Interview Heleen van Royen
‘In mijn leven komt het niet goed,’ zegt Heleen van Royen een paar dagen na de première van De gelukkige huisvrouw in Tuschinski. Ze zit tegenover me in een fauteuil van een Amsterdamse hotel. De hooggehakte schoenen met open teen heeft ze uitgedaan, haar benen zijn tot een comfortabele kleermakerszit gevouwen en haar gedistingeerde jasje biedt een royale blik in haar decolleté, ‘cupje AA’, zoals ze het zelf altijd schertsend noemt. Heleen van Royen heeft haar plek in de ruimte veroverd.
Net vertelde ze nog hoe verguld ze is met de verfilming van haar deels autobiografische debuutroman; hoe prachtig de film is, hoe schitterend de recensies zijn, hoe groot de bezoekersaantallen. De gewraakte bevallingsscène doet in rauwheid niet onder voor haar geschreven versie. ‘Ik heb gehoord dat er vrouwen zijn flauwgevallen tijdens de voorvertoning,’ zegt ze. Indirect is de film ook háár succes. ‘Is er toch nog wat moois uit mijn leven voortgekomen.’
Maar tegelijkertijd zijn de beelden hard aangekomen bij de schrijfster. Het is ook bizar om je eigen leven voorbij te zien komen op het witte doek. Levensgroot, levensecht. Geen pijnlijk moment werd haar bespaard. Tijdens de voorvertoning in een zaaltje zag ze hoe haar vader langzaam de Sloterplas in liep om een einde te maken aan zijn getroebleerde bestaan. In haar donkerste fantasieën zal de schrijfster het moment duizend keer hebben meegemaakt, nu gebeurde het voor haar eigen ogen. Ook de waanbeelden die zich na haar bevalling in haar hoofd afspeelden, zag ze op het scherm geprojecteerd. Alleen het einde van de film liep anders. Want in de film komt de vader wél afscheid nemen van zijn dochtertje voordat hij zich verdrinkt. Van Royen kon het niet aanzien en verliet huilend de zaal. ‘Die afscheidsscène strookt niet met mijn leven,’ zegt Van Royen. ‘Antoinette (Beumer, regisseur) wilde me met de film een cadeau geven, iets van verzachting. Zij gelooft nog echt dat alles goed kan komen. Ik al lang niet meer.’
Er glijdt een schaduw over haar stralende verschijning. Die zal het hele gesprek blijven hangen, haar vele gevatte grapjes ten spijt. Ze wil niet te serieus doen, want dan komt ze bij die diepere laag waar ze zich geen raad mee weet. Maar de thema’s in haar leven en werk liegen er niet om. In 2000 brak ze door met haar debuutroman De gelukkige huisvrouw, waarin ze onomwonden vertelde over de verschrikkingen van bevallen, haar psychoses, de zelfmoord van haar vader. Haar ironische, toegankelijke taal sloeg meteen aan bij een groot lezerspubliek, maar de Nederlandse recensenten maakten het boek met de grond gelijk. Ook De ontsnapping en Godin van de jacht oogstten weinig literaire waardering. Het publiek smulde evenwel, en niet alleen van Van Royens boeken. Ook haar smeuïge uitspraken over de open relatie met haar man Ton deden het goed. Behendig speelde de schrijfster met het imago van losbandige vrouw, versterkt door haar boek Stout. Haar ontmaskering van PvdA-politicus Rob Oudkerk als hoerenloper in Het Parool gaf haar dat extra rafelige randje. Inmiddels ontpopt elk boek zich tot bestseller. En zo werkt Van Royen gestaag toe naar haar ultieme doel: volksschrijver worden.
Maar hoe groot haar succes ook is, het valt in het niet bij de schuldgevoelens die ze nog altijd heeft over haar vaders dood. En die gevoelens steken uitgerekend bij een succes zoals de boekverfilming de kop op. ‘Want het is door mijn vaders zelfmoord dat ik ben gaan schrijven. Hij moest eens weten wat er daarna allemaal gebeurd is,’ verzucht Van Royen.
