‘De Constantijn Huygensprijs – dat onderwerp lijkt mij te vanzelfsprekend. Ik wil het hebben over iets wat mij op een andere wijze diep heeft geraakt. Een van mijn kleindochters, zij wordt in december dertien, was al als klein meisje zeer begaafd, een wonderkind. Zij leerde zichzelf, lang voordat ze naar school ging, op de computer lezen en schrijven. Ik was verbaasd. Toen zij eenmaal naar school moest, was zij zeer voorlijk. Alles deed ze meteen goed, ik was trots. Later begreep ik dat er ook schaduwkanten aan zaten. Zij werd getest. Hoogbegaafd, met de wonderlijke toevoeging “en niet zo’n beetje ook”. Er werd veel druk uitgeoefend op mijn dochter om het meisje een klas te laten overslaan. Mijn dochter wilde dat niet, maar ging uiteindelijk overstag. Dat gebeurde aan het eind van de basisschool. Mijn kleindochter hing tussen twee klassen in. Toen merkte je dat ze erbuiten viel. Ze werd gepest en getreiterd, was het zwarte schaap. Daarna ging ze naar het gymnasium en daar ging het echt mis. Zij haalde slechte cijfers, terwijl zij daarvoor alleen negens en tienen scoorde. Zij wilde niet meer naar school, zag het nut van klassieke talen niet in. Ze zei, ze was elf jaar: “Ik wil wel kok worden in Rome, maar niet de ruïnes van de tempels van Hadrianus bestuderen.” Het leek een parallel met mijn leven. In de vierde klas van het lyceum kreeg ik er ook genoeg van. Maar mijn vader zei: jij gaat niet van school af, tenzij met een diploma.
Het jaar van A.L. Snijders, schrijver
