Dit verhaal is ook te beluisteren. Hoofdredacteur Ward Wijndelts leest voor.

‘Grapperhaus: bij wapenvergunning geen ras of religie vastleggen’, kopte de NOS. ‘Rechtsongelijkheid tussen rassen is ingebakken in het systeem’, schreef NU.nl. Een NRC-recensie van Zomergasten luidde: ‘Typhoon bouwt mooie avond rond ras, muziek, liefde en God.’ En in Vrij Nederland kreeg een artikel over literatuur over racisme de kop ‘Lezen over ras’.

Als Alana Helberg-Proctor geen onderzoeker van de concepten ras en etniciteit in zorg en wetenschap was maar hoofdredacteur, zou ze dit soort koppen niet goedkeuren. En dan niet omdat ze politiek incorrect of kwetsend zouden zijn. ‘Dat is het punt niet en het stoort mij enorm als mensen die denkfout maken. De reden dat je het woord ras niet zomaar moet gebruiken, is dat het geen biologische basis heeft.’

Daarmee verwoordt Helberg-Proctor de consensus onder wetenschappers, van antropologen tot biologen en genetici. ‘Als er íets is dat de genetica heeft aangetoond, dan is het dat ras bij mensen niet bestaat,’ zegt hoogleraar populatie- en evolutiegenetica Peter de Knijff.

Het woord ras wordt als biologisch begrip alleen gebruikt voor dieren en planten die door de mens op specifieke kenmerken zijn gefokt respectievelijk veredeld: van schattige mopshonden tot supercrispy maïs. Bij de mens is van zulke onderverdelingen geen sprake, want onze soort is genetisch extreem homogeen.

Maar waar de wetenschap ras als biologisch concept al lang geleden heeft losgelaten, is het woord in Nederland verre van uitgestorven. Dat komt doordat raciaal denken nog altijd ons wereldbeeld kleurt, zeggen deskundigen waarmee Vrij Nederland over dit onderwerp sprak. We moeten daarom beter opletten wat dat woord ‘doet’ en in stand helpt houden, zegt hoogleraar wetenschapsantropologie Amade M’charek. ‘Ik ben niet zo van de termenpolitie, maar ik vind wel dat we het gewicht van woorden moeten begrijpen, en de maatschappij waarin we ze gebruiken.’

Die maatschappij kent namelijk een verleden van biologisch racisme. En een heden: er zijn bijvoorbeeld radicaalrechtse stromingen in opkomst die openlijk een (onwetenschappelijk) verband leggen tussen ‘ras’ en intelligentie.

‘Het heersende idee is dat er in Nederland na de Tweede Wereldoorlog een taboe op rasdenken is ontstaan omdat de Holocaust de mogelijke consequenties duidelijk maakte,’ zegt Helberg-Proctor. Ze noemt dit een misvatting. Niet alleen bij radicaalrechts, maar ook bij goedbedoelende mensen is het idee van ras als valide manier om mensen te categoriseren nog steeds invloedrijk. ‘Bijvoorbeeld in de medische wereld, waar ik onderzoek naar doe, en in de media.’

En hoewel de laatste jaren over allerlei woorden gediscussieerd wordt – denk aan allochtoon, wit versus blank en genderneutrale termen – wordt er weinig gereflecteerd op het woord ras en op hoe we racialiseren (= de wereld langs raciale lijnen bekijken). Ook niet nu er sinds ongeveer een jaar een breed maatschappelijk gesprek over racisme wordt gevoerd.

De deskundigen

Alana Helberg-Proctor onder­zoekt het gebruik van de concepten ras en etniciteit in zorg en wetenschap. Ze is universitair docent in Maastricht en per september Marie Skłodowska-Curie-fellow aan de Katholieke Universiteit van Leuven.

Amade M’charek is hoogleraar wetenschapsantropologie aan de UvA, met een focus
op forensische wetenschap en genetica. Ze is columnist bij VN.

Peter de Knijff is hoogleraar populatie- en evolutiegenetica bij het Leids Universitair Medisch Centrum en hoofd van het Forensisch Laboratorium voor DNA Onderzoek (FLDO). Hij stond aan de basis van diverse doorbraken in DNA-technieken.

Francio Guadeloupe is universitair hoofddocent antropologie aan de UvA
en senior onderzoeker aan het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde
in Leiden. Hij schreef boeken over identiteit, rasdenken en kolonialisme.

Voorbij persoonlijke gevoelens

Dat gesprek barstte een ruim jaar geleden los nadat een witte politieagent met zijn knie de Afro-Amerikaan George Floyd had doodgedrukt. In de huiveringwekkende beelden zagen talloze niet-witte mensen samengebald wat zij hun hele leven meer of minder expliciet ervaren. Er volgde een golf van Black Lives Matter-protesten en aandacht voor racisme, die ook Nederland bereikte. In het land waar antiracisme-activisten lang tot de marge veroordeeld waren, had nu zelfs premier Rutte het over ‘systemisch racisme’.

Amade M’charek is blij met het feit dat racisme nu ‘voorbij persoonlijke gevoelens of incidenten wordt geadresseerd’. Maar ze is ook sinds dag één op haar hoede voor de dynamiek die racialisering in de discussie zou kunnen aannemen.

Aan de Universiteit van Amsterdam doet M’charek al twintig jaar onderzoek naar hoe het geloof in ras nog altijd delen van de wetenschap beïnvloedt, bijvoorbeeld forensisch onderzoek. Zodra het woord onkritisch gebruikt wordt, of het nu in de wetenschap is of in het nieuws, staat ze aan. Neem een artikel op NU.nl, ‘Bewijs dat zwarte Amerikanen ongelijk behandeld worden is overweldigend’, waarin statistisch bewijs voor racisme op een rijtje wordt gezet. Goed, vindt M’charek, maar het gaat mis bij zinnen als ‘rechtsongelijkheid tussen rassen is ingebakken in het systeem’, ‘het ras van de agent in kwestie’ en het ‘netto vermogen per ras in de VS’.