Haar vaders versje
Heleen van Royen (1965) groeide op als jongste van drie dochters in een Amsterdams gezin. Haar moeder was de klassieke huisvrouw, haar vader verdiende een niet al te rijkelijk belegde boterham als boekhouder. Het huwelijk was slecht, en dat lag volgens de jonge Heleen geheel aan haar vader, een tiran die zijn gezin tergde met zijn manische pianospel. In zijn oudste dochter zag hij een genie dat maar niet tot wasdom wilde komen, in zijn middelste een mislukking. Heleen bestond voor hem simpelweg niet. En dus negeerde zij hem van jongs af aan en koos partij voor haar moeder.
Toen ze dertien was, scheidden haar ouders. Haar vader had thuis willen blijven wonen, maar zijn vrouw stuurde hem direct uit het echtelijk bed naar een stretcher in de woonkamer. Die nacht verdween hij. Een week later dreef hij in de Sloterplas. Heleen is niet naar zijn begrafenis gegaan. ‘Ik at liever macaroni bij de buren. Ik voelde me bevrijd.’
Haar leven verliep ogenschijnlijk vlekkeloos. Ze haalde haar vwo-diploma en viel daarna op de School van Journalistiek op met haar voorliefde voor Bouquetreeksromans en Amerikaanse series als Dallas en Dynasty. In minirok en met highlights verscheen ze tussen haar in het zwart geklede klasgenoten met rat op hun schouder. Ze werkte een tijdje als journalist en toen ze in 1992 met haar man Ton een kind kreeg, was het geluk compleet.
‘Toen ging het mis,’ zegt Van Royen. Ze heeft het verhaal al talloze malen verteld: na de bevalling volgden een psychose, gedwongen opname en zelfs de isoleercel. Ze besloot een boek te schrijven over haar vader. Toen ze daarna weer in een psychose terechtkwam, werd het een boek over een vrouw die na een gruwelbevalling psychotisch wordt en een zoektocht naar haar vader begint. ‘Ik kende hem alleen uit de boze verhalen van mijn moeder en besloot het verleden te reconstrueren aan de hand van gesprekken met andere familieleden. Ineens was het beeld niet meer zwart-wit, met een slechte vader en een goede moeder. Toen kwam het besef dat ik hem veel te hard heb aangepakt en ben ik me schuldig gaan voelen. En toen kwam de tweede psychose.’
Met haar boek heeft Van Royen het negatieve beeld dat ze van haar vader had, willen rechtzetten. Tijdens de première in een stampvol Tuschinski zag ze de regels van haar vaders versje uit haar poëziealbum over het doek glijden. ‘Heel ongemakkelijk. Dat versje is voor mij het bewijs dat hij me tóch heeft zien staan, dat hij me kende. Had ik toen maar geweten hoe het zat. Dan had ik hem niet zo behandeld. Dan was hij misschien bij ons gebleven. Wij hebben mijn vader verstoten.’ Hoe haar zussen en moeder erover denken? Ze slikt. ‘Voor mijn moeder is hij nog steeds de boeman, de gek. Zij neemt geen enkele verantwoordelijkheid voor het gebeurde. Ik heb haar dat zwarte beeld van mijn vader lang kwalijk genomen, maar nu besef ik dat dat haar overlevingsmechanisme is. Meer wil ik er niet over kwijt, want ze vindt al dat ik het nest heb bevuild met mijn boek. Het was natuurlijk ook gepaster geweest om ermee te wachten tot na haar dood. Maar misschien ben ik wel eerder aan de beurt. Ik móést dit boek toen schrijven, dat is mijn dwarsheid.’
U praat in interviews en in uw boeken openhartig over de rampspoed in uw leven. Brengt het u verlichting?
