Voordat Wim Kayzer hem in de jaren negentig van de vorige eeuw interviewde voor zijn tv-programma Van de schoonheid en de troost hadden weinig Nederlanders van de Zuid-Afrikaanse schrijver J.M. Coetzee (1940) gehoord. Daarna was hij opeens een soort fenomeen, niet omdat dat interview zoveel prachtigs en boeiends opleverde, maar juist vanwege het tegendeel, omdat de schrijver nauwelijks antwoordde op Kayzers vragen en zich hulde in een sfinxachtig stilzwijgen, alsof hij geen zin had de kijker het gewenste soelaas van schoonheid en troost te bieden. Zelden werd een enigmatischer persoon op televisie opgevoerd.
Coetzees stugheid, schuwheid, afkeer van modieuze antwoorden bezorgden hem in kleine kring de status van morele held, een held van de zuiverheid, het intellect, de terughoudendheid en de oprechtheid, van de saaiheid ook, alles wat onze publiciteits- en mediageile tijd lijkt te verachten en wat tegelijkertijd kan rekenen op appreciatie van de stille, intellectuele elite die het smakeloze en gemakzuchtige populisme verafschuwt. Geen literair pleasegedrag en feelgood-gevoelens bij deze schrijver, die door velen als de grootste van het moment wordt beschouwd. Integendeel, zijn literatuur is er een van harde waarheden en onvervalste gevoelens.
Hier, adhesie van een van de vele liefhebbers uit de literaire wereld, Griet Op de Beeck: ‘Precies daarom is hij me zo lief: hij loopt niet in een boogje om de grote emoties heen, maar staart ze vol in het gezicht.’ Amen.
Het probleem van de seks
In 1999 verscheen Coetzees roman In ongenade, vertaling van Disgrace, goed voor de Booker Prize, die hij trouwens al eens eerder had opgehaald. Een boek over de midlifecrisis van een teruggetrokken, niet warme, weinig toegankelijke man, nogal lijkend op Coetzee zelf. De opening van dat boek werd een soort klassieker: ‘Voor een man van zijn leeftijd, tweeënvijftig, gescheiden, heeft hij het probleem van de seks naar zijn idee heel aardig opgelost. Iedere donderdagmiddag rijdt hij naar Green Point. Stipt om twee uur drukt hij op de bel bij de ingang van Windsor Mansions, zegt zijn naam en gaat naar binnen. In de deur van nummer 113 staat Soraya op hem te wachten.’ Je zou het een seksuele Natureingang kunnen noemen.
Dat hij na In ongenade de Nobelprijs voor de literatuur zou krijgen, in 2003, was voor velen een soort opgelegd pandoer. Dat de teruggetrokken schrijver hem ook nog zelf kwam ophalen, was misschien een grotere verrassing. Hij laat zijn vrouwelijke alter ego Elizabeth Costello in de gelijknamige roman uit datzelfde jaar 2003 zeggen: ‘I should have asked them to forget the ceremony and send the check in the mail.’
Coetzee publiceert zijn romans sinds lange jaren eerst in het Nederlands, in zorgvuldig door hem geredigeerde vertaling (bij zijn uitgeverij Cossee), voordat ze in hun oorspronkelijke taal, het Engels, verschijnen. Een genereus gebaar waarom Nederlandse lezers de stugge Zuid-Afrikaan in hun armen sluiten. Kennelijk houdt hij in het bijzonder van ons en daarom houden wij van hem, of is het andersom? Hoe dan ook, de vraag naar het geheim van deze schrijver lijkt onontkoombaar: hoe weet hij ons te vermurwen, en als het geen vermurwen is: waarmee grijpt hij ons bij de keel?
Coetzees romans zijn ernstig en beschouwelijk, wars van literair vertoon of effectbejag en bovenal behoorlijk somber en misantropisch van aard.