‘Het gemak waarmee het woord hier gebruikt wordt, kan echt niet,’ zegt M’charek. ‘Als journalist wil je iets duidelijk maken aan je lezers. En ik denk dat deze woorden niet bijdragen aan hun begrip. Want wat betekent ras? Is het iets biologisch of sociaals? Het roept meer vragen op dan dat het iets duidelijk maakt.’

Schedelgrootte

Tijd om een van die vragen te ontleden. Waar komt het idee van mensenrassen vandaan?

Daarvoor moeten we terug naar een tijd dat de wetenschap menselijk verschil nog niet goed begreep: de 18de en 19de eeuw. Toen ‘ontdekten’ Europese wetenschappers, die meevoeren op de koloniale vloot, mensen in Afrika, Azië en Zuid-Amerika die er anders uitzagen. Ze begonnen hen te onderzoeken: van huidskleur tot schedelgrootte. Hun stellige verwachting was dat daar net als bij dieren en planten verdeling in mensenrassen uit zou rollen.

Zo verdeelde de beroemde bioloog Carl Linnaeus de mens in 1756 in vijf categorieën: van de homo afer (‘lui en schaamteloos’) tot de homo europeanus (‘gespierd en intelligent’, aldus homo europeanus Linnaeus). Een vergelijkbare leer kwam van Johann Friedrich Blumenbach, die de mens verdeelde in wit, geel, rood, zwart en bruin.

Ras mag dan niet echt zijn, racisme is dat des te meer. ‘Heksen bestaan ook niet, maar die vervolgden we ook.’

Ronduit racistische wetenschappers als Francis Galton kwamen in de 19de eeuw met indelingen op basis van vermeende intelligentie. Maar in feite was raswetenschap altijd al ideologisch gemotiveerd, als rechtvaardiging voor onderdrukking van mensen die ‘anders’ waren.

In weerwil van de feiten. Want men kon geen wetmatigheden aanwijzen, geen eigenschappen die groepen mensen consistent met elkaar verbonden. Menselijk verschil bleek extreem grillig, en zeker toen de genetica opstoomde, stortte de rassenleer als een kaartenhuis in elkaar. Maar niet voordat deze leer was ontspoord in historische gruwelen: van de Trans-Atlantische slavernij tot de Holocaust en van menselijke dierentuinen in Amsterdam tot eugenetica (het genetisch ‘zuiverder’ maken van een volk, en dus bewust achterstellen van bepaalde groepen).

Lees ookIn genetisch onderzoek ligt de focus op verschil, terwijl 99,9 procent van ons DNA hetzelfde is14 juni 2021

Want ras mag dan niet echt zijn, racisme is dat des te meer. ‘Heksen bestaan ook niet, maar die vervolgden we ook,’ zegt Alana Helberg-Proctor.

De koloniale leer over mensensoorten heeft diepe sporen achtergelaten in ons cultureel erfgoed. Amade M’charek verwijst naar de depots van Nederlandse musea die vol liggen met schedels en lichaamsdelen op sterk water – de overblijfselen van zij die als minderwaardig werden gezien. ‘Dat materiaal wordt nog altijd tentoongesteld en onderzocht door geneeskundestudenten. We moeten ons beter tot die geschiedenis verhouden. Je kunt niet volhouden dat we ooit naïef waren en nu verlicht zijn.’

Variatie

Na de Tweede Wereldoorlog groeide het besef dat met rasdenken afgerekend moest worden. Zo gaf de UNESCO, een onder­organisatie van de Verenigde Naties, in 1950 een officiële verklaring af: ‘Race is less a biological fact than a social construct.

Less than’ liet nog enige ruimte voor twijfel, maar in de decennia daarna werd de boodschap van de genetica steeds duidelijker. Een bepalende ontdekking werd in 1972 gedaan door de Britse geneticus en bioloog Richard Lewontin.

Hoogleraar genetica Peter de Knijff: ‘Lewontin ontdekte dat er gemiddeld vier keer meer genetische variatie binnen veronderstelde raciale groepen zit dan ertussen. Stel: je neemt duizend willekeurige mensen en verdeelt hen onder in Europees, Afrikaans en Aziatisch. Van de totale hoeveelheid onderlinge genetische variatie bevindt 20 procent zich tussen die groepen onderling en 80 procent tussen individuen binnen die groepen. Dat is sindsdien steeds opnieuw bewezen.’

Verschillen binnen die achterhaalde categorieën zijn dus groter dan die ertussen, waardoor je geen scherpe grenzen kunt trekken. De Knijff legt uit dat mensen zich binnen een populatie doorontwikkelen. ‘Ook als mensen bij elkaar in de buurt leven, blijft zich genetische variatie ontwikkelen. Dus de genetische variatie binnen Afrika veranderde voortdurend, en die in Europa óók. Maar ten opzichte van elkaar ontstonden geen grote verschillen.’

Van twee willekeurige lezers van dit artikel liep twintig generaties terug minimaal één gemeenschappelijke voorouder rond.

Populaties die genetisch gezien substantieel verschillen van andere populaties kunnen volgens De Knijff alleen ontstaan bij duizenden jaren van absolute isolatie – en we weten dat historische migratiepatronen juist kriskras door elkaar liepen. De homo sapiens is een genetische aquarel. ‘Op een genetische wereldkaart kun je niet zien waar Afrika ophoudt en Europa begint.’

De mens is bovendien zo jong (200.000 jaar) dat het genetische verschil tussen twee willekeurige aardbewoners hooguit 0,05 procent is: uitzonderlijk weinig vergeleken met elke andere diersoort. We staan zo dicht bij elkaar, dat de kans 100 procent is dat van twee willekeurige lezers van dit artikel slechts twintig generaties terug minimaal één gemeenschappelijke voorouder rondliep.

Genetische wortels

Dat wil niet zeggen dat er geen genetische variatie bestaat: bepaalde genen komen in de ene regio vaker voor dan in de andere, maar ook dat zijn zelden wetmatigheden. De genetische diversiteit die de wetenschap tot nu toe heeft gevonden, gaat bovendien niet dieper dan uiterlijke verschillen: denk aan huidskleur, haartype of oogvorm. Dat zijn vaak aanpassingen aan de omgeving. Zo ontstaan amandelogen door opwaaiend zand (in delen van Azië en Afrika) maar ook door kou (bij de Inuït).

