‘Een kinderziekte’, noemt Hugo Claus de dood. Een vraaggesprek met een bijna vijfenzeventigjarige moet daar natuurlijk óók over gaan. Als er maar niet te lang gezeurd wordt over de gebreken van de oude dag. Goed, de schrijver moet nu proberen ‘sneller te zijn dan zijn eigen hersenen’. Maar hij is absoluut niet zielig. ‘Hulpeloosheid is een niet onaangename manier om je voort te bewegen in de realiteit.’

De voorbije jaren heeft hij een beetje gesukkeld. Zijn stem is heser geworden, hij praat langzamer dan vroeger. Deze week verschijnt eindelijk weer een nieuwe dichtbundel, onder de omineuze titel In geval van nood. Een bundel met honderdzestig pagina’s inktzwarte poëzie, volgens het aloude clausiaanse principe: ‘Ik offreer niet één praline, ik offreer een doos vol.’

Deze bundel werd door je uitgever al jaren aangekondigd en telkens opnieuw uitgesteld. Kon je hem niet uit handen geven?