‘Joodse paranoia’, zei een criticus over Howard Jacobsons nieuwe roman ‘J’, die een wereld beschrijft enkele generaties na een traumatische gebeurtenis. ‘Ik vind die uitdrukking eerlijk gezegd nogal verontrustend,’ zegt de schrijver. ‘Of is dat mijn joodse paranoia?’

‘De joden zijn compleet verdwenen in de wereld van mijn roman,’ zegt Howard Jacobson opgewekt. ‘Daarentegen heeft iedereen wel een joodse achternaam. Het is een omkering van een bekender fenomeen: dat joden een andere naam kiezen om niet meer als zodanig herkenbaar te zijn. Of zelfs, zoals in Engeland na de Tweede Wereldoorlog, omdat veel joodse namen gek genoeg te Duits klonken. Het idee om dat proces om te draaien, bezorgde me tijdens het schrijven veel plezier.’

En dus hebben de personages een Keltisch of Welsh klinkende voornaam in J, het nieuwe boek van Jacobson, maar dragen ze achternamen als Rabinowitz, Solomons, Morgenstern, Gutkind. En uiteraard is er ook een Cohen bij. Kevern Cohen – ‘bijgenaamd Coco, naar de bekende Russische clown’ – is de een beetje naar Jacobson zelf gemodelleerde hoofdpersoon in de roman die zich afspeelt in het fictieve kustplaatsje Port Reuben, dat ooit Ludgvennok heeft geheten.

Het is dus niet alleen maar uit ijdelheid dat ik My name is Cohen voor Jacobson heb meegenomen, het boekje dat ik maakte samen met fotograaf Daniel Cohen. Hij ziet er de lol wel van in. ‘Een geweldig idee, een boekje over de meest joodse aller achternamen. Ik lunchte ooit met een uitgever die Cohen heette. Halverwege de lunch zei hij: “Hm, sorry, misverstand, ik merk aan de manier waarop je tegen me praat dat je denkt ik joods ben, maar dat ben ik niet.” Toen realiseerde ik me voor het eerst dat zoiets mogelijk is: Cohen heten en toch niet joods zijn.’

‘Waarom moest ik over joodse personages schrijven, vroegen mijn ouders. En als het dan toch moest, had ik dan niet beter kunnen verzwijgen dat ze joods waren?’

Howard Jacobson (72) zit in zijn vaste fauteuil in zijn stamkroeg, The Dean Street Townhouse, vlak om de hoek bij zijn woning in Soho. ‘Als groot schrijver moet je een vast restaurant hebben of een stamkroeg, vind ik. Oscar Wilde had er een, James Joyce ook, en ik heb dit.’

Ironie en zelfspot horen bij Jacobson, die als schrijver van veertien boeken, voor het merendeel romans, pas internationale erkenning kreeg nadat hij met zijn vijftiende, de roman The Finkler Question, vijf jaar geleden de Booker Prize won. ‘Door die prijs werd ik plotseling vertaald in dertig talen. Als ik het op Twitterlengte samenvat, gaat dat boek over een stel joodse mannen die rondhangen in Londen en het hebben over Israël en de Holocaust. Interessant voor een uiterst beperkt publiek, zou je zeggen. Maar na de Booker Prize stond The Finkler Question plotseling op nummer één in de boekentoptien van Pakistan. Het idee dat in Lahore mensen terwijl ze aan hun baard plukken zitten te denken: hm, die analyse van Finkler over het jodendom, daar ben ik het toch niet helemaal mee eens. Dat is toch geweldig!’

Joodse namen zijn essentieel in J, een dystopische roman die een wereld beschrijft enkele generaties na een traumatische gebeurtenis in een land dat soms aan Engeland doet denken, maar het volgens Jacobson niet is: ‘Het zou helaas overal kunnen zijn.’ Dankzij die namen is iedereen zogenaamd joods, en dus is niemand het. Er moet in deze post-apocalyptische wereld ooit (rond 2020, valt te herleiden) iets verschrikkelijks zijn gebeurd. Er wordt gezinspeeld op een fatale rol van de sociale media, met een Twitternacht als een soort Kristallnacht. Maar wat er precies aan de hand was, en zelfs óf het wel echt gebeurd is, blijft onduidelijk. Voor de zekerheid verontschuldigt iedereen zich voortdurend en zijn alle scherpe kantjes van de samenleving afgeslepen.