Laten we om te beginnen vaststellen dat Coetzees romans ernstig en beschouwelijk zijn, wars van literair vertoon of effectbejag en bovenal behoorlijk somber en misantropisch van aard. Humor, ironie en satire zijn hem nagenoeg vreemd. Portret van een jongeman uit 2002, een min of meer autobiografisch portret van Coetzee rond zijn twintigste, behoort tot de donkerste en meest illusieloze literatuur die ik ooit las. Wat de protagonist ook aanpakt, baantjes in Londen, vrouwen in bed (best veel, welgeteld), hoge dichterlijke aspiraties, alles is bedekt met een grauwsluier. Een eerdere roman, Jongensjaren (1997), ook autobiografische fictie, is nauwelijks opgewekter.
David Attwell schreef onder de titel Het universum van J.M. Coetzee een studie over het ontstaan van zijn werk. Hij constateert dat Coetzee zijn romans meestal dicht bij huis begint en allengs verder van huis raakt. Die autobiografische kern vermoed je in veel van zijn boeken, zelfs in een roman als Elizabeth Costello, waarin hij zich als het ware vermomd heeft als schrijfster.

Misschien is het belangrijkste en boeiendste wat Coetzee ons te bieden heeft wel het temperament van zijn hoofdpersonen, veelal schrijvers of schrijvers in wording. Temperament in de neutrale betekenis van het woord want gepassioneerd of theatraal zijn ze zelden; hoogstens hebben ze last van driftbuien, zoals David Lurie in In ongenade en Elizabeth Costello, over wie we lezen: ‘Het is iets wat ze zichzelf altijd heeft kwalijk genomen, deze neiging tot opvliegendheid.’ Een kleine karakterzwakte in wat we in het algemeen eerder een rationeel, teruggetrokken, introvert temperament mogen noemen: ‘Hoe zou een wezen van het soort waartoe ik leek te behoren – gereserveerd, kalm, solitair -– ooit goed kunnen worden in een spel waarin een heel ander karaktertype leek uit te blinken: nuchter, onbedachtzaam, strijdlustig?’ schrijft de hoofdpersoon, de schrijver C., uit Dagboek van een slecht jaar (2007) over zichzelf, een hoofdpersoon die met Coetzee zelf in elk geval zijn initiaal en zijn schrijverschap gemeen heeft.
De nerd
‘Vanaf het begin denkt Coetzee via vrouwen,’ schreef Jacq Vogelaar eens, maar daar ben ik het niet mee eens. Volgens mij denkt Coetzee van meet af aan via de stille, bedachtzame mens, de denker, de nerd misschien wel.
In The Lives of Animals (‘Dierenleven’) uit 2001 betoogt Coetzee dat het leed dat de vleesverwerkende industrie aanricht in de dierenwereld alleen te vergelijken is met het leed van de vernietigingskampen van de nazi’s. Dat werd hem uiteraard door velen niet in dank afgenomen, maar het thema dierenleed en -rechten komt ook in zijn romans veelvuldig terug. Zo herhaalt Elizabeth Costello vrijwel letterlijk Coetzees standpunt: ‘Maar ze was een stap verder gegaan, een stap te ver. Het afslachten van de weerlozen wordt overal om ons heen herhaald, dag in dag uit, had ze gezegd, een slachtpartij die in omvang of gruwelijkheid of morele draagwijdte niet onderdoet voor wat wij dé holocaust noemen: toch sluiten we daar liever onze ogen voor.’ Ook in In ongenade speelt het probleem een rol als de weggevluchte David Lurie zich inzet voor de dierenbescherming en daarbij gedwongen wordt dieren af te maken, en in Dagboek van een slecht jaar schrijft de hoofdpersoon een kritisch essay ‘Over het slachten van dieren’. Niet toevallig was Coetzee lijstduwer van de Partij voor de Dieren bij de Europese verkiezingen van 2014.
Voor mijn gevoel heeft Coetzees anti-antropocentrische gedachtengoed, waarin hij dieren dezelfde rechten toedenkt als mensen, alles te maken met zijn verwerping van de suprematiegedachte van de blanken in zijn geboorteland Zuid-Afrika. In elk geval lijkt hij weinig op te hebben met de mens als heer der schepping. Trouwens, hij verwerpt superioriteitsgedachten in het algemeen; zo geloven Coetzees protagonisten ook nadrukkelijk niet in God. Zijn jongste roman, De schooldagen van Jezus, valt te lezen als verwerping van het christelijk gedachtegoed.
