Het leven van W.F. Hermans werd gekenmerkt door wrok en wraak. Zijn grootste vijand was hijzelf, maar heel anders dan zijn biograaf denkt.

Op 27 april 1995 kreeg de terminale kankerpatiënt op kamer 18 van de afdeling B3 van het Academisch Ziekenhuis in Utrecht de verlossende injectie toegediend. Vervolgens keerde hij zich op zijn zij, wendde zich af van zijn vrouw en zoon en stierf, ‘eenzaam als alleen Willem Frederik Hermans eenzaam kon zijn’.

In het tweede en laatste deel van de Hermansbiografie onder de titel De zanger van de wrok komt biograaf Willem Otterspeer in de slothoofdstukken goed op dreef. Hij geeft een kritische analyse waaruit blijkt dat Hermans steeds meliger werd, hoewel ik toch in de lach schoot van Hermans’ observatie: ‘Minister Ernst Hirsch Ballin probeerde met zijn snor indruk te maken op middelbareschoolmeisjes.’ En Otterspeer schrijft een mooi hoofdstuk over het verschil tussen Mulisch en Hermans, een ontluisterende relaas over zijn fysieke aftakeling en een liefdevol hoofdstuk over Frans Janssen, Hermans’ vertegenwoordiging op aarde, die na een jarenlange vriendschap vanwege een kleinzieligheid persona non grata werd.

Ook schroomt Otterspeer niet om een ferm oordeel uit te spreken over de latere romans en essays. Het is dus niet allemaal kommer en kwel in de tweedelige biografie, maar toch is deze grafsteen van ruim tweeduizend pagina’s teleurstellend. Het bronnenonderzoek stelt teleur, de compositie deugt niet en bovenal laat de biograaf kansen tot interpretaties liggen.

Door haar minnaar doodgeschoten
Dat slordige onderzoek kan makkelijk geïllustreerd worden aan de hand van enkele voorbeelden. Neem de zogenaamde zelfmoord van Hermans’ zus Corry. Tot in het oneindige is herhaald dat Corry en haar 23 jaar oudere minnaar Pieter Blind gezamenlijk zelfmoord pleegden. Otterspeer verheft de ‘zelfmoord’ van Corry zelfs tot de queeste van Hermans’ schrijverschap. Maar waarom dan toch? Corry is door haar minnaar doodgeschoten voordat die zichzelf een kogel door het hoofd joeg. Hoezo zelfmoord? Otterspeer blijft daar op hameren als de koddebeier die volhoudt dat hij gelijk heeft omdat ‘het nu eenmaal zo is’. Maar de documenten over deze zaak spreken andere taal. Als Otterspeer ze had opgezocht, dan had hij in het politiedossier kunnen lezen: ‘Een automatisch pistool werd in de hand gevonden van de man.’ En om elke twijfel uit te sluiten, werd een ondubbelzinnige conclusie toegevoegd: ‘moord resp. zelfmoord’.

Een andere kwestie die terug te voeren is op slordigheid, betreft Hermans’ vermeende intieme verhouding met de tekenares Fiep Westendorp. Otterspeer suggereert dat Hermans een relatie met haar had in de jaren veertig. Een van zijn ‘meelezers’, Jan Gielkens van het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis in Den Haag, heeft in een vermakelijk artikel onlangs geschetst hoe de biograaf aan die wijsheid komt: op dezelfde wijze als je zou kunnen ‘aantonen’ dat Hermans en Reve ‘een geheime relatie’ hadden. Dus door het met de bronnen niet zo nauw te nemen, zelfs door geen enkele bron te noemen voor die kortstondige relatie met Westendorp.

Op die manier zou je ook kunnen aantonen dat Hermans een ‘geheime relatie’ met Gerard Reve had: door gewoon geen enkele bron te noemen.