‘Mijn vaders verlangen om te goochelen was vele malen groter dan zijn bezwaren. Hij kwam, hij goochelde en hij accepteerde het gemengde huwelijk’

De naamsveranderingen zijn maar één manier waarop de fouten uit het verleden worden gemaskeerd. Woorden met een J zijn weliswaar niet verboden, maar het gebruik ervan wordt ontmoedigd, het woord ‘jood’ komt geen enkele keer voor in het boek. Wat rest is een samenleving die van eufemismen aan elkaar hangt en waarin iedereen medeschuldig is aan wat er is gebeurd – áls het al is gebeurd. Er wordt alleen nog maar easy listening gedraaid en ongevaarlijke kunst geproduceerd. Kevern Cohen, gespecialiseerd in het draaien van houten kandelaars, is parttime docent aan de Academie voor Weldadige Beeldende Kunsten. Maar hoe gladgestreken deze wereld ook is, er vindt in Port Reuben wel degelijk moord en doodslag plaats.

Het verleden ‘bestaat om het te kunnen vergeten’, de geschiedenis moet vooral begraven worden, in tegenstelling tot hoe het ging in de ‘slechte oude tijd’ (de eerste decennia van de 21ste eeuw). ‘Toen was “we mogen niet vergeten” een leidend begrip en struikelde je over de lelijke oorlogsmonumenten.’ Die ‘ziekelijke exploitatie van ellende’ is in deze toekomstige wereld vervangen door de slogan ‘nooit benoemen’ en het permanent maken van excuses. ‘Alleen door voortdurend sorry te zeggen, uiteraard zonder daarbij te verwijzen naar de aanleiding voor die excuses, kan het collectieve schuldgevoel eindelijk worden verdoofd.’

Dat de vader van Kevern Cohen hem heeft geleerd om zijn vinger voor zijn mond te houden als hij per ongeluk de letter J uitspreekt, zelfs al is het in Sammy Davis Jr., is geïnspireerd op het gedrag van zijn eigen vader, zegt Jacobson. ‘Hij maakte dat gebaar soms en waarschuwde me zachtjes: shtum. Dat is Jiddisch voor: zwijg. “Neem maar wat shtum-poeder.” Met andere woorden: vertel maar niet aan anderen dat je joods bent, vestig de aandacht er niet op. Alsof dat door onze naam niet duidelijk genoeg was. Het was niet zo hysterisch dat mijn ouders suggereerden dat we omringd werden door potentiële moordenaars, maar ze maakten ons wel duidelijk dat er een reden was om het niet aan de grote klok te hangen, not to make too much of a song and dance of it. Toen mijn eerste boek verscheen, was dat ook de reactie van mijn ouders: waarom moest ik over joodse personages schrijven? Dat was toch niet interessant? En als het dan toch moest, had ik dan niet beter kunnen verzwijgen dat ze joods waren?’

Verschrikkelijke dingen
Hoewel Jacobson opgroeide in een arme wijk van Manchester met een relatief grote joodse gemeenschap, speelde dat maar een beperkte rol in zijn opvoeding. ‘Terwijl de buurt waar wij woonden toch een soort voormalig getto was. Mijn overgrootouders kwamen daar terecht nadat ze uit Litouwen en Polen waren gevlucht voor de pogroms. Ik had veel joodse vriendjes, maar ik ging niet naar een joodse school. Niet-joodse klasgenootjes vroegen me weleens of wij rijk waren, als alle joden. Dat moest ik ontkennen. Ze waren ook verbaasd dat ik me stoorde aan het werkwoord to jew dat ze gebruikten en dat “oplichten” betekende.’

Hij werd seculier opgevoed, met behoud van sommige rituelen. ‘Maar toen mijn broer met een niet-joods meisje wilde trouwen, was vooral mijn vader er erg op tegen. Omdat hij onder meer entertainer en goochelaar was, zei mijn zus tegen mijn broer: nodig hem gewoon uit om een paar goocheltrucs te doen op de bruiloft. Dat was psychologisch slim gezien: zijn verlangen om te goochelen voor een dankbaar publiek was vele malen groter dan zijn bezwaren. Hij kwam, hij goochelde en hij accepteerde het gemengde huwelijk.’

