Beschouwing / Geerten Gossaert en Richard Minne

Oude dichters, van voorbije jaargangen en verdampte stromingen, moeten het meestal niet hebben van hun verzamelde werk maar van een handjevol evergreens. De rest is vaal geraakt en verschoten. Dat geldt voor allengs weggedeemsterde dichters als Hendrik de Vries en Marsman, maar het geldt eveneens voor grootheden als J.C. Bloem en Martinus Nijhoff.

Des te bijzonderder als je met een klein oeuvre overeind blijft. Dat is het geval bij Geerten Gossaert (1884-1958) en Richard Minne (1891-1965), twee dichters uit het interbellum. Gossaert produceerde gedurende zijn hele leven slechts één bundel, Richard Minne maakte er twee. Toch hebben beiden met die paar verzen de tijd overleefd.

Daarmee houdt hun overeenkomst overigens wel zo’n beetje op. Groter contrast dan tussen Gossaert en Minne is nauwelijks denkbaar, Gossaert de Nederlander, calvinistisch, streng en klassiek, Minne de Vlaming, ironisch, relativerend en speels. Ook tussen de beide wereldoorlogen bloeide de Nederlandstalige dichtkunst op heel diverse wijze.

Geerten Gossaert is een van de opmerkelijkste dichters uit de vorige eeuw. Voor onvoorbereide lezers lijkt zijn werk niet meer om door te komen, zo provocerend klassiek, zo gemaakt ouderwets, zo vervuld van verhevenheid is het, dat het frontaal botst met de gedemocratiseerde poëzie van tegenwoordig. Wie zich er desondanks (zoals opmerkelijk genoeg Hafid Bouazza) in wil begeven moet zich wapenen met een flinke dosis historisch besef en doorzettingsvermogen om tot de geestelijke kern ervan door te dringen. Maar dan heb je ook wat!

Gossaert pleegde één bundel, Expe­ri­menten geheten. Die verscheen voor het eerst in 1911, maar breidde zich bij volgende drukken gedurende tientallen jaren steeds uit, tot er ten slotte zestig gedichten in stonden. Dat is alles, op wat verspreide verzen na en het vermoeden van een erotisch schaduw-oeuvre uit zijn studententijd. Gossaert maakte onder zijn eigen naam, Gerretson, nog een carrière, in de wetenschap en de politiek, maar zijn dichterschap bleef na Experimenten steken.

Wie bij zo’n titel aan experimentele gedichten à la Van Ostaijen of Marsman denkt, zit er helemaal naast, Gossaert greep juist terug op oude vormen, op de bulderbassende Bilderdijk met name. Zijn ‘experiment’ betrof de uitdrukking van zijn zielsconflict, hij experimenteerde met zijn aanvechtingen en gevoelens, niet met vorm en taal.

Het is poëzie die haaks staat op het ideaal van de aan hem voorafgaande Tachtigers met hun allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emoties, met hun impressionisme en ik-gerichte lyriek. Gossaert wilde daarentegen een klassiek dichter zijn, van gelouterde vormen en van een volmaakte dictie: ‘In de poëzie schijnt mij een welbegrepen en zuiver gebruik der klassieke beelden verre te verkiezen boven het thans in zwang zijnde tot elken prijs opjagen van nieuwe beelden, waardoor men uit vrees voor het schon-dagewesene allicht in eene andere valschheid, een valsche originaliteit, vervalt.’ Niks nieuwigheden en probeerseltjes dus. ‘Bezielde rethoriek’ noemde hij zijn eigen taal. Het sonnet van de Tachtigers zette hij bij de vuilnis, naast hun dichterlijke vrijheidsdrang: ‘Schoon ik u haat, sonnet, nu elk verwaten / De Godsfluit blaast en meent een God te zijn.’

Tegenover de romantische schoonheidsaanbidding van Kloos en zijn kliek stelde hij een zoektocht naar geluk en inzicht, vaak met een christelijk sausje. En net als Roland Holst bezong hij niet zijn eigen gemoedsaandoeningen maar verhulde ze in mythische gestaltes, waarachter je de dichter mocht vermoeden: de pelgrim die zijn werk als een kap tegen de wereld opzet, Icarus wiens hoogmoed voor de val komt, de boulevardier die een zwaluw de kerk uit ziet vliegen.