Deze meelezer werd door Otterspeer na de verschijning van het eerste deel van de biografie een onbenullige filoloog genoemd, iemand die niet begreep dat hij, Otterspeer, ‘een biografie schrijft met literaire middelen’. Wat er mis aan is om je dan wel eerst te verdiepen in de bronnen voor je ‘met literaire middelen’ dat boek schrijft, vermeldt Otterspeer niet. Dat is te begrijpen, want de bronnen over Westendorp onthullen nog een ander groot geheim. Maar dan moet je wel verder kijken dan het Hermansarchief, bijvoorbeeld in oude jaargangen van vier gelijkgeschakelde tijdschriften die de nazi-uitgeverij Opbouw in 1941, 1942 en 1943 uitgaf: Fiep Westendorp tekende voor het genazificeerde weekblad Cinema & Theater.

Waar de hakenkruizen over de pagina’s dansen, leverde Westendorp haar aandeel met tekeningen. Was het niet raadzaam geweest als de biograaf hier wat dieper ingedoken was? Temeer omdat zo’n beetje het hele oeuvre van Hermans in het teken staat van de Tweede Wereldoorlog en het gelieg daarover. Niet alleen in zijn proza, maar ook in zijn essayistische werk. De Weinreb-affaire (was de Joodse geleerde Weinreb collaborateur of helper van joden?) is maar één van de vele voorbeelden.

Gefrustreerde academicus
Dan de compositie van deze biografie. Otterspeer werkt chronologisch. Dus in dit tweede deel begint hij met Hermans’ loopbaan als fysisch geograaf aan de universiteit van Groningen. Dat zit vrij logisch in elkaar en het is ook mooi dat goed uitgelegd wordt waarom het spaak liep. Er zijn talloze mensen geïnterviewd die in die tijd met Hermans te maken hadden, als student, collega of bestuurder.

Het is wel duidelijk dat Hermans een stroeve en gefrustreerde academicus was, bozig omdat hij geen hoogleraar was geworden. Maar in deze biografie wordt minstens zo overtuigend aangetoond dat hij in zijn academisch werk niet vooruit te branden was. Hij gaf bijna geen college en publiceerde na zijn proefschrift hoegenaamd niets meer op zijn vakgebied. Des te meer tijd besteedde hij aan het schrijven van romans. Verder publiceerde hij artikelen in Het Vrije Volk, Het Vaderland en Het Parool. En, zo maakt Otterspeer duidelijk, Hermans maakte enorm veel reizen, zogenaamd onderzoeksreizen als geograaf maar in werkelijkheid waren het vakanties of tripjes die met zijn literaire activiteiten samenhingen.

Hermans maakte zogenaamd onderzoeksreizen, maar in werkelijkheid waren het vakanties of tripjes die met zijn literaire activiteiten samenhingen.

In feite verschilde Hermans niet zoveel van Theun de Vries over wie hij in Mandarijnen op zwavelzuur schreef dat die reisjes maakte op kosten van het Hongaarse bejaardenparadijs om bij terugkeer de Nederlandse literatuur te bekladden. Vervang ‘het Hongaarse bejaardenparadijs’ door ‘Groningse universiteit’ en de analogie is compleet.

Het is mooi dat we nu precies weten welke reisjes Hermans toen maakte, maar waarom is het nodig elke briefkaart of brief te citeren? Als Hermans in 1957 in Spanje zit, stuurt hij een gezellig keuvelende brief naar een vriend. Otterspeer citeert er vijfhonderd woorden uit. Is dit een cruciale brief? Helemaal niet. Het is mooi weer in Spanje, zijn vrouw Emmy wordt soms voor een Marokkaanse aangezien en bijna niemand in Spanje wist waar Nederland lag. En als dat nu een enkele keer gebeurde, maar nee, Otterspeer citeert er maar op los. De ene brief na de andere.