U bent geboren in de oorlog, in 1942. Wat wist u als jongen van de Holocaust?
‘We wisten als schooljongens dat er niet lang geleden verschrikkelijke dingen waren gebeurd, maar we wisten niet precies wat. En toen kwam in 1954 The Scourge of the Swastika uit, het boek van Lord Russell of Liverpool, gebaseerd op het Proces van Neurenberg tegen de nazi’s, geïllustreerd met foto’s. Toen ik een jaar of twaalf, dertien was, lazen wij dat boek allemaal. Deels omdat er verschrikkelijke dingen in stonden, deels omdat er afbeeldingen in stonden die seksueel verwarrend waren, zoals van naakte vrouwen in nare situaties.’

Foto: James Brickwood
Foto: James Brickwood

Men las dus wel boeken in dat arbeidersmilieu.
‘Mijn moeder, een stille, intelligente vrouw, was een lezer. Van haar heb ik mijn passie voor literatuur meegekregen. Mijn vader las geen kranten of boeken, hij was zo goed als analfabeet. Hij was de lawaaimaker van het gezin. Later werd hij taxichauffeur, maar aanvankelijk was hij standwerker op de markt en daarnaast dus semiprofessioneel goochelaar. We waren een gezin van markthandelaren, gespecialiseerd in het verkopen van rommel en in het vertellen van verhalen. Ik schaamde me niet voor wat mijn vader deed, maar ik sprak er ook niet graag over. Later, op de universiteit, was ik jaloers op jongens van wie de vader advocaat was of schrijver of leraar. Maar toen ik zelf schrijver werd, realiseerde ik me dat ikzelf juist de geluksvogel was. Ik had een vader met een ongewoon en avontuurlijk leven, waaruit ik volop kon putten in mijn boeken. Mijn roman The Mighty Walzer gaat helemaal over mijn vader.’

Uw moeder was de stille lezer, uw vader de verteller. Wat was belangrijker voor uw schrijverschap?
‘Het was, en is nog steeds, een zoektocht naar het evenwicht tussen de zwijgende ernst van mijn moeder en de luidruchtige grappen van mijn vader. Dat gaat terug naar de oorsprong van die twee families. Die van mijn moeder komt uit Litouwen: heel serieuze joden, misnagdim, “neezeggers”. Ze verzetten zich tegen een nieuwe religiositeit die vanaf het begin van de 18de eeuw vanuit Rusland oprukte, het chadissische judaïsme. Rabbijnen die lachend door de straten renden en salto’s maakten en trucs vertoonden. De Litouwse joden zeiden: hallo, dat klopt niet, wij moeten lernen, geen lol trappen. Dat is een perfecte weergave van de strijd in mijn hoofd tussen mijn ouders. Want mijn vader stamde juist af van die luidruchtige Russen.’

Was die achtergrond een handicap toen u Engels ging studeren in Cambridge?
‘Ik was op school gewaarschuwd voor Oxbridge. Het is daar geweldig, zeiden de leraren, je kunt de studie zeker aan, maar je zult altijd een jongen uit Noord-Engeland blijven. Je hebt het accent van Manchester en je komt duidelijk uit een arbeidersmilieu. Over het joodse element werd niets gezegd, maar dat dat niet echt zou helpen, sprak vanzelf. Zelf verwachtte ik niet dat ik het er moeilijk zou krijgen, maar dat bleek wel het geval, het ging behoorlijk slecht met me in Cambridge. Niet omdat ik tegen vooroordelen opliep, maar omdat ik zelf de beslissing nam om me buitengesloten te voelen. Als je niet weet hoe je erbij moet horen, kan je reactie zijn: ik wíl er ook helemaal niet bijhoren. Daar hebben minderheden in deze tijd ook last van.’

‘Eigenlijk wilde ik als student al schrijver worden, maar schrijven deed ik ook al niet. Mijn hele studietijd was ik depressief’

Waar wilde u precies niet bij horen? De upper class?
‘Nee, dat is sowieso niet mogelijk in Engeland, zelfs niet als je trouwt met iemand uit die upper class. Op mijn College, Downing, en in mijn studierichting, Engelse literatuur, had je niet zoveel last van verwende rijke jongens van private schools. Ik werd er helemaal ondergedompeld in de Engelse literatuur door de invloedrijke criticus F.R. Leavis. Hij herschreef eigenhandig de Engelse literatuurgeschiedenis en stelde een nieuwe canon samen. Hij heeft mijn boeken nooit kunnen lezen, maar ik ben er zeker van dat ze niet tot zijn canon waren doorgedrongen. Wij, zijn studenten, waren zijn discipelen, we verdwenen helemaal in zijn wereld. Mooi, maar het versterkte ook mijn isolement.
Ik wilde horen bij wat ik beschouwde als het echte leven, de intellectuele gemeenschap. Ik schreef niet voor universiteitsblaadjes, ik deed ook niet aan cabaret, daar was ik te verlegen voor. In de tijd dat ik in Cambridge studeerde, had je daar de Monty Python-crowd, John Cleese zat twee jaar boven me op Downing College. Wat hij deed, wilde ik ook, al ambieerde ik niet om komiek te zijn of acteur. Eigenlijk wilde ik als student al schrijver worden, maar schrijven deed ik ook al niet. Mijn hele studietijd was ik depressief, de tweestrijd in mijn hoofd werd duidelijk gewonnen door mijn moeder. Ik bevrijdde me daar pas van toen ik na mijn studie ging lesgeven in Sydney. In dat land waar iedereen zich thuis kan voelen, vond ik pas de moed om uit mijn vaders schaduw te treden en ten volle een verteller te worden, zoals hij.’