‘Erover praten maakt mijn leven er niet makkelijker op, maar de vele reacties op mijn werk doen mij goed. Veel mensen herkennen zich in mijn verhalen en putten er troost uit. Dat geeft mijn leven zin. Ik vraag me vaak af of ik was gaan schrijven als mijn vader nog had geleefd en ik uit een Libelle-gezin kwam. Het zou toch tragisch zijn als al mijn succes voortkomt uit die ene gebeurtenis? Mijn eerste uitgever Oscar van Gelderen antwoordde eens: ook zonder ellende had je je talent gehad, alleen had je minder de urgentie gevoeld om er iets mee te doen. Innerlijke noodzaak noemde hij het.’
En wat is die innerlijke noodzaak dan?
‘Het is de behoefte me te laten gelden, die heb ik wel sterk. Ik wil laten zien: ik kan wat, ik besta! Die geldingsdrang heb ik al heel lang, die is sterker dan ik zou willen. Het is ook alsof de dingen zo weinig zin hebben als je ze niet opschrijft. Ik hoef de straat maar op te lopen of ik maak wat mee. Dat kan ik thuis wel honderd keer vertellen, maar het blijft zinloos als ik het niet omzet in een verhaal. Schrijven is wat ik kan, ik word er gelukkig van. Even helemaal alleen zijn, de volledige controle hebben en er niet leuk uit hoeven zien. Een mooi stukje schrijven maakt me blijer dan op de rode loper staan.’
U stelt zich bij het schrijven één doel, zegt u in interviews: de massa bereiken, zoveel mogelijk boeken verkopen. Hoe trouw kunt u dan als schrijver aan uzelf zijn?
‘Ik denk er nooit over na of een onderwerp mijn lezers wel aanspreekt. Een verhaal begint vanuit mijn eigen obsessie met iets. Maar ik schrijf welbewust in een toegankelijke taal. Iedereen die de middelbare school heeft afgemaakt, moet mijn boeken kunnen lezen. Ik wil het mijn lezers niet moeilijk maken, ik wil niet laten zien wat voor ingewikkelde zinnen ik wel niet kan maken, dat wat ik doe beter of hoger is. Ik wil een verhaal zo helder en zo aantrekkelijk mogelijk vertellen. En voor wie beweert dat het een simpel trucje is: schrijf ook maar eens een Godin van de jacht, met véél seks erin, want dat verkoopt toch? Ik heb een eigen stijl en daarmee wil ik veel mensen bereiken. Als ik maar duizend boeken zou verkopen… pijnlijk hoor. Honderdduizend vind ik al weinig, echt. Dat is niet zoveel op zestien miljoen mensen.’ Vastberaden: ‘Honderdduizend is voor mij echt wel het minimum.’
Stel, u verkoopt vijftigduizend exemplaren van uw nieuwste boek De mannentester.
Haar gezicht vertrekt tot een grimas. ‘Au, ik voel nu al de pijn!’
Voelt u zich dan mislukt?
‘Als maar zó weinig mensen het leuk vinden, waar doe je het dan voor? Ik probeer iets te maken waar veel mensen van kunnen genieten. Kunst die door weinigen wordt gewaardeerd, hoeft om die reden nog niet slecht te zijn, maar ik zou zo’n ingewikkeld boek voor een select gezelschap fijnproevers niet kunnen maken.’
Niet kunnen of niet willen maken?
‘Ik kan het ook niet. Ik maak natuurlijk wat ik kan en daarmee zit ik aan de kant van de massa. Reve heeft altijd volksschrijver willen worden, maar het is hem nooit gelukt, ook door zijn homothematiek. Ik word breed gelezen en dat vind ik echt heel leuk.’
U hebt eens gezegd: als mensen mijn boeken niet goed vinden, maakt me dat niks uit, maar het raakt me als ze me haten.