Fysieke verschillen als huidskleur verbinden mensen genetisch niet aan elkaar, omdat ze niet door één specifiek gen worden veroorzaakt. Bij twee personen met een vergelijkbare huidskleur is vaak sprake van verschillende genetische wortels. Het idee dat alle aardbewoners met een donkere huidskleur één geheel zouden vormen, is daarom onhoudbaar. Iets wat je ook al wel aanvoelt. ‘Als je het hebt over zwarte mensen, en je kijkt naar iemand uit Somalië, dan naar mij, en dan naar iemand uit Zuid-Afrika, dan zie je: o ja, dat is toch wel anders. Termen als “zwarte mensen” zijn abstracties,’ zegt antropoloog Francio Guadeloupe (UvA), zelf van Caribische afkomst.

Sikkelcelziekte

Dat die abstracte categoriseringen ons wereldbeeld toch nog zo kleuren, komt ongetwijfeld doordat juist die genetisch gezien zo verwaarloosbare uiterlijke verschillen als huidskleur zo zichtbaar zijn.

Een andere verklaring zit in misvattingen over medische verschillen. Een bekend voorbeeld is sikkelcelziekte, een aandoening die vaker voorkomt bij mensen met een donkere huidskleur. De verklaring daarvoor is opnieuw omgeving, namelijk gebieden waar malaria heerst, zoals West-Afrika. Sikkelcelziekte wortelt namelijk in een genetische mutatie die beschermt tegen malaria. Mensen met een donkere huidskleur maar zonder wortels in een malariagebied zijn niet gevoelig voor de sikkelcel. Lichte Zuidoost-Europeanen – waar malaria relatief recent nog wél voorkwam – dan weer wel.

Gezondheidsverschillen kunnen ook een culturele oorzaak hebben. Zo vermoeden wetenschappers dat zwarte Zuid-Afrikanen vaker last van hoge bloeddruk hebben vanwege hun omstandigheden tijdens de apartheid, waardoor ze vaker ten prooi vielen aan alcoholisme. Ook Amerikanen met West-Afrikaanse wortels hebben relatief vaak een hoge bloeddruk – terwijl dat in het gebied waar hun voorouders woonden juist weinig voorkomt. Dat kan dus niet genetisch zijn, maar moet te maken hebben met hun sociale omstandigheden – zoals structurele discriminatie.

Alana Helberg-Proctor en Amade M’charek doen onderzoek naar hoe het idee dat dit soort verschillen raciaal zijn, de zorg beïnvloedt. Ze werken momenteel aan een wetenschappelijk artikel over een nierfunctietest waarbij de dokter de uitslag moet corrigeren als de patiënt ‘negroïde’ is. Nierfunctie houdt namelijk verband met spiermassa en de studie achter de nierfunctietest ging uit van de aanname dat Afro-Amerikaanse mannen gespierder zijn. ‘Maar deze aanname werd gedaan over een specifieke stad in Amerika, met mannen in een specifieke sociaaleconomische context, van wie de voorouders geselecteerd waren op specifieke kenmerken. In de richtlijnen van de test was dat tot universeel kenmerk gemaakt van zwarte Amerikanen.’

Met die selectie op ‘specifieke kenmerken’ bedoelt Helberg-Proctor hoe hun voorouders door slavenhandelaren werden geselecteerd op hun spierkracht.

Ook veel andere in Nederland gebruikte diagnostische tests zijn geïmporteerd uit de VS, waar sociale categorisering in labels als wit, zwart en Hispanic gebruikelijk is. Het levert medisch personeel problemen op, want wanneer is een patiënt precies ‘zwart’?

Hoewel naar genetische gezondheidsverschillen kijken volgens Helberg-Proctor prima is, moeten we niet terugschieten in het raciale. Ze noemt een column van hoogleraar geneeskunde Marcel Levi in Het Parool, die schreef dat er in Nederland te weinig aandacht voor ‘raciaal diverse groepen’ is in medisch onderzoek – in tegenstelling tot in de VS. ‘Maar in Amerika zijn ze de medische classificatie in rassen de laatste jaren nu juist aan het terugdraaien,’ zegt Helberg-Proctor.

Voetstoots gebruikt

Sinds de UNESCO-verklaring van 1950 is nog vaak geprobeerd af te rekenen met het geloof in ras. In 2000 verklaarde de toenmalige Amerikaanse president Bill Clinton bijvoorbeeld dat deze ideeën biologisch gezien onhoudbaar zijn en mensen 99,9 procent gelijk aan elkaar zijn. ‘Toen dachten we met zijn allen: nou, dit is de laatste nagel aan de doodskist van het geloof in ras,’ zegt Helberg-Proctor.

Lees ookIn genetisch onderzoek ligt de focus op verschil, terwijl 99,9 procent van ons DNA hetzelfde is14 juni 2021

Maar daar dacht de overledene anders over. Pseudowetenschappelijke rassentheorieën leven de laatste jaren op via de door veiligheids- en antiterreurdiensten gesignaleerde opmars van radicaalrechtse groeperingen. Ook in rechts-populistische politieke partijen duiken dergelijke ideeën op. Zo stapte een adviseur van de Britse premier Boris Johnson vorig jaar op nadat was uitgekomen dat hij onder andere had gezegd dat zwarte mensen gemiddeld een lager IQ hebben. Johnson weigerde expliciet afstand van de uitspraken te nemen.

In Nederland kwam  Forum voor Democratie in 2018 in opspraak toen bleek dat kandidaat-raadslid voor Amsterdam Yernaz Ramautarsing twee jaar eerder eveneens een verband had gelegd tussen afkomst en IQ.

Over zijn uitspraken werd gedebatteerd in de Tweede Kamer en ze werden in factcheckrubrieken in nieuwsmedia onder de loep genomen. Zo leek EenVandaag Ramautarsing gelijk te geven door te koppen: ‘IQ-verschillen tussen volken zijn wetenschappelijk bewezen’.