'We zijn in Engeland erg bang om openlijk te discrimineren. Maar ondertussen.’ Foto: James Brickwood
‘We zijn in Engeland erg bang om openlijk te discrimineren. Maar ondertussen.’ Foto: James Brickwood

Speelt de afkomst van Ed Miliband bij de verkiezingen eigenlijk een rol?
‘Nee. Of eigenlijk: ja, ik denk van wel. Al is de kans desondanks groot dat Miliband de volgende premier van Engeland wordt. Uiteraard wordt er nooit op die manier over hem gesproken, hoogstens dat hij er net even anders uitziet. En er zijn codes die we hier in Engeland gebruiken, zoals North London liberal intellectual.’

En dat betekent?
‘Joods. Ja, in Engeland worden dingen misschien nog meer toegedekt dan op het vasteland. We zijn erg bang om openlijk te discrimineren. Maar ondertussen.’

U citeert in ‘J’ de mythe van de kikker, die niet zou ontsnappen uit water als dat langzaam naar het kookpunt wordt gebracht.
‘Ik bedoel het als ironische waarschuwing om je niet niet te zeer aan te passen en op je gemak te voelen, maar te blijven nadenken. Hoe je dat moet doen, daar heb ik als romanschrijver geen antwoord op. Hoogstens dit advies: blijf op je hoede, doezel niet weg in een warm bad.’

‘Je kunt veel van ze zeggen, maar Israëliërs zijn geen gewetenloze schurken die willekeurige burgers afslachten en reeksen mensen onthoofden’

Is de les dat het gevaarlijk is om je thuis te voelen, te assimileren?
‘Ik ben niet per se tegen assimilatie, maar ik vind: je moet het goede van beide kanten behouden. Ik houd er niet van als mensen hun verleden te gemakkelijk vergeten. Het is in intellectuele kringen in Londen in de mode om te zeggen: ik heb dat joodse gedoe achter me gelaten toen Israël Gaza aanviel. Dat geldt dan als bewijs dat je deugt. Voor mij ligt het net andersom: dat een standpunt tegen Israël niet hetzelfde is als een anti-Joods standpunt, is een stelling die ik nooit heel lang kan volhouden.
Ik zou veel meer menselijkheid willen zien in de Israëlische politiek. Je kunt veel van ze zeggen, maar Israëliërs zijn geen gewetenloze schurken die willekeurige burgers afslachten en reeksen mensen onthoofden. Als mensen in verband met Israël terminologie gebruiken als massamoord en kindermoord, dan is dat geen kritiek, dan zijn dat leugens. Misschien zie ik meer anti-joodse gevoelens in kritiek op Israël dan anderen, maar ik ben er ook van overtuigd dat anderen er niet genoeg antisemitisme in zien. De liberal left, rond mijn krant The Independent en The Guardian, was er wel erg snel bij om te zeggen: joden moeten zich distantiëren van de Israëlische acties in Gaza. ’

Is dat net zo kwalijk als van moslims eisen dat ze zich moeten distantiëren van de misdaden van IS?
‘Grappig dat je dat zegt, want daarvan vind ik nu juist weer dat het wel moet. Want waarom steunen sommige jonge moslims IS, waarom vertrekken ze naar oorlogsgebieden om te gaan vechten? Op die vraag hebben wij hier geen antwoord, omdat we niet bereid zijn om te zeggen: dat komt door thuis, door de opvoeding, door religieuze propaganda waar hun ouders wel degelijk afstand van moeten nemen.’