‘Hoe kun je nou iemand haten die je niet kent? Ik ben sowieso niet goed in haten. Maar goed, hatelijke opmerkingen raken mij wel. Ik vind het vervelend als mensen zeggen: die Heleen van Royen vind ik zo’n trut. Dat doet pijn. Eén lullige opmerking hakt er altijd meer in dan honderd complimenten. Het gaat dwars door me heen. Zou ik daarvoor nu ook in therapie moeten?’ Ze lacht. ‘Vervelende dingen blijven nu eenmaal langer hangen, zoals de pijn nadat je je hand in het vuur hebt gestoken. Het is een waarschuwingssignaal van de natuur.’
En waar waarschuwt een rotopmerking u dan voor?
‘Dat mensen niet allemaal zo goedbedoelend zijn als ik zou willen. Maar ik verander mijn gedrag er niet door. Ik pas me niet aan. Overigens zou ik niet eens weten hoe, want concrete aanwijzingen van wat ik mankeer, krijg ik nooit.’ Ze grijnst. ‘Of toch wel: mijn stem. Dat hoor ik héél vaak: die stem, die stem alleen al! Het is dat ik er niet mee naar de plastisch chirurg kan, anders zou ik dat natuurlijk ogenblíkkelijk doen.’ Ze lacht. ‘Nee, ik ben geen pleaser in zoverre dat ik mij niet aanpas. Maar ik heb wel de stille wens om door iedereen omarmd te worden. Zoals Máxima.’ Schoorvoetend: ‘Over haar heb ik niemand nog horen zeggen: wat een trut. Door iedereen omarmd worden, is misschien wel mijn grote droom, mijn ideaal.’ Van Royen spreidt haar armen: ‘Omarm mij, allemaal!’
Voor iemand die door iedereen omarmd wil worden, hebt u een interessante strategie gekozen. U staat bekend als provocerend.
‘Misschien is het inderdaad niet helemaal de juiste strategie, nee.’ Ze lacht haar hese lachje. ‘Het punt is: ik kan mijzelf niet veranderen. Ik geloof niet in de maakbaarheid van de mens, geestelijk gezien. Natuurlijk zou ik zen willen zijn, altijd at ease, dat alles van mij afglijdt. Maar mijn karakter werkt tegen, ik ben een opgewonden standje. Vaak merk ik pas achteraf hoe provocerend iets is, zoals bij het Oudkerk-schandaal. Maar ik bén natuurlijk ook een provocateur, ik houd ervan de boel op te schudden. Linda de Mol wordt nationaal omarmd, geen uitglijers voor haar. Dat is me te saai. Een van mijn belangrijkste bezittingen is mijn vrijheid om te kunnen doen en laten wat ik wil. Ik leg mijzelf geen beperkingen op omdat dat zo hoort.’ Pruilend: ‘Je kan toch ook iemand omarmen die de boel oppookt?’
Opgehangen
Sinds vijf jaar woont Heleen van Royen met haar man en haar kinderen Olivia (17) en Sam (13) in Portugal. Wat bedoeld was als vakantieverblijf werd al snel hun thuis: een royale villa op een groot stuk grond aan zee. Geen hectiek, niemand die ze kent. Om te schrijven, moet Van Royen ‘at ease’ zijn, ‘niet constant lopen stuiteren’. Ze is het gelukkigst achter haar computer of buiten met de honden, in joggingbroek en Uggs. Het klimaat heeft een weldadige uitwerking op haar gemoed. Toch loopt ook hier het leven niet zonder slag of stoot. Van Royen vertelt hoe het dorpje vorige zomer werd opgeschrikt door een zelfmoord. De oprichter van de tennisclub, die zij goed kende, had zich aan de vooravond van zijn dochters verjaardag opgehangen aan een boom bij zijn huis. Hij was depressief en niemand die er weet van had. Het was de eerste week van augustus geweest, dezelfde week dat Heleens vader zich verdronk.