In de IQ-ophef in de media liepen de begrippen ras, volken en huidskleur continu door elkaar. Hoewel Ramautarsing het woord ras zelf – wellicht bewust – niet gebruikte, werd zijn uitspraak wel zo opgevat door diverse factcheckers, die spraken van uitspraken over ‘het verband tussen ras en IQ’. Hij hoefde het woord dus niet eens uit te spreken: het idee zit al collectief in onze hoofden. En dat speelt radicaalrechts in de kaart. IQ-theorieën steunen immers op een misleidende cirkelredenering: als ras bestaat, dan zijn er vast ook intelligentieverschillen – en als er intelligentieverschillen zijn, is dat een argument dat ras bestaat.

Het meest aangehaald door racistische denkers wordt het boek The Bell Curve uit 1995, waarvan de auteurs – een politicoloog en een psycholoog – suggereerden dat deze genetisch waren. Die theorie is sindsdien weerlegd: zo bleken tussen de gemeten groepen grote opleidingsverschillen te zitten.

Altijd als IQ dan toch weer aan genen wordt gelinkt, moet geneticus Peter de Knijff ‘even heel diep zuchten’.

Ook veel andere onderzoekers die in het verleden naar IQ-verschillen hebben gekeken, gingen uit van achterhaalde raciale categorieën. Inmiddels is de wetenschappelijke consensus dat IQ-verschillen verklaarbaar zijn door sociale factoren, van kwaliteit van onderwijs tot voeding en ervaring in het maken van IQ-tests. In het Verenigd Koninkrijk zijn het de witte kinderen uit arbeidersklasse die het laagst scoren. In Nederland liet de populaire documentaireserie Klassen zien hoe sterk ongelijke prestaties wortelen in ongelijke kansen. Dat er óók een genetische verklaring voor de discrepanties tussen groepen is, wordt als zeer onwaarschijnlijk gezien.

 

Onderbuikwetenschap

Altijd als IQ dan toch weer aan genen wordt gelinkt, moet geneticus Peter de Knijff ‘even heel diep zuchten’. ‘Partijen als FvD maken misbruik van onderzoeken en verdraaien de feiten.’ Hij heeft dat persoonlijk ondervonden. ‘Elke keer dat ik in een wetenschappelijk artikel ook maar iets over genetisch verschil zeg, wordt dat direct misbruikt door rechtse en nazistische bewegingen.’

Extreemrechts-deskundige Nikki Sterkenburg schrijft in haar recent verschenen boek Maar dat mag je niet zeggen dat etnonationalisten (die een wit Nederland willen) blij waren toen het in 2018 over afkomst en IQ ging in de Kamer. ‘Alles wat je aandacht geeft, groeit. Ik zie dit als een geweldige stap voorwaarts,’ zei een van hen. Overigens typeert Sterkenburg de uitspraken van Ramautarsing zelf als uitspraken over ‘volkeren en IQ’, maar werd dat in een NRC-recensie van haar boek verbasterd tot ‘de relatie tussen ras en IQ’, wederom de indruk wekkend alsof het iets werkelijks bestaands betreft.

Lees ookWat Nikki Sterkenburg tegenkwam in radicaal- en extreemrechts Nederland19 mei 2021

Opgetogen konden de etnonationalisten ook weer zijn in februari, toen FvD opnieuw in opspraak kwam: Thierry Baudet had het in appjes onder andere gehad over IQ-verschillen tussen ‘blank, Hispanic en Afro’, bleek uit onderzoek van weekblad EW (voorheen Elsevier). Ditmaal geen factchecks. In EW en andere media werden de uitspraken zonder inhoudelijke kanttekeningen geciteerd. En hoewel andere partijen afstand namen van Baudets uitspraken, waagden ze zich, net als in 2018, niet aan een inhoudelijk weerwoord.

Saillant is dat Elsevier in 2003 zélf nog een artikel publiceerde over vermeende ‘rasverschillen’. En op het blog van voormalig Elsevier-redacteur Syp Wynia schreef journalist Arnout Jaspers in april een verdediging van de FvD-ideeën, die direct werd doorgetwitterd door Baudet. Volgens Jaspers was het, in weerwil van het wetenschappelijke bewijs, toch echt onvoorstelbaar dat er tussen ‘rassen’ na duizenden jaren ‘isolatie’ géén genetische intelligentieverschillen zouden zijn ontstaan.

Op die lijn zit ook de populaire Amerikaanse filosoof Sam Harris. In zijn ook hier veelbeluisterde podcast Making Sense pleit hij regelmatig voor onderzoek naar race and IQ, waarbij hij het ‘taboe’ hierop beklaagt. Maar zoals hierboven beschreven, is zulk onderzoek gewoon gedaan. Dat het tegenwoordig omstreden is, komt doordat het begrip ras als genetische categorie is afgewezen. Tel daarbij op dat IQ geen zuiver genetisch feit is en het soort onderzoek dat Harris propageert is wetenschappelijk gezien lam.

Maatstaf

Denkers als Harris beroepen zich regelmatig op een plukje controversiële genetici die ‘rasverschillen’ niet willen uitsluiten of er zelfs ronduit racistische theorieën op nahouden. Over dit fenomeen verscheen in 2019 het boek Superior. The Return of Race Science van de Britse wetenschapsjournaliste Angela Saini. In het door Nature tot een van de beste wetenschapsboeken van 2019 uitgeroepen boek beschrijft Saini hoe er na de oorlog een blusdeken over rastheorieën werd geworpen, maar het vuur nooit helemaal uitdoofde. Er bleven altijd wetenschappers die er een sappige verboden vrucht in zagen, met in hun kielzog white supremacists die op elk snippertje ‘bewijs’ duiken.

Saini interviewde onder anderen David Reich, een Amerikaanse populatiegeneticus aan Harvard die weigert om het begrip ras volledig af te wijzen.

‘Er zijn wetenschappelijke tijdschriften met duidelijke richtlijnen voor definities, maar er verschijnen ook artikelen waarin de auteurs nooit aangeven hoe ze raciale categorieën definiëren.’