Animale driften
Daarentegen spelen animale driften een belangrijke rol. Seks bijvoorbeeld is een opmerkelijk dominant motief in al zijn romans, zeker als je het gereserveerde, soms regelrecht asociale karakter van de gemiddelde Coetzee-‘held’ in aanmerking neemt. Let wel, seks en niet per se liefde of erotiek. In In ongenade heeft David Lurie het in regel één al over ‘het probleem van de seks’. En verder: ‘Dat begeerte een last is die we beter kwijt zouden kunnen zijn.’ Seks lijkt te ressorteren onder lichamelijke noodzakelijkheden, zoals eten en drinken. Lurie zoekt het dan ook in de betaalde en ongelijke liefde.
In Portret van een jongeman lezen we: ‘Wat seks betreft is hij niet geheel ongeschoold. Als de man niet van het liefdesspel heeft genoten, zal de vrouw er ook niet van genoten hebben – dat weet hij, dat is een van de regels van seks.’ Seks is dus een min of meer door regels omgeven verschijnsel, waar je zelfs à contrecoeur aan moet voldoen. In het vervolg van zijn levensverhaal zal de jongeman geregeld seks en zelfs enige langduriger relaties hebben, maar uiteindelijk wordt het allemaal niks, het ontbreekt hem aan passie en hartstocht. Zijn mislukkingen in de liefde brengt hij zelfs in verband met zijn falen als schrijver: ‘Wat heb je als minnaar, als schrijver meer nodig dan een soort stompzinnige, ongevoelige koppigheid, gepaard aan de bereidheid om de ene mislukking na de andere te incasseren.’
Ook in Dagboek van een slecht jaar speelt gefnuikte seks een belangrijke rol. De oude schrijver neemt een mooie Filippijnse in dienst om zijn essays uit te typen, hij valt nu eenmaal op haar achterwerk en is in zijn dagboek openhartig over zijn lustgevoelens voor haar, al laat hij ze aan haar zo min mogelijk blijken. Heel even omarmen ze elkaar, bijna schuchter, maar de betrekking blijft platonisch. In dit boek komen ook beschouwingen voor over pedofilie en pornografie, waarin de schrijver opmerkt: ‘Een zaak als seks van docenten met leerlingen brengt tegenwoordig zo’n sterke golf van afkeuring teweeg dat zelfs het uiten van het geringste woord ter verdediging ervan (precies) hetzelfde effect heeft als tegen de golf in zwemmen en voelen hoe je nietige slag wordt overweldigd door een reusachtige watermassa die je optilt en achteruit sleurt.’ Ook hier weer die neiging tegen populaire meningen in te druisen. Onwillekeurig komt het verhaal van In ongenade in je op, waarin professor Lurie van de universiteit wordt geschopt omdat hij het met een studente heeft gedaan. Maar steeds ontbreekt het aan echte passie, aan liefde en wordt het verschijnsel geregeerd door ratio. ‘De behoeften des lichaams benadert hij als een zaak van eenvoudig gezond verstand’ staat er in Portret van een jongeman. En in Elizabeth Costello: ‘Altijd is het het lichaam, denkt ze, waar de nadruk op wordt gelegd.’
Zelden is de liefde in Coetzees romans veel anders dan puur lichamelijke versmelting, Lurie met z’n hoertje en z’n veel te jonge studente, z’n dochter zwanger van haar verkrachter, de jongeman en zijn illusieloze bedpartners, Elizabeth Costello, oud en alleen, David en Ines uit de recente Jezus-romans, die net zo makkelijk weer uit elkaar gaan.
‘Hij bewijst iets: dat ieder mens een eiland is; dat je geen ouders nodig hebt.’ Dat wordt gezegd van de jongeman uit Portret van een jongeman.