Voor lezers van nu is het meest opmerkelijke aan ’s mans werk allicht zijn uitgesproken afkeer van democratie. Gossaert was een aartsreactionair, net als J.C. Bloem, hij had Groot-Dietsche idealen en sloot zich aan bij de antidemocratische Nationale Unie. De grote volksmassa karakteriseerde hij als ‘het gemeen’, in zijn beroemdste gedicht ‘Eis Daimona’ bijvoorbeeld: ‘Hoort… om mijne eenzaamheid / Hoont u ’t gemeen.’ In ‘De stervende pelgrim’ heeft hij het zelfs over gieren die op zijn werk zouden afkomen.

Gossaerts kende zijn plaats als dichter precies, hooghartig jegens de gewone man, ootmoedig tegenover God. J.C. Bloem, die het soms raak kon zeggen, had het in dat verband over ‘verwaande nederigheid’, die hij Gossaert overigens direct ook weer ontzegde, ten onrechte dunkt me.

Liever dan democraat was Gossaert outcast. ‘De oude Indiërs zagen het goed. Zij sloten den kunstenaar buiten de kasten. Evenals de hoeren behoorden de dichters tot de paria’s.’ Vandaar ook een vers als ‘In meretricem nimis immaturam’ (aan een te jonge hoer) waarin hoer en dichter zich empathisch met elkaar verstaan, en waarin de ‘Poëta’ uitroept: ‘Mijn zuster die ik nimmer kende?… / Gij, steeds tot liefdes werk bereid! / O, waarom in uw rijke ellende, / Bespot gij míjne ellendigheid?’

Om zich modale lezers van het lijf te houden, ontwikkelde Gossaert een opzienbarend elitair en ouderwets taalgebruik, opgebouwd uit een ratjetoe aan latijn, ongebruikelijke genitiefconstructies, inversies, archaïserend Nederlands en andere stijlverouderingen, die in de jongste, wetenschappelijke editie van Experimenten een hele verklarende woordenlijst vergen. Zo spelde hij ‘saizoen’, en ‘langsaam’, wat ook in zijn tijd al eerder achttiende- dan twintigste-eeuws klonk, hij had het over ‘werwaarts’ en ‘zoore voeten’ en strooide met zinnen als ‘mij loech een lief gelaat ter peluw mijner borst.’ Dat alles pantserde hem tegen snel en oppervlakkig begrip.

Met Freud zal Gossaert niet veel hebben opgehad maar achter al zijn hoogdravendheid ging, de zielknijpers raden het al, een getormenteerd, innerlijk schuil. Je proeft zijn hartstochtelijk zoeken naar het paradijs, maar ook zijn gevoel gekooid te zijn. Niet schoonheid bezingt hij maar het moeizame en stekelige: ‘Niet onzer de teedere rankheid / Van tengeren eendagsgroei; / Niet onzer de vluchtige schoonheid / Van der roze zoetrokigen bloei’ maar ‘Heil u, volschoone beminde! / O distel, scherp als het wee / Van de wintersche, wereldsche winden, / En zilt als het schuim der zee.’ Het is poëzie vol contrasten, van grote passie en verlangen naar stilte, van een voortdurende strijd tussen emotie en ratio: ‘Mijn laai verlangen broeide / Tot doelgerechte daad in ‘t mijmergraag gemoed.’

Zijn verzen hebben iets sadomasochistisch, ze zijn gebrouwen van ‘leed en lust en hartstocht van verlangen’. Als bijvoorbeeld weemoed en nostalgie de overhand krijgen hunkert hij naar de geestdodende seniliteit die niets meer meemaakt (‘Laus senilitatis’). In ‘De badende herderin’ bespiedt hij met welbespraakte geilheid een naakte vrouw. En in ‘De coma Berenicis’ beschrijft hij een vrijpartij inclusief afsluitende pudeur:

Lang mij nog ééns den vollen kroes

Van liefde’s zoeten zwijmelwijn:

Mij hunkert naar den diepen roes

Van in ú zèlfvergeten zijn.