Van Royen: ‘Rats, daar was die weerhaak die alles in mij openscheurde. Godverdomme, dacht ik, na tweeëndertig jaar ben ik er nóg niet van af. Ik werd immens verdrietig, ook omdat ik besefte wat die meiden te wachten staat.’ Ze wist wat haar stond te doen: speechen op de begrafenis. Het moest een speech worden zoals alleen zij die schrijven kon: humoristisch en raak. ‘Ik móést lichtheid brengen op die vreselijk sombere dag. Ik voelde die drang.’ Van die ene vrouw die de vrolijke speech ongepast vond, heeft ze zich niks aangetrokken. En dus vertelde ze op de begrafenis anekdotes over die vriendelijke, vaderlijke man met wie ze een wet T-shirt contest zou organiseren. ‘Het luchtte mij enorm op,’ zegt ze. ‘Zijn vrouw en tienerdochters lachten door hun tranen heen. Op zo’n moment werkt mijn talent om te vertellen troostend. Ik was die dag de vrolijke noot.’ Natuurlijk dacht ze toen ook aan haar vader. ‘Heel maf, naar zijn begrafenis ben ik niet gegaan.’
Ze slaat haar ogen neer en zakt weg in de stoel. ‘De manieren waarop mensen zelfmoord plegen zegt veel over hun wanhoop en eenzaamheid. Je kunt zo’n daad moeilijk veroordelen: soms gaan je hersens met je op de loop. Ik kan me voorstellen dat het leven zoveel zeer doet dat je eruit stapt. Die gevoelens overvallen mij soms, zelfs in de Algarve. Dat heb ik van mijn vader geërfd.’ Prevelend: ‘Maar je mág het niet doen, je móét jezelf proberen te redden.’ Het klinkt alsof ze zichzelf wil overtuigen. ‘Mijn angst voor weer een psychose of depressie zit er ingebakken. En met schrijven zoek ik de grenzen ook wel op. Dan activeer ik mijn verbeelding en zet ik als het ware het luik naar de psychose open. Gelukkig zijn er pillen. Ik ben dolblij met de antipsychotica en antidepressiva. Ik slik ze zodra ik de bui voel hangen, nu al een tijd niet meer.’
Door haar wisselende stemmingen heeft ze een groot wantrouwen opgevat voor emoties. ‘Ze kunnen je overvallen en je kunt ze zelf opwekken. Ik hoef maar stilstaand water te zien of klassieke muziek te horen of ik voel weer het verdriet om mijn vaders dood. Het zijn weerhaakjes in je ziel. Sommige mensen gaan naar een treurige film in de bioscoop en huilen dan. Waarom zou je dat in godsnaam doen? Ik zoek het verdriet niet op, het vindt mij wel. Ik wil niet te veel nadenken over de dood en zoek afleiding in leuke dingen. Het moment van afscheid nemen komt onherroepelijk, ik ben er altijd alert op. Waren we maar dieren, zeg ik in De mannentester. Die beseffen niet dat iedereen vroeg of laat doodgaat.’ Van Royen voelt zich verwant met Michel Houellebecq. ‘Ook hij twijfelt voortdurend aan emoties en de oprechtheid ervan. Het bestaan is miserabel en eenzaam. Alleen de jeugd en seks kunnen dat tijdelijk verdoezelen.’
Een tegenvaller
In haar romans toont Van Royen de torenhoge verwachtingen die mensen, mannen én vrouwen, van het leven hebben. Als het maar even tegenzit, slaat de paniek toe. ‘Zelfspot zou dé remedie zijn,’ zegt Van Royen, ‘maar die is schaars. Je krijgt in je jeugd zoveel standaardgedachten ingeprent van hoe je hoort te zijn, als vrouw al helemaal. Je moet zorgzaam zijn, en kuis, en altijd op de achtergrond. Als je er maar een beetje van afwijkt, klop je niet. Tegen dat ideaalbeeld van de vrouw verzet ik mij.’
