De grens ligt ergens tussen menstruatievlekken en kubistische bestialiteit.
Vorig jaar bezocht ik een tentoonstelling over het werk van illustrator Liv Strömquist, in het Zweedse Instituut in Parijs (waar je behalve naar Zweedse kunst kijken ook Zweeds gebak kunt eten, geserveerd door meisjes in pastelblauwe streepjesshirts). Strömquist’s stripverhalen waren op de muren uitgetekend. Vooral Kunskapen Frukt (“De Vrucht van Kennis’, in het Frans vertaald als ‘L’Origine du Monde’), een jolige geschiedenis van vrouwelijke seksualiteit met bijzondere aandacht voor ongesteldheid, vond ik prachtig. Bij de uitgang kocht ik een linnen tasje met een tekening van een kunstschaatser erop, die lenig haar bloedbevlekte onderbroek laat zien, waar ik trots mee rond paradeerde tot het hengsel een paar maanden later achter een deurklink bleef hangen en afbrak.
Nu hangt diezelfde schalkse schaatser in de metro van Stockholm (ook wel ‘de langste kunstgalerie ter wereld‘ genoemd), maar niet iedereen is er blij mee. Sommige mensen vinden dat het werk te aanstootgevend is om zo pontificaal in de publieke ruimte te hangen. Ze vinden het onsmakelijk om onderweg naar kantoor met een doorlekvlek geconfronteerd te worden, of hebben geen zin om vragende kleine kinderen een impromptu lezing over het vrouwelijk voortplantingsstelsel te geven. Anderen hebben ergens wel sympathie voor de menstruatie-illustratie, maar blijven er uiteindelijk bij dat ongesteldheidsbloed, net als poep en plas, beter uit het zicht kan blijven.
Het doet denken aan een andere kunstdiscussie, die vorige maand plaatsvond rond Domestikator, het omstreden standbeeld van kunstenaar Joep van Lieshout. Het werk werd eerder geweigerd door het Louvre, dat het ’te seksueel expliciet’ vond om in de Jardin des Tuileries te plaatsen. Inmiddels staat het werk, een soort roodbruin blokgebouw in de vorm van een man die een hond penetreert, op het plein voor het Pompidou Centrum, in het gezichtsveld van de talloze toeristen die daar urenlang in de rij staan voor de tentoonstelling over David Hockney. Kunstcriticus Jonathan Jones noemde het werk ‘nasty’ en ‘pesterig’, omdat het mensen ongevraagd met perversiteit confronteert, buiten de veilige context van een museum of een kunstgalerie. ‘I think forcing strong sexual content on strangers of all ages is a particularly loutish form of bullying’, schrijft hij in The Guardian.
Moet kunst in de openbare ruimte zich aan andere regels houden? Ik vind het moeilijk me in te leven in de mensen die aanstoot nemen aan de bloedende schaatsers van Strömquist: haar werk is visueel toch een stuk aantrekkelijker en toegankelijker dan dat van Van Lieshout. Bovendien is menstrueren iets waar de halve wereldbevolking maandelijks mee te maken heeft, waar een taboe op rust dat het leven van veel vrouwen onnodig ingewikkeld maakt. Het werk van Strömquist heeft een simpele idealistische boodschap: we moeten niet al te moeilijk doen over ongesteldheid.
Het taboe op seks hebben met huisdieren lijkt me daarentegen zeer terecht. Toch lijkt het me meer dan overtrokken om Van Lieshouts blokkendoos te beoordelen als ‘seksueel expliciet’. De weergave is uiterst schematisch, nog minder levensecht dan een gemiddeld naaktportret van Picasso. Er komt geen oog, haar of geslachtsdeel bij kijken. Noem het bouwwerk lelijk of smakeloos, maar echt smerig is het niet.
De commotie rond Domestikator en Strömquists tekeningen echoot de discussies die we zo’n beetje dagelijks voeren over de inhoud van advertenties. Iedereen wordt onophoudelijk bestookt met visuele informatie, of dat nou via het scherm van je telefoon, een poster in een bushokje of een fysiek object op straat is. Maar waar reclame soms problematisch is omdat het pretendeert normaal of nastrevenswaardig te zijn, doet kunst dat juist niet. Dat maakt kunst de gezondste manier om ons schokkende dingen te tonen – ook in de publieke ruimte.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.