Ontbind den wrong: aleer het duistre

Maak mij de toorts der min bereid,

Wier rosse gloed ’t albast omluistre

Van uwe naakte heerlijkheid:

Opdat, wanneer ons ’t ochtendklaren

Uit onzen donkren sluimer wekk’

De ontucht dier ontbonden haren

Ten sluier uwer schaamte strekk’.

Het is die demonische kant van Gossaert, zijn twijfelachtige moraal, waardoor zijn werk blijft boeien: christelijk, klassiek, streng van buiten maar van binnen extreem individualistisch met een baaierd aan tegenstrijdigheden en aanvechtingen, van vrome gebeden maar ook van nauwbedwongen verdorvenheid.

Het is zelfs maar de vraag of dat befaamde ‘Eis Daimona’, altijd gelezen als een verootmoediging voor God, niet veeleer een bede aan de duivel is. Wie zijn werk leest, kan zich in elk geval goed voorstellen dat hij ook de auteur is van priapeeën als deze: ‘Uw zijden rokken had Gij opgeslagen / Wijl uwe vingren zichtber bleven ragen / In ’t vochte rozendal van uw vagijn / Met schuim als van een kostbren jongen wijn.’ Dat gedicht staat overigens niet in deze jongste editie van Experimenten want Gossaerts auteurschap blijft ongewis.

En daarnaast schreef hij dan weer verzen die zo het Liedboek der Kerken in kunnen: ‘Geboren tot verlangen, / Gelouterd tot geduld, / Hebt Gij, in mijn gezangen, / Uw melodie vervuld.’ Met al die andere verzen eromheen geloof je zoiets eigenlijk nauwelijks.

Het is al met al, ingewikkeld verpakt, een spannend, contrastrijk dichterschap van een verscheurd en tegenstrijdig mens die met eeuwenoude woorden een modern soort existentiële crisis bezweert. Hoe arrogant ook, Gossaert had oog voor de menselijke nietswaardigheid en nutteloosheid en tegelijk voor diens eindeloos verlangen:

Dood, Dood, die ons te Leven liegt!

Maar nimmer kùnt ge weren,

O Schoonheid, van uw dóóden mond,

De drift van ons begeeren!’

Leg naast dat strenge gedoe van Geerten Gossaert eens de poëzie van Richard Minne. Minnes eerste bundel, uit 1927, heette In den zoeten inval en dan zit je direct in de herberg, midden tussen het volk, terwijl het natuurlijk ook om dichterlijke invallen gaat. Geen klassiekerig taalgebruik en strenge vormbeheersing die de gevoelens moeten beteugelen maar een temperament dat zich direct en soms ruwhartig uitspreekt, bijvoorbeeld over de al te vrome natuurliefde van voorvader Guido Gezelle:

Als ’t nood doet, janverdomme,

zullen wij als Gezelle,

van den blauwvoet en de blomme

vertellen;

van Maria en Ons Heer,

en nog veel dingen meer,

kleine en grote;

maar anders gegoten,

anders gehamerd en gevijld;

van den ketter en den blootvoet,

van den kromme,

scheef geschoold en dweers gestijld;

– als ’t nood doet,

janverdomme

Minne was, voor hij zich als dichter manifesteerde, enige tijd boer en dat merk je aan zijn vertrouwdheid met het landleven. Zo is God voor deze gewezen landman niet de hoogste en enige instantie voor wie hij zich buigt maar meer een soort collega in het veld: ‘God werd moe en lastig. / Uren lang had hij geschapen: / tijgers, boterbloemen, / rhumatiek en rapen.’

Ook Richard Minne had niet veel op met de mentaliteit van de burgerman maar hij keek er niet op neer zoals Gossaert. Integendeel, met (misschien in onze ogen wel typisch Vlaams) opportunisme legde hij zich neer bij de alledaagse gewoonheid van het leven. In ‘Vade-mecum voor den dichter’ zondert hij de dichter wel af van het gewone dagelijkse leven, maar veroordeelt hem niet tot de ivoren toren:

Doe dommer dan ge zijt,

maar mijd u voor de klippen;

leef buiten ruimte en tijd,

doch spoed u lijk de kippen

Werk zonder mate of plan,

maar spied door alle luiken;

veracht den burgerman,

doch ledig zijne kruiken.

