Novelle / ‘Treindromen’

‘Treindromen heeft mijn leven veranderd. Net als alle goede boeken heeft het me rijker en bedachtzamer gemaakt,’ zegt Michael (The Hours) Cunningham op de achterflap van de Nederlandse vertaling. Die kende ik nog niet. Andere aanprijzingen van writer’s ­writer Denis Johnson wel. De eerste kwam zo’n vijftien jaar geleden van Don DeLillo, toen ik hem na afloop van mijn interview om zíjn lees­tip vroeg. Dezelfde naam kreeg ik later te horen, wederom na interviews, van de Ameri­kaan­se schrijvers Charles Frazier en Jeffrey Eugenides. Hun aanbevelingen richtten zich niet op één boek: de een adviseerde Johnsons verhalenbundel over junkieleed, Jesus’ Son (1992), de ander zijn poëzie of essays.

Fraziers woorden (‘Johnson is literair de beste leerling van Cormac McCarthy’) inspireerden me destijds direct tot een bezoek aan de nabije boekhandel, maar dat filiaal deep down Florida had niks van Johnsons respectabele oeuvre in voorraad. Daarna liet ik het zitten, er is tenslotte altijd iets nieuws te lezen, wat dat betreft leven we in een tijd met een kort geheugen. Ook om Johnsons lyrisch ontvangen Vietnam-oorlogsroman Tree of Smoke (2007) liep ik heen, want ik had urgenter andere boeken te lezen dan die turf van meer dan zeshonderd pagina’s.

Nu Johnsons novelle Train Dreams op de valreep van 2012 vertaald is, heb ik spijt van die nalatigheid: vanwege de zeldzame kwaliteit van dit proza over het bestaan van de dagloner Robert Grainier in het ingrijpend veranderende Ame­ri­kaanse Westen van begin twintigste eeuw. Een natuurwet gebiedt tenslotte om na zo’n indringende leeservaring, op zoek naar almaar méér van datzelfde, alles wat los en vast zit van zo’n schrijver te lezen. Johnson (1949) heeft eenentwintig titels op zijn naam, dus we kunnen vooruit.

Die bibliografische informatie staat overigens niet in het binnenwerk van Treindromen. Even­min staat daar dat Johnsons novelle in 2002 verscheen in het literaire kwartaaltijdschrift Paris Review. Goed, de herdruk van Train Dreams verscheen onlangs voor het eerst als zelfstandige uitgave, zo bezien is het boek nieuw. Maar in Johnsons oeuvre is het niet zijn meest recente proza.

De flaptekst van Treindromen rept over de protagonist Robert Grainier als ‘een gewone man in buitengewone tijden’. Dat klopt, in zoverre dat de aanleg van de spoorwegen een eind maakte aan de Amerikaanse frontier en dus aan het Wilde Westen. De nieuwe tijd rukte beschavend op en dat zien we gebeuren aan de hand van Grainiers leven, hij wordt over de tachtig, we maken hem mee tot zijn dood in 1968. Proble­matiek die eerder magistraal literair verbeeld is in met name het slotdeel (Cities of The Plain) van Cormac McCarthy’s The Border-trilogie.

Maar het unieke van Treindromen is nu juist dat Grainier die inderdaad buitengewone tijden niet als buitengewoon beschouwt – integendeel. Hij accepteert het leven zoals het zich aan hem voltrekt, zonder al te veel reflectie. Als een treinreiziger die in te korte tijd het ene na het andere ongekende landschap voor de kiezen krijgt. Hij bekijkt het nuchter: aan het eind van zijn leven is hij een man die één maal van een vrouw gehouden heeft, die hij net als hun dochtertje verloren heeft. Hij heeft een stuk grond bezeten, een hut verloren aan een bosbrand, een nieuwe hut gebouwd. Hij was ooit eigenaar van een span paarden – zulke materiële zaken ‘vangen’ zijn leven, vindt hij. Hij heeft gewerkt bij de aanleg van de Spokane Inter­national Railway in het noordelijkste punt van Idaho. Verder heeft hij bomen gekapt, totdat die zware arbeid hem fysiek niet meer mogelijk was. Mensen versleten voortijdig in die harde omstandigheden.