‘Ik ben voor vrede en een tweestatenoplossing, dus de nederzettingen moeten verdwijnen’

Hoe reageerde u toen Netanyahu na de aanslagen in Parijs zei dat Europese joden maar naar Israël moesten verhuizen?
‘Donder op, Netanyahu. Hij is slim, maar hij doet Israël geen goed. Ik ben voor vrede en een tweestatenoplossing, dus de nederzettingen moeten verdwijnen. De hoop dat het daar ooit van komt, boorde hij bij zijn campagne de grond in en dat was wreed, fantasieloos en dom.’

We wandelen naar zijn huis, een paar honderd meter verderop, waar hij woont met zijn derde vrouw, documentairemaakster Jenny de Yong. Vanaf het appartement op de hoogste verdieping van een voormalig pakhuis heeft hij een weids uitzicht over Londen. Bovenin, op de entresol, is Jacobsons werkkamer, van waaruit hij in één blik St Paul’s Cathedral, the Royal Opera House en Tate Modern overziet. In de hoge boekenkasten behalve zijn eigen werk onder meer de novellen van Stefan Zweig, die hij nu aan het lezen is. ‘Ik heb hem pas laat ontdekt, hij was vergeten in Engeland. Zweig vertelt zijn verhalen schijnbaar moeiteloos en het getuigt van groot vakmanschap om die indruk te wekken, want er is niets moeiteloos in de kunst.’ The Plot Against America van Philip Roth staat natuurlijk ook in de kast. ‘Je zou J inderdaad ook een what if-boek kunnen noemen. Elke vergelijking met Roth is sowieso een compliment, hij is de beste en hij schrijft de mooiste Engelse zinnen. Maar ook die andere Amerikaans-joodse schrijvers: Bellow, Singer, Malamud. Mailer. Zelfs Joseph Heller, niet bepaald de beste van het stel, doet nog altijd mooie dingen in Catch 22. Zij schreven met zoveel zelfvertrouwen.’ Louis-Ferdinand Céline is ook present, Jacobson citeert in J uit diens antisemitische pamflet Bagatelles pour un massacre. ‘Een verschrikkelijke man met afschuwelijke politieke ideeën, maar wat een geweldige schrijver. Grote kunst zal de politiek altijd overstijgen, dat blijft het mysterie.’

Zekerheid is dodelijk
Als we even later op zijn dakterras zitten, lijkt de gure wereld van J ver weg. Hij schrijft meestal ’s ochtends, zegt Jacobson ontspannen, dus hij heeft alle tijd. Hij heeft bovendien net zijn nieuwe roman af, die in februari 2016 zal verschijnen. Hogarth Press gaf in het kader van het komende Shakespearejaar enkele auteurs de opdracht om een boek te schrijven gebaseerd op een van diens toneelstukken: Jeanette Winterson, Jo Nesbø, Margareth Atwood, Anne Tyler. Jacobson, lachend: ‘Mij hebben ze De koopman van Venetië gegeven, ik weet ook niet waarom.’ Als titel koos hij een citaat van Shylock. ‘Als Portia in de rechtszaal vraagt: “Wie is de jood hier?” antwoordt hij: “Shylock is my name.”’

Daarnaast is Jacobson bezig met een tweedelige BBC-documentaire over De koopman van Venetië, dat volgend jaar voor het eerst zal worden opgevoerd in het oude getto van Venetië.

In Jacobsons roman komt de 16de-eeuwer Shylock terecht in de 21ste eeuw. ‘Het is deels weer een grappig boek, denk ik, door mijn hedendaagse versie van Portia’s wereld. Ik denk dat Shakespeare niet zozeer een hekel had aan Shylock als wel aan die Venetiaanse christenen, zo ongeveer de onsympathiekste personages uit zijn hele oeuvre. Dat bood mij de mogelijkheid om ze in de maling te nemen: ik maakte Portia en de haren rijk en antisemitisch en ik liet ze wonen in Cheshire, Manchester-Zuid, het duurste gebied van Engeland. De gouden driehoek noemen we het daar.’