Peter de Knijff kent Reich goed en werkt ook met hem samen. ‘Hij gebruikt het woord om te verwijzen naar genetische variatie waarmee je migratiepatronen kunt reconstrueren. Het grote punt is dat je duidelijk moet maken wat jouw definitie van ras is. Hoeveel genetisch verschil houd je aan als maatstaf? Daar denkt hij niet over na.’

Opmerkelijk voor een Harvard-hoogleraar. ‘Hij zit daar in een ivoren toren en mensen durven hem niet tegen te spreken. Ik doe dat wel. Hij zegt dan: ik zie toch dat deze kleine populatie een specifiek genetisch profiel heeft? Hij gebruikt ras dus om veel kleinere groepen mee te duiden.’

Maar Reich laat ook de mogelijkheid open dat het woord ook voor de aloude raciale groepen ooit wetenschappelijk verdedigbaar zal blijken. Het komt hem steevast op verontwaardigde open brieven te staan van verontruste vakgenoten, onder wie Amade M’charek.

Raciale categorieën oefenen in de academische wereld nog altijd aantrekkeingskracht uit. Die aantrekkingskracht schuilt deels in gemakzucht. Onderzoekers gebruiken soms oude data of DNA-samples die volgens aloude scheidslijnen zijn ingedeeld, wat ze vervolgens in hun eigen publicaties reproduceren. ‘Er zijn wetenschappelijke tijdschriften die duidelijke richtlijnen hebben voor definities, maar er verschijnen ook artikelen waarin de auteurs nooit aangeven hoe ze raciale categorieën definiëren,’ zegt Helberg-Proctor.

Sociale wetenschappen

Op een heel andere manier dan in de genetica en medische wetenschap duiken die oude categorieën ook op in sociale wetenschappen als antropologie, sociologie en psychologie. Vooral in Engelstalig onderzoek is het begrip race doodnormaal. De gedachte hierachter is dat mensen nu eenmaal langs raciale lijnen denken, wat van ras een ‘sociale werkelijkheid’ maakt.

Het idee dat ras een sociale constructie is (dat ook door activisten is omarmd) heeft sterk bijgedragen aan het besef dat het dus géén biologische werkelijkheid is. Toch is antropoloog Francio Guadeloupe kritisch op het gebruik van het begrip in zijn discipline. Volgens hem helpt dat onbedoeld het denken in termen van ras in stand te houden. ‘Je kunt er als wetenschapper voor kiezen om andere concepten te gebruiken om een sociale situatie te beschrijven.’

Grijnzend vertelt hij dat hij daar regelmatig over discussieert met zijn UvA-­collega Amade M’charek. ‘Amade is hyperkritisch op het woord, maar gebruikt het nog wel.’ M’charek doet dit overigens bewust, om zo kritisch op het begrip te kunnen blijven reflecteren. Guadeloupe: ‘Maar ik vind: je hebt het niet nodig. Ik zal hooguit zeggen: datgene wat mensen ten onrechte ras noemen.’ Als iedereen dat doet, betoogt hij, sterft het vanzelf uit: ‘Dit woord heeft mensen van kleur door de geschiedenis heen nooit goed gedaan. Je kunt het historisch bekeken nooit gebruiken zonder een hiërarchie te suggereren.’

De beste bedoelingen

Als we kijken naar hoe het woord buiten de wetenschap wordt gebruikt, bijvoorbeeld in de media en de politieke arena, wordt het nog een tandje ingewikkelder.

‘Het gaat niet om je ras of oriëntatie, maar om wat je bijdraagt,’ zei CDA-lijsttrekker Wopke Hoekstra bijvoorbeeld goedbedoelend tijdens een verkiezingsdebat in februari. Of neem het programma De Grote Racisme Kennistest, in maart uitgezonden door BNNVARA, waarin rapper Ronnie Flex stelde: ‘Ik zou het echt niet oké vinden als mensen van een ander ras het N-woord gebruiken.’

Alana Helberg-Proctor zat ook in de studio, als panel-expert. Tijdens de opname viel het haar op hoe regelmatig het woord ras, maar vooral de termen zwart en wit – die volgens haar een raciale bijklank hebben – vielen. ‘Ik zei op een gegeven moment tegen het BN’er-panel: jullie gebruiken hier de hele tijd die termen, maar eigenlijk bestaan die strikte categorieën helemaal niet.’

In media en politiek lijkt mee te spelen dat het debat over racisme en ongelijkheid in Nederland sterk wordt beïnvloed door de VS, waar het racismedebat al veel langer en breder leeft en waar volop over race en race relations wordt gesproken in politiek en media.

Maar het Nederlandse woord ras is iets anders dan het Amerikaanse race, zegt Helberg-Proctor. ‘Amerikanen zijn zich er meer van bewust dat het een sociale categorie is (zo mogen ze zelf ‘kiezen’ in welke categorie ze zich laten registreren, MvdB) en beseffen wat de geschiedenis van biologisch rasdenken is,’ zegt de onderzoeker, die twintig jaar geleden in New York woonde en studeerde.

Dat ras niet biologisch is, ontdekte Helberg-Proctor zelf pas in de Amerikaanse collegezaal. ‘Ik dacht: wat?! Terwijl al mijn Amerikaanse studiegenoten dat allang wisten.’

Het woord race was in Amerika verknoopt met de segregatie, vult Guadeloupe aan. ‘Rasdenken zat daar verweven in wetten, leningen die je kon krijgen, noem maar op. Vanaf de jaren zestig wilde de burgerrechtenbeweging de segregatie ongedaan maken, dus het was logisch voor hen om dat woord te gebruiken.’ Met andere woorden: race was zo lang als categorie gebruikt, dat het bijna niet meer uit te wissen viel. Dan maar ombuigen. Vergelijk het met hoe Afro-Amerikanen van het racistische N-word onderling een geuzennaam hebben gemaakt.

‘Het woord ras gebruiken is een vorm van luiigheid.’

