Tussen Europa en Amerika woedt een stille strijd over beschermde voedselnamen. Inmiddels heeft de kwestie zich tot een wereldwijde spijsoorlog ontwikkeld.

Het lijkt wel of je het over voedsel moet hebben voordat vrijhandelsverdragen gaan leven bij het publiek. Laat het woord chloorkip vallen en er gaat zelfs een siddering door je consequent kiloknallende buurvrouw.

Maar eigenlijk staat kaas voor een prangender kwestie dan die kip. Het is namelijk symbool geworden voor een belangrijke doorn in het oog van de Amerikanen: beschermde voedselnamen. In Europa heeft een flink aantal producten sinds enige tijd een beschermde status. Feta, mag bijvoorbeeld alleen zo heten als die uit een aantal specifieke Griekse streken komt en minstens 70 procent schapenmelk bevat. Iets soortgelijks geldt voor champagne en Scotch Whisky.

In Amerika vinden ze dat onzin. We maken verdorie al decennia gouda en feta in Wisconsin, fulmineerde het Amerikaanse parlementslid Paul Ryan onlangs nog met een stuk gouda in zijn hand. Wie wel eens in een Amerikaanse supermarkt geweest wist dat waarschijnlijk al. Van het schuimrubber dat daar voor feta doorgaat barst een Griek inderdaad spontaan in huilen uit. Een principekwestie, noemen de Amerikanen de vrijheid hun producten de naam te geven die ze zelf willen. Maar daarachter zit een sterke lobby van melkproducenten die al decennia neppers maken en hun handel in gevaar zien komen.

Die belangen zijn zo groot, dat de kazenkwestie nu ook roet in het eten van een ander vrijhandelsverdrag gooit, zo ontdekte Politico deze week. Want nu het zogenaamde Trans-Pacific Partnership tussen onder andere Amerika, Australië en Mexico haar voltooiing nadert, laait de kwestie ook hier op. Canada, Peru, Chili en Singapore hebben met Europa afspraken gemaakt over de beschermde voedseltitels. Maar de VS, Australië en Nieuw-Zeeland hebben die afspraken niet, en willen er wereldwijd juist vanaf.

Stel je voor, vrezen de Amerikanen, dat zij hun eigen feta straks ook niet meer in Singapore of Japan mogen verkopen. Zij zetten de andere landen van het verdrag nu onder druk beschermde titels voortaan ook te blokkeren.

Tegelijkertijd suddert de kwestie ook door bij het vrijhandelsverdrag tussen Amerika en Europa, het inmiddels welbekende TTIP. Onlangs lekte een brief van de Europese onderhandelaars uit, waarin ze de kwestie proberen de ‘ont-dramatiseren’. Eigenlijk valt het met die titels toch best mee, schrijven de onderhandelaars, in een zeven pagina tellend document dat inderdaad hoofdzakelijk over kaas gaat. Het bevat een aantal vrij absurdistische passages. ‘Parmesan’ is bijvoorbeeld geen beschermde naam, maar ‘Paramegiano Regianno’ wel. En ‘goudse’ mag vrij gebruikt worden, maar ‘Noord-Hollandse Gouda’ weer niet.

Uiteindelijk is de kwestie natuurlijk fundamenteler. Wie heeft het recht op merknamen: zijn dat alleen bedrijven of ook landen en streken? En moet je kwaliteitseisen kunnen opleggen, of laten we dat alleen aan de vrije markt over? Door de vrijhandelsverdragen staat het nu wereldwijd op de agenda. Voorlopig hoeven we er nog geen komkommertijd te verwachten.