Gelukkig zijn er geen brieven bewaard gebleven over zijn niet startende auto in Turkije. Een paar potige Turken duwden de witte Morgan aan en Hermans reed ervandoor. Na een kilometer of vijf kwam hij tot de ontdekking dat hij Emmy had achtergelaten en moest hij terug. Het is een van de weinige keren dat de biograaf Emmy als bron opvoert, een andere keer als het over Hermans’ overspeligheid gaat: ‘Mijn bed was het warmst.’

Tot in den treure samenvatten
De chronologische werkwijze van Otterspeer leidt tot het vreemde resultaat dat over bijna elke Hermanstitel twee keer uitgebreid wordt geschreven. In het ene hoofdstuk krijgen we minutieus de ontstaansgeschiedenis van De donkere kamer van Damokles uit de doeken gedaan, met de brieven aan zijn uitgever Geert van Oorschot en aan vrienden, soms meer dan een pagina druks, in extenso geciteerd en zo meer. Twee hoofdstukken later wordt dan het hele boek nog eens samengevat. Met zijn toneelstuk King Kong precies hetzelfde: eerst uitgebreid besproken in het hoofdstuk ‘Toneel’, verderop een apart hoofdstuk met de samenvatting. Otterspeer citeert een opmerking van Multatuli over biografieën die Hermans ter harte nam voor zijn eigen biografie De raadselachtige Multatuli: ‘Een biograaf die m’n gedrukte werken tot uitgangspunt neemt om m’n leven te beschrijven, kan niet veel anders dan onzin voor de dag brengen.’ Laat dat nu precies zijn wat Otterspeer zelf heeft gedaan, vaak door ‘de gedrukte werken’ van Hermans tot in den treure samen te vatten.

Het is een werkwijze die Hermans in zijn nadagen zelf ook toepaste. Toen hij louter voor het geld veel woorden wilde produceren voor het weekblad NieuwsNet onthulde hij aan Frans Janssen: ‘[ik] houd het eenvoudig en deins voor een herhaling hier en daar niet terug. Trouwens, het herhalen is een kunst op zichzelf, die ook bij het schrijven van romans en novellen te pas komt: op zo’n manier herhalen dat de lezer het eigenlijk niet merkt, of, als hij het wel merkt, het juist fijn vindt hetzelfde nog eens te horen in andere bewoordingen.’ Het is een kwestie van smaak, net zoals Otterspeer ‘De heilige Maria Juana’ van Hermans een ‘van de geslaagdste erotische gedichten uit de Nederlandse literatuur’ vindt:

Je bent zestien jaar.
En de kamer waarin wij leven
Is een en al bed.

Staalkaart van bedriegers
Het is mooi om mislukking en wrok als uitgangspunten te nemen ter verklaring van Hermans’ drijfveren, en dat is hier en daar ook goed uitgewerkt. Toch is het vreemd dat de biograaf zijn best doet de grootste ontdekking die ten grondslag ligt aan deze biografie zo te relativeren dat er niks van overblijft. Misschien hangt dit samen met het euvel van slordig bronnenonderzoek. Het gaat hier natuurlijk over het nieuws dat Hermans zich tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft aangemeld bij de Kultuurkamer. Dat is niet door Otterspeer zelf uit de archieven opgedolven, maar werd hem aangereikt door een medewerker van het NIOD, zo schrijft hij eerlijk. Nu zou je denken dat een dergelijk, niet eerder aan de openbaarheid gekomen feit van grote invloed is geweest op de naoorlogse schrijver die beroemd werd door zijn nihilistische kijk op de bezettingstijd. Zijn De donkere kamer van Damokles is lang de staalkaart van bedriegers en bedrogenen geweest. Het kleineren van het verzet zien we in De tranen der acacia’s natuurlijk, in het geclaimde verzetsverleden van J.B. Charles en in de Weinreb-affaire. Aan Frans Janssen biechtte Hermans op dat vooral ‘het gangsterdom’ in het verzet hem boeide.