Hoewel Nederland ook institutioneel racisme kent, zoals discriminatie op de arbeidsmarkt, is het woord ras hier in de twintigste eeuw niet, zoals in Amerika, door activisten van gevoelswaarde veranderd. Het werd simpelweg afgewezen. M’charek: ‘Omdat het begrip hier niet als sociale categorie of zelfidentificatie gebruikt is, is het verbonden gebleven met die geschiedenis van de raciale wetenschap en met racisme in plaats van antiracisme. Dus als wij het woord horen, gaan de gedachten echt naar iets anders, namelijk de koloniale tijd en eugenetica.’

Maar als Nederlandse media over Amerika schrijven, wordt race vaak gewoon blind vertaald als ras. ‘Abortus, misdaad en ras: Democratische rivalen nemen Biden onder vuur’, luidde bijvoorbeeld de kop van een NOS-artikel over een voorverkiezingsdebat in 2019. Volgens Helberg-Proctor is dat onzorgvuldig en schadelijk. ‘Als mensen dit woord constant terugzien in de media, gaan ze weer denken – of wordt bevestigd – dat het echt iets is.’

 

Disclaimer

Hoe dienen journalisten race wél te vertalen? In veel contexten volstaat volgens de deskundigen het woord huidskleur, of soms nationaliteit. Objectievere en minder geladen begrippen. Of het woord racisme, zegt Francio Guadeloupe: ‘Ik zou van de NOS-kop bijvoorbeeld maken: Abortus, misdaad en het bestrijden van racisme. Het woord zelf gebruiken is een vorm van luiigheid.’

M’charek is het met hem eens. ‘Het gaat in zo’n debat over racisme, niet over ras als ware het een ding.’

Is het inderdaad luiigheid? Matthijs Le Loux is Amerika-redacteur bij NU.nl en de auteur van het eerdergenoemde artikel op NU.nl over discriminatie van zwarte Amerikanen. Het woord ras(sen) komt in zijn stuk negen keer voor. Maar ja, verdedigt Le Loux zich: in de Amerikaanse wetenschappelijke literatuur die hij raadpleegde, worden nu eenmaal raciale categorieën gebruikt. ‘En als je kijkt naar de gevolgen van die historische verdeling in Amerika, is het heel moeilijk om de term ras te vermijden. Deze mensen zijn benadeeld vanwege hun vermeende ras. Het klopt dat daar geen biologische grond voor is, maar dat maakt niet uit als mensen er wel naar leven.’

Toch baalt Le Loux van hoe vaak het woord in zijn artikel voorkomt. ‘Als ik het opnieuw zou schrijven, zou ik veel vaker het woord afkomst gebruiken. Ik ben misschien te haastig geweest.’

Ook voelt hij wel iets voor een disclaimer in artikelen, waarin je als medium kort aangeeft wat de achtergrond van een woord als dit is. ‘Je hebt als journalist niet altijd de ruimte om van alles de wetenschappelijke basics uitleggen. Maar in dit geval was een disclaimer op zijn plaats geweest.’

Doorgeefluik

Volgens Le Loux wordt op de NU.nl-redactie regelmatig over omstreden termen gediscussieerd, maar over dit woord kan hij zich geen gesprekken herinneren. Hoe zit het op andere grote redacties, zoals de NOS?

Hoofdredacteur Marcel Gelauff wil aan de telefoon best praten over het woord ras in NOS-berichtgeving, maar is ook voorzichtig. Begrijpelijk, gezien de ophefgevoeligheid van dit soort onderwerpen. Een paar jaar geleden stak er een storm van verontwaardiging op omdat de NOS het woord blank in de ban zou hebben gedaan (in werkelijkheid staat het de redactie vrij, maar wordt als het over zwart en wit gaat het woord wit aangeraden). Gelauff: ‘Ik heb onze documentatieafdeling ernaar laten kijken, en als het woord ras in onze berichtgeving al voorkomt, gaat het vaak over wetsartikelen of over Amerika. We gebruiken het niet om verschillen te beschrijven, alleen als we iemand citeren.’

Toch komt het woord soms ook buiten citaten langs. Zo kreeg een NOS-item uit 2018 de aan het begin van dit artikel al geciteerde kop ‘Grapperhaus: bij wapenvergunning geen ras of religie vastleggen’. Tegen de NOS-verslaggever ontkende Grapperhaus stellig dat de politie naar ras zou gaan vragen bij het uitgeven van vergunningen, zoals de Volkskrant die ochtend had gemeld. Dat je ras niet kúnt vastleggen, bleef in het interview buiten beschouwing. Was het niet relevant geweest om de minister dat voor te leggen? ‘Je kunt zeggen dat we het begrip hier duidelijker hadden moeten uitleggen,’ zegt Gelauff. Maar: ‘Ik vind niet dat je het moet vermijden als iemand het gebruikt. Deels zijn wij ook een doorgeefluik van wat er in de wereld gebeurt.’

Moet je als journalist alleen de werkelijkheid laten zien, of er ook proactief duiding aan geven? Het is een tijdloze discussie. De NOS volgt grosso modo die eerste filosofie – als publieke nieuwsvoorziener hecht zij aan een neutrale uitstraling – maar trekt niettemin bepaalde grenzen. Zo laat de redactie geen klimaatontkenners meer aan het woord, vertelt Gelauff. Niet meer te verantwoorden, nu de wetenschap hierover consensus heeft bereikt.

Is zo’n regel niet ook toe te passen op dit thema, waar eveneens consensus over is? ‘Is die consensus er dan?’ reageert Gelauff, terwijl hij op zijn computer op het woord googelt. ‘Ja? Oké. Maar goed, als je doorredeneert: het bestaat niet, maar mensen gebruiken het wel. Er is een verschil tussen journalistiek en wetenschap.’

De vraag blijft: hoe benader je die mensen die het woord gebruiken? Een vraag die relevanter wordt zodra het niet een minister, maar ronduit kwaadaardige types zijn die het doen. Onder de kop ‘Alt-right in Nederland: “opkomen voor het blanke ras”’ interviewde de NOS in 2017 aanhangers van alt-right-gedachtegoed over hun ideeën voor ‘rassenscheiding’. ‘Het witte ras delft het onderspit,’ zegt ene Danny. Het woord ras of afgeleiden daarvan valt tien keer. Was het niet verstandig geweest om deze racisten weerwoord te geven? Of hen te factchecken? Nee, vindt Gelauff. ‘Dat is hier niet relevant. Het stuk geeft inzicht in een opkomende beweging.’