Vier verhaallagen
Dat de mens een eiland is, komt behalve in het amoureuze op verschillende andere manieren tot uiting in Coetzees werk. Het sterkst wel in Dagboek van een slecht jaar, een liefdesgeschiedenis tussen de schrijver C. en zijn typiste Anya. Het boek heeft een opmerkelijke constructie, het bestaat namelijk uit drie, her en der zelfs vier verhaallagen (de essays van C., C’s eigen dagboekstem, Anya’s stem en een tijdje lang ook de stem van Anya’s vriend Alan) die je synchroon leest, op iedere pagina onder elkaar. Dat is bijzonder vermoeiend, je kunt niet doorlezen, eigenlijk lees je drie, vier verhalen door elkaar; vergelijk het met een film met totaal verschillende ondertitels. Het lijkt me een experiment dat veel schrijvers wel eens zouden willen uithalen maar dat ze niet durven, en of het helemaal geslaagd is, weet ik niet; het verhindert je in elk geval je in een van die lagen helemaal vast te bijten.
Anderzijds krijg je de totaal verschillende wereldbeelden en gedachten van drie personen in dezelfde situatie goed in beeld: de keurige Montaigne-achtige essays van C. (‘Over terrorisme’, ‘Over het lichaam’), apart daarvan zijn gesublimeerde lustgevoelens voor Anya (‘Ze heeft pikzwart haar, welgevormde botten. Iets van een gouden glans op haar huis, geglaceerd zou het woord kunnen zijn.’) Anya’s eigen praktische kijk op de zaak (Oeps, dikke mik, gaap!), de smalende cynische opvattingen van haar vriend Alan (‘Het probleem van die señor C. van jou is dat hij niet structureel kan denken. Overal waar hij kijkt wil hij persoonlijke motieven zien.’) Drie stemmen, drie ideeënwerelden, drie eilanden.
Moeizaam en eenzaam
In andere romans lijken de hoofdpersonen in een soort ballingschap te leven. Portret van een jongeman geeft het beeld van een jonge Zuid-Afrikaanse volwassene die zich moeizaam en eenzaam door Londen beweegt. In In ongenade vlucht professor Lurie van Kaapstad naar de Oostkaap, van de stad naar het platteland. Elizabeth Costello, uit Australië, reist over de hele wereld. In De kinderjaren van Jezus en het kakelverse De schooljaren van Jezus treffen we de vluchtelingen Simon en zijn min of meer geadopteerde zoon David aan op weg náár en vervolgens ín het nieuwe land (Chili). En binnen dat gezin voelt David, zich ook weer een eenling, met zijn ‘Jullie weten niet wie ik ben’, en als antwoord op de vraag wiens zoon hij is: ‘Van niemand.’ Maar ja, hij is dan ook de Jezus in het verhaal, een Jezus die overigens het tegendeel beweert van de traditionele Messias, namelijk dat het beter is te nemen dan te geven en dat vergiffenis nergens toe leidt, een nogal nietzscheaanse Jezus dus. Je moet overigens wel flink op de hoogte zijn van de bijbel om deze in feite antichristelijke gelijkenis te kunnen ontwarren.
Enfin, ieder voor zich, ver van z’n geboortegrond; het lijkt de illustratie van Rilkes regel ‘Ich habe keine Geliebte, kein Haus, keine Stelle auf der ich lebe.’
Rilke is een van de vele schrijvers aan wie Coetzee zich schatplichtig voelt, zoals ook aan Montaigne, Wordsworth, Ezra Pound, T.S. Eliot, Henry James, James Brodsky, Ford Madox Ford en vele anderen naar wie hij in zijn romans verwijst. Tegenover de eenzaamheid van het individu staat in elk geval de veelkoppige literatuur.