Zelf wordt Heleen al haar leven lang onderschat, heeft haar oom wel eens gezegd. Als meisje kreeg ze elke verjaardag weer van haar moeder te horen hoe teleurgesteld haar vader bij haar geboorte was geweest. Hij had graag een zoon gewild, en toen het weer een dochter bleek, heeft hij uit teleurstelling niemand gebeld. ‘Dan krijg je best wel het idee dat je ongewenst bent,’ zegt Van Royen. ‘Al is het mijn moeders verhaal. Ik was kennelijk een tegenvaller bij de start.’
Vrouwen hebben een natuurlijke achterstand, vindt ze. Maar dat is nog geen reden om bij de pakken neer te zitten. De hoofdpersonen in haar romans zijn zonder uitzondering vrijgevochten vrouwen die ondanks de nodige tragiek hun eigen weg gaan. ‘Mijn heldinnen,’ noemt ze ze liefkozend. Julia weet in De ontsnapping te ontkomen aan haar dienstbare moederrol en passieloze huwelijk door haar kinderen te dumpen. En Diana leidt in Godin van de jacht als moeder van twee kinderen een onstuimig bestaan , dankzij haar twee minnaars. Is seks dan de enige uitweg voor de vrijgevochten vrouw? ‘Nee,’ zegt Van Royen. ‘Maar ik vind seksuele onafhankelijkheid een voorwaarde voor emancipatie. Ook vrouwen hebben recht op seks zonder een vaste relatie.’
Staat ook u ook niet een bepaald vrouwbeeld voor met het boek ‘Stout’ dat u met Marlies Dekkers schreef? Een losbandige levensstijl lijkt hierin een must voor de moderne vrouw.
Van Royen veert op. ‘Juist niet. Stout werd meteen opgevat als seksueel stout, maar dat is maar een deel van wat Marlies en ik beogen. In het boek vertellen bekende vrouwen over hun ambities en hoe ze zo ver zijn gekomen. Wij dagen vrouwen uit om zichzelf de vraag te stellen: in hoeverre doe je de dingen omdat ze jou zijn ingeprent, omdat ze horen? Ik propageer niet dat vrouwen moeten zijn zoals ik, ik wil laten zien dat het anders kán. Durf je grenzen te verleggen, verken ongebaande paden. Mijn definitie van stout: zelfverzekerd zijn zoals je bent. Het is een hang naar vrijheid.’
Maar nu kleeft het imago van stoute vrouw u aan.
‘Er wordt nog steeds zo verkrampt gedaan over vrouwen en seks. Die misverstanden krijg je tijdens je jeugd ingeprent. Je hoort het als vrouw met zo min mogelijk mannen te doen en alleen uit liefde, anders ben je een slet. Doorgaans is het ook fijner als je van iemand houdt, maar het hóéft toch niet? Formeel zijn mannen en vrouwen gelijk, maar mannen hebben nog steeds de macht. Als Harry Mulisch met duizend vrouwen naar bed gaat, is hij een held, Robert Vuijsje wint de Gouden Uil met een seksistisch boek. Ik doe een paar uitspraken over seks en iedereen denkt: die doet het met alles en iedereen. Nou, ken jij ze, al die mannen? Ik ben nooit open geweest over mijn seksleven. En al dééd ik het met iedereen: het is toch geen misdaad?’ Ze gaat verder. ‘Ik herinner me die voorlichtingsboekjes op school nog: seks en vrouwen, nou, het leek wel hogere wiskunde. Viel dat even mee in de praktijk. Ik wil in mijn boeken laten zien dat seks niet problematisch is als vrouw, en ook dat je tot meer in staat bent dan nageslacht werpen.’
Het is namelijk leuk om door mannen gezien te worden, vindt van Royen. Tot haar vijftiende had ze ‘geen seconde sjans’. Toen verruilde ze haar bril voor lenzen. ‘Dan kijkt de wereld ineens naar je, geweldig. Ik houd van aandacht en kleed mij mooi als ik optreed, dat vind ik een leuk onderdeel van het artiest zijn. Als schrijver is het not done om je af te vragen welke schoenen je aantrekt. Daar trek ik mij niks van aan. Niets aan je uiterlijk doen, dat vind ik pas een statement. Verschijnen in een vies T-shirt getuigt van minachting voor je publiek.’