Wij laten de wereld zien zoals zij is: dat is de conclusie waar Gelauff in het gesprek steeds op terugkomt, ook als hij voorzichtig zelfkritisch is. ‘Je moet een woord niet blind doorgeven. Maar ook niet per definitie uit de weg gaan.’ En: ‘Je moet je rekenschap geven van wat je publiceert. Maar in de praktijk is dat nog niet zo makkelijk.’

Nationaliteit, etniciteit, huidskleur?

Heeft Gelauff een punt als hij zegt dat journalisten soms doorgeefluik zijn? ‘Ammehoela,’ zegt Amade M’charek. ‘De journalistiek is de vierde macht, kom op zeg.’ Ze vindt het ‘choquerend’ dat Gelauff niet op de hoogte is van de wetenschappelijke consensus. ‘Als een minister zegt: we gaan ras registreren, of niet registreren, dan moet je toch vragen: wat bedoelt u dan? Nationaliteit, etniciteit, huidskleur? Enkele ministers voor hem hadden hetzelfde probleem toen er wetgeving moest komen voor DNA-bewijs.’

Gelauff wijst er ook op dat het woord in de Grondwet staat. Artikel 1 verbiedt immers ‘discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook’. Peter de Knijff weet als veelgevraagd DNA-expert in de rechtbank veel van het woord ras in het recht. Omdat het een onwerkbaar concept is, heeft de rechtspraak er een containerbegrip van gemaakt, zegt hij. ‘Er kan nu herkomst, taal, religie en zelfs politieke oriëntatie onder worden verstaan.’

M’charek stelt voor om het woord gewoon uit de Grondwet te schrappen. Zweden besloot daartoe in 2014, net als Frankrijk in 2018. ‘Redenerend dat er niet zoiets als ras bestaat, werden parlementariërs van links tot rechts het eens over het schrappen van de term uit artikel 1,’ schreef nieuwssite France 24. In Nederland is zo’n discussie er niet. M’charek: ‘Het is hier een thema in de marge. Elk jaar met 4 en 5 mei denk ik weer: kunnen we het er een keer over hebben? Maar er zijn zoveel momenten die je kunt aangrijpen om te doorgronden wat rasdenken met ons heden te maken heeft en wat de potentie ervan is.’ Helberg-Proctor: ‘Nu komt het telkens weer terug, omdat we er nooit goed mee hebben afgerekend.’

 

Nietszeggend verlegenheidsjargon

Rechtspraak, genetica, sociale wetenschap, journalistiek: rond de toren van Babel gebruikt elke discipline het woord ras net even anders. Verwarrend.

Sommigen vinden dat ook uitgerekend de activisten die het debat over racisme hebben opengebroken een kwalijke rol in deze verwarring spelen. Een van deze critici is schrijver, NRC-columnist en politicoloog Stephan Sanders, die het wereldbeeld bekritiseert waarin racisme wordt gezien als een structureel fenomeen dat witte mensen macht geeft en zwarte mensen die macht ontneemt. Sanders vindt dat te rigide. ‘Er zijn door de eeuwen heen natuurlijk machtsverschillen gegroeid. Hoe komt het dat het de meest witten waren die de meest zwarten hebben gekoloniseerd en tot slaaf gemaakt? Dat zijn goede vragen. Maar dat kun je niet helemaal afdekken met het idee zwart-wit.’

Hij vindt het een vorm van verwaterd rasdenken. Laat staan als het woord ras zélf gebruikt wordt. ‘Als ik dat woord hoor, voel ik mij teruggeworpen in de negentiende eeuw. In mijn jeugd was zulk denken failliet verklaard. Niemand sprak meer over ras. Maar het is helemaal terug.’

Antiracisten halen hun inspiratie vaak uit de sociale wetenschappen en gebruiken ras/race dus niet als biologisch gegeven maar als sociale constructie. Zwart en wit zijn voor hen sociaal-politieke termen. ‘Dat vind ik nooit zo’n sterk argument. Want dan ga je er vanuit dat al die zwarte mensen één politiek standpunt hebben. Er zit iets heel tegenstrijdigs in om je eerst langs raciale lijnen te organiseren, om daarna te pleiten voor gelijkheid,’ reageert Sanders, zelf kind van een Zuid-Afrikaanse vader en een Nederlandse moeder.

‘In Amerika ben je door de zogeheten one drop rule al black als je maar een klein beetje afstamt van zwarte Afrikanen. Maar in Europa hebben we nooit die raciale politiek gekend. Dus ik vind het geen goed idee om die strikte categorieën hier ook te introduceren.’

Om mensen die niet zwart of wit zijn niet buiten die tweedeling te laten vallen, is er de term ‘persoon van kleur’, duidend op alle mensen die niet wit zijn. Maar ook dat label kan Stephan Sanders niet bekoren: ‘genadebrood’ en ‘nietszeggend verlegenheidsjargon’, vindt hij.

Francio Guadeloupe is het met Sanders eens dat je de woorden black en white niet zomaar kunt vertalen naar zwart en wit. ‘Je ziet nu een globalisering van termen uit de VS, niet alleen onder activisten, maar onder álle Nederlanders.’ Zelf gebruikt hij in zijn antropologische werk de woorden black en white als concept om privilege aan te duiden, maar niet als hij het over echte mensen heeft. ‘Ik heb het dan over browner skinned people en pinker skinned people. Mensen kunnen geen concepten zijn.’

Ook Alana Helberg-Proctor wordt liever niet omschreven als zwarte vrouw. Maar ze zegt ook: ‘Het is niet aan mij om anderen iets te ontzeggen wat een positieve sociale identiteit voor ze is. Ik zal nooit tegen Black Lives Matter-activisten zeggen: je mag jezelf niet black noemen. Het is alleen wel goed om te bedenken dat mensen mede daardoor bevestigd kunnen zien dat het een biologisch feit is.’