Een milde treurnis
De mens mag dan verre van de kroon op de schepping zijn, hij maakt er wel een centraal deel van uit. Je kunt Coetzees romans heel goed lezen als een commentaar op mens, moraal en maatschappij. Dat maakt denk ik ook de kracht ervan uit, het is weliswaar literatuur maar er lijkt ook een soort moreel kompas in zijn werk te zitten. Een kompas dat niet zozeer de weg wijst alswel ons laat weten dat er niet zoiets als een voordehandliggende weg is. De schrijver confronteert ons voortdurend met onze aannames. ‘Ik schrijf voor rusteloze zielen,’ zegt een van zijn alter ego’s ergens, rusteloze zielen die vergeefs op zoek zijn naar waarheden en ankers.
Of het nu om seks gaat, om de mens als goed en humanitair wezen, om dierenleed, terrorisme of democratie, altijd weigert Coetzee het makkelijke antwoord te geven.
Onmiskenbaar heeft Coetzees eigen achtergrond in verscheurd Zuid-Afrika te maken met zijn paradoxale want individualistische engagement. In ongenade maakt voor een deel zo’n indruk omdat het de tegenstelling blank-zwart op een indringende manier in beeld brengt. Lurie is geen racist maar toch voel je dat hij de zwarte kompanen van zijn dochter Lucy niet vertrouwt. Ook de euforie in Zuid-Afrika na de schijnbare verzoening tussen blank en zwart (inmiddels al weer ver weg trouwens) wordt door Coetzee niet gedeeld. ‘Er hangt een milde treurnis over het hele land. Als een wolk. Als mist. Maar er is niets aan te doen, niets wat hij kan bedenken,’ lezen we in het korte verhaal ‘Nietverloren’.
Omzichtige man
Op een zelfde manier lijkt Coetzee over de hele maatschappij om ons heen te denken. Homo homini lupus, schrijft hij in navolging van een van zijn helden Thomas Hobbes. Tegelijkertijd wil hij best aan een vreedzame harmonieuze wereld denken, maar in de praktijk komt hij er niet uit. In een essay ‘Over anarchisme’ laat hij schrijver C. schrijven: ‘De alternatieven zijn niet kalm knechtschap aan de ene kant en opstand tegen het knechtschap aan de andere. Er is een derde weg, die duizenden en miljoenen mensen dagelijks kiezen. Dat is de weg van het quiëtisme, van doelbewust vaagheid, van innerlijke emigratie.’ Misschien wel de weg die hijzelf het liefst inslaat want zwart-wit denken is er bij hem niet bij.
Zo benadert hij ook de grote problemen van dit wat hij ergens noemt ‘puriteinse tijdsgewricht’. Er zou een apart boek te componeren zijn van de politiek-maatschappelijke opmerkingen en opvattingen die Coetzee door zijn romans strooit. Met name in Dagboek van een slecht jaar, gedeeltelijk essaybundel, kun je zijn stem goed horen. Over democratie bijvoorbeeld: ‘“Het verspreiden van democratie”, zoals de Verenigde Staten dat nu in het Midden-Oosten doen, betekent het verspreiden van democratische regels.’ Hoe ironisch, denkt C., vrijheid en regels! Of hier, in het essay ‘Over terrorisme’, waarin de schrijver probeert een goed woord over te hebben voor islamitische terroristen ‘omdat, hoewel het van grote hoogte bommen laten vallen op een slapend dorp net zo goed een terreurdaad is als zichzelf opblazen in een menigte, het volstrekt legaal is om een goed woord over te hebben voor luchtbombardementen (Shock and Awe, letterlijk “schokken en ontzag inboezemen”)’.
Of het nu om seks gaat, om de mens als goed en humanitair wezen, om dierenleed, terrorisme of democratie, altijd weigert Coetzee het makkelijke antwoord te geven. Vandaar dat Kayzer zoveel moeite had iets uit deze omzichtige man te trekken. Zijn lezers daarentegen snappen het volledig, de waarheid ligt niet eens in het midden: ‘Ik geloof alleen tijdelijk ergens in: ergens vast in geloven zou me belemmeren. Ik verander van geloof zoals ik van woning of kleding verander, al naargelang mijn behoefte’ (Elizabeth Costello).
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.