons is dat nergens zo. In België zie je drie mooie oude huizen, daarnaast een tankstation, een winkelcentrum, een boerderij, een stuk bos, een wei met een oude caravan en dan een paar arbeiderswoninkjes. Wij hebben minder het idee dat de wereld maakbaar is, zijn er sterker van overtuigd dat je het leven moet ondergaan. Bij ons zijn de regels soepeler en is het normaal dat je je niet te veel van de wet aantrekt. Als je een keer een strenge controleur tegenkomt, valt daar altijd wel iets mee te fiksen. Het katholicisme zal er ook wel iets mee van doen hebben. Herman Finkers heeft me een keer gezegd dat het typisch is voor katholieken om tegenstrijdige zaken naast elkaar te laten bestaan, zonder daar problemen over te maken. Wat dat betreft lijken we een betere voedingsbodem voor het absurdisme en het experiment te hebben dan Nederland.’

De gekte hoeft wat Helsen betreft niet per se binnen het theater te blijven. Ook het dagelijks leven mag hij graag een beetje ontregelen. Hij schept er een sardonisch genoegen in zich voor te doen als undercoveragent, rond te lopen met een bankpas achter zijn bril, een afspraak af te zeggen met de smoes dat hij kanker heeft, of in de speeltuin tegen zijn dochtertje te fluisteren, nét op het moment dat er een aantrekkelijke vrouw voorbij loopt, ‘Wat erg hè, dat mamma overleden is.’ Onlangs maakte hij een verkoopster van een kledingzaak in Emmeloord wijs dat hij drugskoerier was. ‘Toen ik weer buiten stond, dacht ik: fok, ik had nog veel meer moeten verzinnen.’ De monoloog had ongeveer zo kunnen verdergaan: ‘Ik zit ook een beetje in de vrouwenhandel. Maar daar ben ik in aan het minderen. En ik mishandel ook geen vrouwen. Allez, alleen als ze mot geven of zo, maar echt mishandelen dat doen wij niet meer eigenlijk. Dat is niet zo slim, op den duur komt dat toch uit en krijg je last met de politie en zo…’

Bijna wekelijks belooft hij zijn vriendin dat hij de volgende dag zal stoppen met die onzin. Maar die belofte raakt altijd snel weer vergeten. ‘Tenslotte doe ik die mensen niks aan,’ zegt Helsen. ‘Ze hebben ’s avonds allemaal wat te vertellen bij het eten. Dus eigenlijk gééf ik de mensen iets.’

Ook geruchten in de Belgische pers als zou hij verwikkeld zijn geweest in vreemde affaires, met vechtpartijen, verdwaalde honden en gestolen bontmantels, ontkent hij bewust niet, al zijn ze niet waar. ‘Als mensen denken dat ik een onberekenbare zot ben die betrokken is bij louche zaken, dan laten ze me gemakkelijker met rust.’

In zijn eerste voorstelling Heden Soup! speelt Helsen zo’n onberekenbare zot. De man slijt zijn dagen door soep uit te delen aan mevrouwen bij bushaltes, in de hoop dat ze de boodschap zullen lezen die hij er in gehaktlettertjes heeft ingestopt. Tot zo ver zijn sympathieke kant. Achter het vriendelijke gelaat schuilt een naarling die vindt dat hij te weinig respect krijgt, die niet begrijpt waarom Jezus Christus het verder heeft geschopt dan hij, en zich woedend maakt over zaken als: waarom noemden Agnetha, Benny, Björn en Frida zich eigenlijk Abba en niet Abbf? Of Fbba? ‘Ik heb dat soort mensen in mijn familie,’ zei Helsen ooit in een interview.

Hoe verhoudt de man uit ‘Heden Soup!’ zich tot de man uit ‘Bij mij zijt ge veilig’?

‘Ze zijn ongeveer hetzelfde. Maar de eerste is hooguit gevaarlijk voor iemand die zijn pad kruist. De tweede is slimmer. Hij probeert iedereen te manipuleren.’

Zou de eerste man een aanhanger worden van de tweede?

‘Dat denk ik wel. Al zou hij er wel moeite mee hebben dat iemand anders dan hij de heiland is.’

Beide mannen hebben een nogal bizarre kijk op vrouwen. De eerste lijkt bang voor ze, de tweede vindt alle vrouwen sletjes die vooral moeten uitblinken in ‘deemoedig pijpen’.

‘Dat is omdat vrouwen macht hebben. Ze zijn machtig door aantrekkingskracht uit te oefenen. Machtswellustelingen proberen dat te beknotten door hen te sluieren, door ze zwarte kousen te laten dragen, door vrouwelijkheid te veroordelen. Alle dictators hadden een verwrongen relatie met vrouwen. Mao had vele vrouwen, maar behandelde ze als oud vuil. Hitler zette zijn vrouw op een voetstuk, zodat ze een onbereikbaar, onmenselijk icoon werd. Zoals veel mannen was ik vroeger ook bang voor meisjes. Ik vond ze aantrekkelijk, maar kon me niet voorstellen dat ze geïnteresseerd in mij waren. Alleen al door te bestaan hadden ze macht over mij. Om dezelfde reden zitten wij mannen op het terras punten te geven aan de vrouwen die voorbij lopen. Door hen te ontmenselijken, denken we macht over hen te hebben. Dat lijkt onschuldig, maar in wezen passen we dan hetzelfde mechanisme toe als de Taliban.’

De mannen in uw voorstellingen lopen beiden over van zelfbeklag. Ze vinden dat ze veel geven, maar nauwelijks iets terugkrijgen. Herkenbaar?