De maatschappij als jungle. Of het nu tijdens de oorlog was, op de universiteit van Groningen of in zijn Parijse flat, waar hij door een verwarde man uit Den Bosch 31 messteken kreeg toegediend. In Ik heb altijd gelijk laat hij Lodewijk Stegman zeggen: ‘Een land dat zich niet kan verdedigen, dat is helemaal geen land, dat moet z’n bek stijf dichthouden.’Wat doet Otterspeer? Om die aanmelding bij de Kultuurkamer kalt zu stellen voordat zijn biografie verscheen, schreef hij – in de Volkskrant – dat Hermans te veel schrijver was om zich met beuzelarijen als de Kultuurkamer bezig te houden. Let wel, Hermans was twintig jaar en had los van een artikeltje in een blaadje van de Nederlandse Jeugdbond voor Natuurstudie De Inktzwam, de schoolkrant en een korte bijdrage aan het Algemeen Handelsblad nog nooit iets gepubliceerd. Nou ja, in de geest was hij natuurlijk wel een schrijver. Otterspeer denkt overigens dat Hermans zijn aanmelding bij de Kultuurkamer waarschijnlijk vergeten was, maar toch concludeert hij: ‘Schrijven was zijn vak, dat wilde hij doen en dat was het enige wat hij wilde doen. Als hij daarvoor zijn ziel aan de duivel moest verkopen, kon hem dat niets schelen.’

Het is vreemd dat de biograaf zijn best doet de grootste ontdekking die ten grondslag ligt aan deze biografie zo te relativeren dat er niets van over blijft

Wat een flauwekul! Hermans, zo lezen we duizend pagina’s verderop bij Otterspeer, wilde helemaal niet schrijven, hij was liever wiskundige geworden en aan het schrijven als activiteit had hij een hekel. Het was allemaal ergernis en wrok. Maar nog belangrijker: was het niet Hermans die als scherpslijper de ene aanval na de andere opende op mensen die tijdens de Tweede Oorlog verkeerde keuzes hadden gemaakt? Hoe fel reageerde hij op Willem Aantjes toen die door Loe de Jong als voormalig lid van de Waffen SS werd ontmaskerd. De Jong corrigeerde dat later in Germaansche SS, maar voor Hermans maakte dat geen verschil. Zeker voor zo’n rancunemens die zijn geheugen als wapen gebruikte, is het ondenkbaar dat Hermans zijn eigen aanmelding bij de Kultuurkamer vergeten zou zijn.

Natuurlijk heeft Otterspeer wel gezien dat het wringt. Hij lost dat op door de kwestie Aantjes af te sluiten met de zin: ‘Dit zei Hermans, die zich in de oorlog tactisch terzijde had gehouden en zich had aangemeld bij de Kultuurkamer.’ Klopt, maar de biograaf ziet er geen aanleiding in om zijn eerdere conclusies (‘vergeten’ en ‘kon hem niets schelen’) te herzien.

Is het niet eerder andersom geweest? De ambitieuze W.F. Hermans meldt zich in 1942 aan bij de Kultuurkamer omdat er dan tenminste iemand is die hem als ‘schrijver’ erkent. Anders dan Osewoudt, die in De donkere kamer van Damokles tevergeefs wil bewijzen dat Dorbeck wel degelijk bestaat, volhardt Hermans in een leugen die nog niet bestaat omdat niemand hem ooit vroeg naar dat lidmaatschap van de Kultuurkamer. Hij grijpt elke gelegenheid aan om de zogenaamde dapperheid van verzetsstrijders belachelijk te maken omdat hij uit eigen ervaring weet dat een gespiegelde houding, namelijk collaboratie, ook niets voorstelt. Gewoon een formuliertje invullen, dat vervolgens niet goed in een kaartenbakje wordt gezet en daarom onopgemerkt blijft. Altijd moet er die angst zijn geweest dat iemand ooit zijn geheim zou onthullen.