Richard Minne was geen experimentele modernist, hij hield zich verre van het expressionisme van zijn tijd waarin dichters nieuwe taalvormen uitprobeerden. In een van zijn vroege verzen associeert hij generatiegenoot Paul van Ostaijen, nogal flauw trouwens, met de kinderachtigste onomatopeeën: ‘kss kss prprprpr boem!’

Zelf hoorde hij meer thuis bij de aloude romantische richting. De naam van het tijdschrift dat hij met anderen oprichtte, Het Fonteintje, klinkt veelzeggend: klein geluk en verdriet, bescheiden ambities, een ironische kijk op de wereld.

Bij Gossaert moet je je door een woud van woorden heenploegen om tot de kern van zijn werk te komen, bij Minne is het juist omgekeerd, de lichtheid van zijn toon, zijn alledaagsheid zetten je nogal eens op het verkeerde been. Je ziet dan ook dat essayisten zich er vaak met een jantje-van-leiden afmaken. Minne is geen dichter voor de snijtafel en dus buigen weinigen zich er nog over.

Toch zitten ook in zijn werk addertjes onder het gras, of tenminste ringslangetjes. Neem een blijmoedig ogend geval als ‘Lentefanfare’:

De Lente komt zoo dapper aan.

Hobooien zijn ’t en zilveren fluiten.

De weduw kijkt voor ’t eerst weer buiten,

doet haar gekleurde jak weer aan.

Zoo zal de wereld blijde staan

vooral als bij het avondtuiten

weer de fanfare stapt naar buiten

met het bestuur er achter aan.

Maar de Pallieterachtige stemming wordt direct ook weer gerelativeerd door dat ietwat vergeefs klinkende ‘dapper’ bij Lente, en ook door het ‘bestuur’ dat achter deze fanfare aanloopt, koddig-burgerlijk en ter bezegeling van het haast dwaze karakter van het tafereel.

Gossaert keek neer op de massa maar ex-boer Minne doet ook niet echt mee met het volk, hoogstens kijkt hij er met een fijngevoelig glimlachje naar.

Daarmee zitten we toch weer dik in de aloude dichtersclichés. Shakespeare betreurde in zijn 29ste sonnet zijn ‘outcast state’, Baudelaire vergeleek de dichter met een lachwekkend waggelende albatros en bij onze eigen Slauerhoff en Nijhoff was de dichter nog altijd een woningloze of vervloekte. Ook in de zo totaal uiteenlopende oeuvres van Gossaert en Minne blijft die wereldafzijdigheid van de dichter voelbaar. Hoogstens kun je zeggen dat ze met hun uitzonderingspositie leerden omgaan, door een gevoel van superioriteit te kweken danwel met een schuin oog naar de realiteit te kijken.

Wie deze twee oude dichters driekwart eeuw na dato herleest bespeurt sterk hoe drastisch de poëzie na de tweede wereldoorlog eigenlijk ontzuild en geëgaliseerd is geraakt, met de aandacht voor het gewone van Kopland en Herzberg, de aardigheid van het alledaagse bij Barbarber, tot en met de huidige dichtkunst, waarin televisie, krantenberichten, reclameboodschappen en emoties van alle mensen aanstaan.

Dat alles dan ten koste allicht van, ja van wat? Misschien wel van dat traditionele eeuwige verlangen van de vroegere dichter waarover J.C. Bloem ooit schreef: ‘Door dat verlangen gedreven is het, dat wij ons vaak afkeeren van deze wereld, deze menschen, die ons dagelijks – ook de liefste onder hen – willens of onbewust wonden met hun hardheid of hun onbegrip. Niet evenwel als de vorige geslachten, die hun geheelen inzet op de materie hadden gewaagd, in somberen menschenhaat en duffe hopeloosheid, maar om hen uit de verte en uit de hoogte des te beter te beminnen.’

Gossaert en Minnes verzamelde gedichten komen er in elk geval nog onbesmuikt vandaan, uit de hoogte en de verte.

Geerten Gossaert, ‘Experimenten’, Bezorgd door Jaap de Gier, Nederlandse Klassieken, Prometheus/ Bert Bakker, 214 pagina’s, € 24,95

Richard Minne, ‘Verzameld werk’, bezorgd door Yves T’Sjoen, Van Oorschot, 384 pagina’s, € 17,50