‘Neem die rampzalige voorstelling in Mal-degem. Als ik zonder zweem van zelfbeklag echt open en eerlijk was geweest, had ik toen gezegd: het lag aan mij dat het zo slecht ging. Of: ik heb mij vergist, het publiek heeft er wél van genoten, ik heb het alleen niet gevoeld. Maar op dat moment dacht ik: kutpubliek. En, als ik er nu over nadenk, vind ik dat eerlijk gezegd nog steeds.’

Kenmerkend voor zijn voorstellingen is dat Helsen een zekere distantie tot de zaal bewaart. Hij staat niet als zichzelf op het podium, ook niet als zijn figuur toevallig Wim Helsen heet, en blijft weg van het Grote Gelijk. Dat komt allereerst, zegt hij, door een te groot ‘lulligheidsbesef’, een uitdrukking die hij leent van Jeroen Brouwers. ‘Ik zou niet als mezelf tegenover een publiek kunnen gaan staan om te oreren over hoe de wereld in elkaar zit. Ik zou dan voortdurend denken: ik ben het maar die hier staat. Ik zou het evengoed mis kunnen hebben.’ Bovendien is de Vlaming van mening dat kunst geen directe boodschap moet uitdragen. ‘De kracht van de suggestie is duizendmaal sterker dan de ondubbelzinnige boodschap. Als ik in mijn voorstelling letterlijk zou benoemen dat Bush en Bin Laden gevaarlijk zijn, is dat veel minder spannend.’ Juist omdat hij impliciet blijft, vindt Helsen dat het ‘zeer geëngageerd’ is wat hij doet. ‘Ik ga geen waarheden staan verkondigen en roep niet: wij zijn allemaal rijk, maar kijk eens hoe arm ze in Afrika zijn. Dat zorgt er niet voor dat de zaal anders naar zichzelf en zijn omgeving gaat kijken. Bij mij zijt ge veilig gaat onder andere over hoe mensen zich naar de slachtbank laten leiden. Als je daar iets aan wilt veranderen, moet je het publiek laten ervaren hoe zo’n proces werkt. Dan moet je ervoor zorgen dat als het in de voorstelling eng wordt, het ook écht zo voelt. De ideeën die daar onder zitten, worden heus wel opgepikt. Nu komen mensen achteraf tegen me zeggen: “Ik heb me echt laten meeslepen door die figuur.” En als anderen alleen een leuke avond hebben gehad, is dat ook goed.’

U bent geen fan van de manier waarop Youp van ’t Hek het aanpakt?

‘Nee. Ik kan genieten van zijn krachtige persoonlijkheid. Maar ik zou het nooit doen zoals hij. Goed dat het bestaat, hoor. Daar is ook een publiek voor.’

Als er al eens een dag komt dat Helsen zijn lulligheidsbesef laat varen en een ferm politiek statement inneemt, zal hij dat buiten het theater doen. Over het Vlaams Belang bijvoorbeeld. Maar dan een keer niet over hun vreemdelingenstandpunt. ‘Wat volgens mij veel gevaarlijker is, is hun allereerste programmapunt: een onafhankelijk Vlaanderen met Brussel als hoofdstad en herwinning van de verloren gegane gebieden. Hoe gaan ze negenhonderdduizend Brusselaren dwingen voortaan alles in het Nederlands te doen? Hoe krijgen ze die gebieden in Wallonië en Noord-Frankrijk terug? Als ze het serieus menen, dan is er maar één realistische manier waarop ze dat voor elkaar kunnen krijgen: oorlog. Maar dáárover worden ze nooit bevraagd.’ Helsen windt zich erover op hoe sommige Belgische politici de Franstaligen en Nederlandstaligen steeds verder uit elkaar proberen te drijven. ‘Door het eigen groepsgevoel en de vooroordelen over de ander te cultiveren, creëren ze een scheidslijn tussen twee taalgemeenschappen, terwijl die twee-eenheid juist een grote rijkdom in zich draagt. Men is bang om zijn identiteit te verliezen. Maar identiteit is uiteindelijk alleen maar ballast. Hoe meer die onderdeel gaat uitmaken van de manier waarop je naar jezelf kijkt, hoe minder ruimte er is om nieuwe ervaringen op te doen en hoe sneller je je aangevallen voelt. Ik moet me nog meer documenteren over de leugens die worden verspreid, maar ik fantaseer over een tegenbeweging die ik samen met anderen in gang zal zetten. Ik zal niet rol van politicus op mij nemen, maar ik denk wel dat ik een rol kan spelen in het bij elkaar houden van Franstaligen en Nederlandstaligen in België.’

Voorlopig zal hij er weinig tijd voor hebben. Bij mij zijt ge veilig gaat volgend theaterseizoen in reprise. Het jaar erna wil Helsen zich op een televisieprogramma gaan storten. Toch zou het zomaar eens gedaan kunnen zijn met zijn cabaretcarrière. ‘Ik heb veel onrust. Ik zou best weer les willen geven. Nederlands voor anderstaligen, of trainingen aan bedrijven. Iemand vertelde me onlangs over provocerende therapie. Dat lijkt me ook wel wat.’

Het cabaret is slechts een tussenstop?

‘Je moet jezelf niet wijsmaken dat je de rest van je leven cabaretier wilt blijven. Dan ga je jezelf herhalen, je afhankelijk maken van het publiek en is er geen ruimte meer voor echte inspiratie. Ik houd van dit vak, maar ik kan mij niet voorstellen dat ik twintig jaar lang om de twee jaar een nieuwe voorstelling zal maken. Er is nog zoveel méér.’

Fragmenten uit ‘Heden soup!’ zijn te bekijken op onze website: www.vn.nl