Panisch van angst
Toen Hermans in 1988 Adriaan Venema op bezoek kreeg, ontving hij hem uiterst vriendelijk. In een roman van Hermans zouden we het een beetje over the top vinden dat de grote ontmaskeraar van Nederlandse schrijvers die tijdens de oorlog collaboreerden, advies komt vragen bij de schrijver die zelf lid van de Kultuurkamer was. Venema wist dat niet. Hermans schreef hem dat hij nooit een verzetsheld is geweest. Dat is waar. Wel had hij direct na de oorlog mensen als Ed Hoornik en Bert Voeten scherp aangevallen toen die over hun oorlogservaringen schreven. Bert Voetens oorlogsdagboek Doortocht recenseerde hij als een leugenachtig boek. Tegen Venema daarover ruim veertig jaar later: ‘Toen ik in 1946 Voetens Doortocht besprak, wist ik niets van zijn oorlogsverleden. De leugenachtigheid van een boek kan dus ook al in het oog springen, zonder dat de lezer bekend is met de (verzwegen) waarheid. […] Eigenaardig is en blijft, dat toch velen in 1946 geweten moeten hebben dat Voeten diensten voor de Kultuurkamer had verricht, en dat niemand erover sprak, of er aanstoot aan nam.’

Was het niet Hermans die als scherpslijper de ene aanval na de andere opende op mensen die tijdens de Tweede Wereldoorlog de verkeerde keuzes hadden gemaakt?

Niet helemaal oprecht noemt Otterspeer dat. Nee, Hermans moet panisch van angst zijn geweest! Hij had sowieso een grote angst voor het onbekende. Maar de wetenschap dat zijn lidmaatschapskaart ooit boven water kon komen, moet als het zwaard van Damokles boven zijn hoofd hebben gehangen. Waarom schrijft Otterspeer daar niet over? Als Hermans zijn aanmelding meteen na de bevrijding zou hebben opgebiecht, was er niet zoveel aan de hand geweest. Maar door te volharden in zijn stilzwijgen over deze zaak, maakte hij de radicale sprong voorwaarts en koos de aanval op figuren die precies hetzelfde hadden gedaan als hij. De aanval op zichzelf. Dat is de mislukkingskunstenaar Willem Frederik Hermans.

Dol op oude klokken
In al dat navertellen van romans wordt duidelijk dat Hermans zichzelf in feite alleen maar schrijver vond omdat hij als wetenschapper mislukt was. Zijn bewondering voor techniek was groot, groter dan voor cultuurhistorische beschouwingen die waarschuwen voor de vooruitgang. Daarom was hij ook zo dol op oude klokken, schrijfmachines en auto’s. Een heel ander soort beschaving dan die waar Johan Huizinga het over had: ‘Wij leven in een bezeten wereld. En wij weten het. Het zou voor niemand onverwacht komen, als de waanzin eensklaps uitbrak in een razernij, waaruit deze arme Europese mensheid achterbleef in verstomping en verdwazing, de motoren nog draaiende, en de vlaggen nog wapperende, maar de geest geweken.’ Waarop Hermans cynisch reageert met: ‘Weet je wat pas erg zou zijn, als de mens blijft voortkletsen terwijl die machines uitvallen.’

Je moet Otterspeer nageven dat hij zelf ooit voorgesteld heeft twee of drie biografen aan het werk te zetten, ieder met een andere invalshoek en maar kijken wie het beste boek schrijft. Het is hem niet te verwijten dat hij nu de winnaar van deze gedroomde wedstrijd is alleen omdat er geen concurrentie was.

De grootse les uit het leven van Hermans, schrijft Otterspeer, is zijn ‘roekeloze waarheidsvinding’. Als je met ‘roekeloos’ bedoelt ‘tegen beter weten in’, dan heeft Otterspeer gelijk, maar het is het gelijk van de koddebeier.

Willem Otterspeer, ‘De zanger van de wrok. Willem Frederik Hermans. Biografie, deel II (1953-1995)’, De Bezige Bij, 1150 p., € 49,90