Versimpelingen

Antiracisten wijzen er terecht op dat de categorieën zwart en wit niet door hén, maar door de raswetenschappers van weleer zijn bedacht. Zelf zouden ze het enkel gebruiken om het racisme dat langs die lijnen plaatsvindt, te bestrijden.

Sanders blijft bij zijn mening. ‘Ik besef wel dat het een breekijzer is, er komen nu bijvoorbeeld meer minderheden in politiek en media, maar het is een verkeerd breek­ijzer. Laten we gewoon machtsverschillen en ongelijkheid benoemen zonder het begrip ras of de tweedeling zwart en wit.’ Dat geldt wat hem betreft óók voor de VS, waar dit debat volgens hem ook speelt.

Inderdaad debatteert men in de VS bijvoorbeeld over de kwalijke effecten van raciale categorieën in de medische praktijk. Zo werd vorige maand een methode aangepast die de kans op een gezonde vaginale geboorte berekent. De score wordt voortaan niet langer verlaagd als de moeder ‘Afrikaans-Amerikaans’ of ‘Hispanic’ is. Maar sociaal-raciale grenzen blijven stevig overeind. Zo schrijven sinds kort steeds meer Amerikaanse media het woord Black met een hoofdletter (met als argumentatie dat het woord naar gedeelde identiteit en cultuur verwijst).

Heetste hangijzer

Het debat over diversiteit en de bijbehorende taal is eindeloos vertakt en in dit artikel onmogelijk helemaal te vangen. Daarom: terug naar het heetste hangijzer. Hoe kunnen we in Nederland verantwoord met dat besmette woord omgaan? Helemaal vermijden lijkt ondoenlijk. Al probeert Stephan Sanders dat in zijn columns wel. Als afkomst in een artikel relevant is, gebruikt hij gewoon een term die verwijst naar etniciteit of nationaliteit, zoals ‘Turkse Nederlander’. En wanneer de precieze huidskleur relevant is, verkiest hij termen als ‘lichtbruine man’ boven zwart of wit.

Amade M’charek vindt het onbevredigend om het woord strikt te vermijden. ‘Hoewel we moeten oppassen dat we het niet als sociale categorie omarmen, moeten we ras als begrip, de geschiedenis erachter en de invloed ervan op onze huidige samenleving blijven bekritiseren. Ik geloof namelijk niet dat het ooit volledig failliet is verklaard, zoals Stephan Sanders zegt.

Er moet aandacht blijven voor hoe we racialiseren. Bijvoorbeeld als we het hebben over Kaukasische of Mongoolse mensen of mediterrane volkeren. Wat bedoelen we daarmee?’

Raciale stereotypen klinken ook door in sportcommentaar. Deens onderzoek wees vorig jaar uit dat over voetballers met een donkere huidskleur vaker hun fysieke kracht benoemd wordt en van lichte spelers vaker hun intelligentie. Dit was ook merkbaar tijdens het afgelopen EK, waarbij de Belgische spits Romelu Lukaku door analisten steeds getypeerd werd als ‘monster’, ‘beest’ en ‘krachtmens’. Over de even gespierde Duitse middenvelder Leon Goretzka klonk zulke taal niet: bij hem vroeg men zich verwonderd af hoe vaak hij in de gym was – alsof Lukaku niet net zo goed voor zijn fysiek werkt. En ja, ook dat zwarte hardlopers een genetische voorsprong hebben berust op mythevorming.

Maar vergeet sportcommentatoren: in ieders dagelijkse taalgebruik zitten wel formuleringen die suggereren dat genen en genetisch verschil vallen af te bakenen: denk aan termen als ‘gemengde afkomst’, ‘halfbloedje’ of ‘het zit in de genen‘.

Dat is niet alleen een manier van zeggen, meent M’charek. Zij ziet dat de samenleving steeds meer gewicht toekent aan onze genen. ‘Als je vragen hebt over je toekomstige kinderen, kun je een prenatale diagnostiek doen. Op televisie zien we hoe BN’ers hun familiegeschiedenis ontrafelen. En als je met vragen over je identiteit zit, kun je een DNA-test laten doen, vaak met onbetrouwbaar resultaat. Het prijskaartje van al die luxes is racialisering. Je zou wensen dat nu het racismedebat eindelijk is opengebroken, we ook daarover een gesprek gaan voeren.’

Als we dat gesprek inderdaad willen voeren, omwille van verleden en heden, is het besef dat ras meer denkbeeld dan werkelijkheid is cruciaal. Momenteel overheerst nog de onduidelijkheid over dit woord, dat enerzijds taboe voelt en anderzijds nog zo gewoon is.

Volgens Helberg-Proctor is het belangrijk om deze impasse te doorbreken, omdat die uiteindelijk fundamenteel samenhangt met dat probleem dat nu eindelijk op de kaart staat: racisme. ‘Bij racisme is het racialiseren van groepen altijd de eerste stap. In Nederland is het idee dat we niet meer in termen van ras denken altijd samengegaan met het collectief ontkennen van racisme. Als je gelooft dat Nederlanders geen “ras” zien of kleur, kun je ook heel makkelijk zeggen dat ze niet racistisch zijn.’

Kort voor het verschijnen van dit artikel publiceert de NOS een online nieuwsbericht: ‘Geen rassenonderscheid meer bij letselclaims American football’. Zwarte spelers kregen tot nu toe minder geld uitgekeerd bij hersenletsel, omdat ooit geloofd werd dat hun hersenfunctie lager was – een regel waarin institutioneel racisme, eugenetica en achterhaalde wetenschap samenkomen.

Na een paar uur worden de url en de kop aangepast. In plaats van ‘rassenonderscheid’ staat er nu: onderscheid naar huidskleur. In posts op sociale media, waar het bericht al gauw veel gedeeld werd, leeft de oude kop nog voort.

Twitter

Deze dienst is alleen beschikbaar wanneer alle cookies zijn geaccepteerd

Wijzig cookie voorkeur