Aan mannelijke aandacht geen gebrek. ‘Maar er komt een moment dat er geen bouwvakker meer naar je fluit. Dan word je zó van de kaart geveegd. Onzichtbaar worden voor de andere sekse lijkt me geen pretje. Uiteindelijk wil elke vrouw een lustobject zijn, al geven we het niet toe.’ Snel voegt ze eraan toe: ‘Maar ik hoop dat nu wel duidelijk is dat ik méér ben dan dat.’
Bent u dat imago van seksbom niet zat?
‘Ik hoop dat het een beetje aan het veranderen is. Om die reden heb ik vierentwintig uur opgetrokken met Wilfried de Jong voor zijn televisieprogramma 24 uur met. Doorgaans krijg je op televisie maar vijf minuten om leuk en gevat te zijn, dit was een kans om me van een andere kant te laten zien. Ton had het me afgeraden, want het was een drukke tijd en ik sliep slecht, niet bevorderlijk voor mijn gemoed. Maar ik wilde bewijzen dat ik het aankon. En ik wilde zelf eens zien: hoe gek ben ik nou eigenlijk? Als je een keer écht gek bent geweest, kun je jezelf en de werkelijkheid nooit meer helemaal vertrouwen. Ik denk vaak over mijzelf: deed ik niet raar?’
En?
‘Ik vond mijzelf niet vreselijk gek. Ja, ik bén uit het interview weggelopen toen het gesprek over de dood me te veel werd. Op dat moment zag ik mijn sterfbed voor me, met mijn kinderen er omheen. Het beeld kwam – bám – zo binnen. Ik had me voorgenomen niet te zullen huilen en dus liep ik weg. Maar ik vond mijzelf eigenlijk vrij normaal. Dat is wat ik het liefst wil zijn: normaal. Dat ben ik natuurlijk niet, want ik heb de diagnose bipolaire stoornis gekregen.’ Met een lach: ‘Dat zijn de lolligste patiënten volgens psychiaters. Vaak vraag ik me af: wat is nou de stoornis en wat is Heleen. Maar ik ben geen ernstig geval, hoor.’
Daar dacht haar manager anders over, hij was ongerust over het effect van de televisie-uitzending. Dit is helemáál niet goed, zei hij. Nu ben je dus de gek, volkomen aan de pillen. Van Royen: ‘Dan zie je hoe snel een imago aan je kleeft.’
Maar ze zal haar leven er niet anders door inrichten. ‘Mijn thema’s blijven toch wel terugkeren, je hoeft mijn naam maar te googlen. Ik vind het belangrijk ze bespreekbaar te maken. Ook bij mijn kinderen. Ze weten van hun opa, dat is geen geheim. Toen ze vroegen waaróm hij het had gedaan, heb ik gezegd: omdat hij ziek was. Uiteindelijk is dat mijn enige verklaring. Ik maak mij wel eens zorgen over de genetische component, maar ik heb een stabiele vader voor ze uitgezocht. Dat scheelt. En verder heb ik dat sombere niet zo vaak, wel de gekte en obsessies. Maar mijn kinderen kennen mij van haver tot gort, die nemen het niet zo zwaar. Als ik weer eens gek doe, maken ze me belachelijk: heb je mam weer.’
Een beetje relativering kan geen kwaad. ‘Voor je het weet, ben je de gek. Maar van alle dingen is seks mij het meest blijven aankleven en daar ben ik wel blij mee.’ Met een grijns: ‘Ik ga liever de geschiedenis in als ultiem sekssymbool dan als de ultieme gek. Maar als ik zou mogen kiezen, natuurlijk als schrijfster Heleen van Royen.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.