‘Niemand had durven voorspellen dat antisemitisme zo snel na de oorlog alweer zou opbloeien. Je zou denken dat Europa er schoon genoeg van zou hebben’

‘J’ speelt in de toekomst maar gaat over het heden, waarschuwt voor het negeren van historische lessen.
‘Elke dystopie is vanzelfsprekend een boek over het heden, anders heeft het geen enkele zin. J gaat over het geniepige spel van het antisemitisme, bedekt, openlijk, onder verschillende voorwendsels. En over het belang van het voeren van een permanente discussie met jezelf. Ik wantrouw iedereen die geen twijfels kent. Zekerheid is dodelijk, dat geldt voor alles en iedereen die de absolute waarheid in pacht denkt te hebben. In J zie je een samenleving waaruit elke discussie en elk verschil van mening is verdwenen: de inwoners hebben er simpelweg voor gezorgd dat de elementen en ideeën waarmee ze het oneens zijn, zijn verwijderd. En dat breekt ze zozeer op dat er een poging in het werk wordt gesteld om de verdwenen vijand weer nieuw leven in te blazen. Dat blijkt tenslotte de kern te zijn van de liefdesgeschiedenis tussen Kevern Cohen en Ailinn Solomons, die wat mij betreft de belangrijkste lijn is in het boek.’

Dit interview verschijnt vlak na de Nederlandse herdenking van de slachtoffers van de Holocaust, zeventig jaar na de bevrijding. Maakt u zich zorgen over de herleving van het antisemitisme?
‘Het antisemitisme bewijst opnieuw dat het van alle tijden is, zeker nu het nog wordt versterkt door het antisemitisme van Europese moslims. Zeggen dat we allemaal Cohen zijn, of Charlie Hebdo: het helpt niet. Niemand had durven voorspellen dat het zo snel na de oorlog alweer zou opbloeien. Je zou denken dat Europa er schoon genoeg van zou hebben. Het is gebeurd, het is op, zoveel miljoenen zijn vermoord. Maar de lust tot vernietigen is nog niet bevredigd en zal, ben ik bang, nooit helemaal bevredigd zijn. Ik ben het helaas eens met filosoof John Gray als hij analyseert dat mensen heel moeilijk kunnen omgaan met een morele schuld. En dan stelt hij de vraag: wanneer zal de joden de Holocaust worden vergeven? Een fantastische zin, maar een verschrikkelijke gedachte. Want die vraag is natuurlijk retorisch. Nooit, is het antwoord.’

Een Nederlandse recensent noemde uw dystopie ‘joodse paranoia’.
‘Die geluiden heb ik hier ook gehoord. J stond op de shortlist van de Booker Prize en een Britse criticus schreef: die roman mag die prijs niet krijgen, want het is een paranoïde boek. Wat een flauwekul. Ten eerste is een dystopische roman per definitie paranoïde, kijk maar naar Brave New World en 1984. Het zijn hyperbolische boeken die een bestaande angst uitvergroten. En verder hoef je echt nooit tegen een jood te zeggen dat hij paranoïde is. Er zijn meer dan genoeg redenen voor reële angst. Ik vind de uitdrukking “joodse paranoia” eerlijk gezegd nogal verontrustend. Of is dat mijn joodse paranoia?’

‘Ik blijf het genetische strijdtoneel van mijn ouders en die strijd gaat verder, al is mijn vader inmiddels overleden’

Klopt het dat in ‘J’ uw serieuze moederskant weer eens heeft gewonnen?
‘Misschien, maar er zit toch ook veel humor in, al is die zwart. De hele opzet van het boek is sardonisch. Maar ik blijf het genetische strijdtoneel van mijn ouders en die strijd gaat verder, al is mijn vader inmiddels overleden. Elke keer als ik een grappig boek schrijf, heb ik halverwege alweer het gevoel dat ik verkeerd bezig ben. Dat het eigenlijk zwaarder moet, ernstiger. Zelfs als ik mijn wekelijkse column voor The Independent tik, maak ik steeds die afweging: moet het deze keer nou een grappig stukje worden of serieus?’

Zonder het verrassende slot weg te geven: de roman eindigt niet vrolijk.
‘Ik ben het met je eens dat J geen happy end heeft, al denken sommige mensen daar anders over. Ik weet nooit van tevoren hoe een boek zich ontwikkelt, het bleek dat de liefdesgeschiedenis tussen Ailinn Solomons en Kevern Cohen een hoger doel diende dat sommige lezers als hoopvol interpreteren, als een wedergeboorte. Ikzelf vind het behoorlijk somber. Dat slot diende zich aan op de laatste dag dat ik aan het boek werkte en was voor mijzelf ook schokkend. Ik realiseerde me plotseling dat het boek niet zo zou eindigen als ik had verwacht, ik realiseerde me de consequentie daarvan en het werd me koud om het hart.’

‘J’ van Howard Jacobson is uitgegeven door Prometheus. U kunt het boek hier bestellen