Soms heeft Grainier een beetje spijt dat hij niet op tijd gehandeld heeft. Zo realiseert hij zich op zijn oude dag dat hij niets weet van zijn afkomst. Als minderjarige wees is hij eind negentiende eeuw op de trein naar Idaho gezet, dat is zijn vroegste herinnering. Naar verluidt sprak hij alleen Frans, misschien kwam hij uit Canada. Maar degenen die opheldering kunnen verschaffen, zijn inmiddels dood of geestelijk niet scherp meer.

Een vervloeking

Je kunt Treindromen een liefdesverhaal noemen of de geschiedenis van een eenzaat. Je kunt eruit aflezen hoe de oprukkende techniek een einde maakte aan een magisch (beleefd) tijdperk. Het is een verhaal dat zich afspeelt tussen polen: wildernis en beschaving, dreiging en tederheid. Dat klopt, allemaal.

Toch heeft het iets geforceerds om Johnsons novelle tot zo’n enkele kapstok terug te voeren. Zo’n aanpak staat diametraal op wat hijzelf doet in dit spirituele proza, dat principieel weigert te transcenderen. Eigenlijk bestaat Trein­dromen uit een verzameling losse scènes, waarbij de chronologie van ondergeschikt belang is. Dan weer wordt iets gezegd over Grainiers latere levensjaren of wordt er een sprong in de tijd gemaakt. En even later zijn we toch weer terug bij de hoofdmoot: de gebeurtenissen vanaf de zomer van 1917 wanneer het verhaal begint.

We komen die wereld binnen via een gewelddadige scène: drie mannen van de spoorarbeidersploeg sleuren een Chinees die van diefstal beschuldigd is naar een brug op vijftien meter hoogte boven een rivier. Daar moet hij vanaf gegooid worden, een wisse dood tegemoet. De Chinees biedt fors weerwerk en Grainier schiet zonder enig nadenken zijn medeblanken te hulp. Op wonderbaarlijke wijze ontkomt de Chinees, waarbij hij van alles roept in zijn landstaal. Een vervloeking, vreest Grainier.

Die komen niet uit, weet de eenentwintigste-eeuwse lezer die wars is van magisch denken. Maar Treindromen wrikt aan die geharnaste rationaliteit. Want kort daarna verliest Grainier zijn vrouw en dochtertje aan een brand. En verderop in het verhaal gebeuren de vreemdste dingen, die voor waar worden aangenomen. Zijn overleden vrouw bezoekt Grainier in een levensechte droom om hem te vertellen dat hun dochter – ten tijde van de ramp een baby – nog in leven is. Weer later ontmoet Grainier een man die zegt dat hij door zijn hond is neergeschoten. Vervolgens vindt hij een gewond wolfsmeisje en herkent daar zijn dochter Kate in. ‘Niet langer-Kate lag op haar zij, haar linkerpoot gekromd, met onder de knie versplinterd en bloedig bot dat uitstak; gewoon een kind dat uitgeput was van het kruipen op twee handen en één voet en het achter zich aanslepen van het verbrijzelde been.’ Hij spalkt haar, en de volgende ochtend als een trein tijdens Grainiers slaap door het dal rijdt, springt ze het raam uit. Ze hapt naar de windsels om haar poot. ‘Hij nam zich voor haar spoor te volgen en haar terug te brengen, maar dat heeft hij nooit gedaan.’

Magie in rauw realisme

Op dezelfde manier, als iets dat gegeven is door het leven, beziet Grainier alles, met ingehouden verdriet, onsentimenteel, zonder al te veel verwondering, laat staan gedachten. Wat we na lezing van dit verhaal vol geconcentreerde magie ingebed in rauw realisme overhouden, zijn uit scènes opdoemende beelden.

Via die beelden zien we de loop van de tijd: bij het begin van dit verhaal slaapt Grainier in een legertent die nog dienst heeft gedaan in de Burger­oorlog, als oudere man ziet hij Elvis Presley in een trein. Dat zijn dan nog realistische beelden, vaker nog zijn ze hallucinant. Tezamen volvoeren die beelden het kunststuk: ze brengen de lezer naar een ongekende, mythische wereld, die intenser aandoet dan de onze.

***** Denis Johnson, ‘Treindromen’, vertaling Maarten Polman, Anthos, 93 p., € 12,95