Het is ook haar eigen geschiedenis, die van de voormalige bedelaars- en landloperskolonie Veenhuizen. Het minderwaardigheidsgevoel werd generaties lang doorgegeven, weet Suzanna Jansen, die er Het Pauperparadijs over schreef. Nu is er een theaterspektakel.

Op de binnenplaats van het voormalige bedelaars- en landlopersgesticht in het Drentse Veenhuizen loopt Suzanna Jansen tussen de decorstukken. Ze is nu nog alleen; straks zal deze plek zich vullen met de acteurs en muzikanten van Het Pauperparadijs, een voorstelling gebaseerd op haar gelijknamige boek dat in 2008 verscheen en meteen een bestseller werd. Weken brengt ze nu al in Veenhuizen door, omdat ze als initiatiefnemer en dramaturg nauw betrokken is bij het project. ‘Pfffft,’ zegt ze. ‘Weet je dat ik het elke dag raar vind om hier te zijn? Wij brengen ons verhaal precies op de plaats waar al die mensen vergeten en verloren hebben rondgelopen. Mijn overgrootvader Harmen zat hier gewoon, hier, op deze plek,’ zegt ze, wijzend naar de grond.

In het boek beschreef Jansen de geschiedenis van de voormalige bedelaars- en landloperskolonie Veenhuizen, ‘Hollands Siberië’ in de volksmond, waar haar eigen voorvaderen hebben gewoond. Tobias Braxhoofden was de eerste, in 1828 trok hij van Delft naar Veenhuizen om er bewaker te worden. Kort daarvoor waren in dit onontgonnen gebied drie gestichten verrezen, op last van generaal Johannes van den Bosch, die met zijn Maatschappij van Weldadigheid de armoede in Nederland wilde uitroeien. Duizenden zwervers werden overal in Nederland van de straat geplukt en ondergebracht in het verre Drenthe, waar ze het land moesten bewerken, en orde en tucht ondergingen in het kader van een heropvoeding. Op papier zag het er prachtig uit, maar Veenhuizen werd een geldverslindend project, dat hulpbehoevenden creëerde die buiten Veenhuizen een stigma hadden. Wie in Veenhuizen had gezeten, was uitschot.

Vrede en recht

Van de drie gestichten is alleen het Tweede Gesticht over en op de binnenplaats ervan wordt tot en met 7 augustus Het Pauperparadijs opgevoerd. Op zo’n onorthodoxe plek heet een toneelvoorstelling al gauw een ‘spektakel’, maar in dit geval is dat terecht. Er is een grote tribune gebouwd met aan de voet een podium, waarop Amsterdamse grachtenpanden staan, de Westertoren, het kerkje van Norg en nog wat huisjes en hutjes. Voor de première op 18 juni zijn al dertigduizend kaarten verkocht en half Veenhuizen staat op zijn kop. Op grote afstand van het gesticht wijzen borden de weg naar een immens parkeerterrein van ijzeren platen op de weilanden. Mensen uit de buurt helpen mee met de organisatie of treden tijdens de voorstelling op als figurant.

Duizenden zwervers werden overal in Nederland van de straat geplukt en ondergebracht in het verre Drenthe.

Ook de gedetineerden uit Esserheem, een van de twee gevangenissen in Veenhuizen, hebben een rol: ze hebben muziekinstrumenten en decorstukken voor Het Pauperparadijs gemaakt en in ruil is een deel van het verhaal in Esserheem opgevoerd. Het is een bewuste keuze deze mensen in te zetten, aldus Jansen, omdat de gevangenissen van nu zijn voortgekomen uit de bedelaars- en landloperskolonie van toen. Stapje voor stapje veranderde Veenhuizen in een strafkamp voor mensen die echt iets fouts hadden gedaan. Tot 1981 was het dorp zelfs zo goed als afgesloten van de buitenwereld zodat de gestraften vrij konden rondlopen – en schoffelen, harken of andere klussen doen. Sinds de openstelling kan iedereen zich in Veenhuizen vergapen aan wat eigenaardigheden uit het verleden. Zo bestaat het dorp uit vier kernen met hoofdzakelijk rechte wegen ertussen, een strakheid die dateert uit de beginjaren. Op oude bewakerswoningen staan stichtelijke teksten als ‘Vrede en recht’, ‘Flink en vlug’ of ‘Verdraagzaamheid’.

Pauperhotel

Regisseur Tom de Ket kwam in 2012 op het idee voor de voorstelling. Hij was getroffen door Jansens boek, waarin hij een geschiedenis las die volkomen nieuw voor hem was, ook al was hij opgegroeid in Assen, niet ver van Veenhuizen. De Ket had in 2011 de Drentse Bluesopera geregisseerd op een weiland bij Gieten en de provincie Drenthe had hem gevraagd of hij opnieuw zoiets wilde doen. Hij benaderde Jansen, die meteen met hem wilde meewerken. Vier jaar later dwaalt Jansen over de binnenplaats van het gesticht waar haar overgrootvader Harmen zat. Ze vertelt dat een club ontwerpers onder de noemer Collectie Veenhuizen voor de duur van de voorstelling een ‘Pauperhotel’ heeft ingericht, bestaand uit kamers, stallen of tenten van Veenhuizenaren. Bezoekers kunnen hier overnachten en de volgende ochtend met elkaar in gesprek gaan over de thema’s van Het Pauperparadijs: armoe en buiten de boot vallen en hoe daarmee om te gaan. Aan een aantal gesprekken nemen vluchtelingen deel, die sinds kort verblijven in Groot Bankenbosch, een oord dat tot 2014 dienst deed als gevangenis.

Ook in de voorstelling zelf zijn parallellen met deze tijd verwerkt. ‘Zonder de actualiteit had ik geen boek geschreven en was er geen voorstelling geweest,’ zegt Jansen. ‘Mooie geschiedenisverhalen hebben beslist hun waarde, maar daarmee mogen andere mensen zich bezighouden.’ Ze wijst op de decorstukken die allemaal grijs zijn, alsof ze nog maar net in elkaar zijn gezet en nu nog een likje verf moeten hebben. Dit moet een bouwplaats voorstellen, met in een hoek een enorme hijskraan die uittorent boven het rode pannendak van het gesticht. ‘Ja, ja, hier wordt gebouwd aan de maakbare samenleving,’ lacht Jansen.

Angolese asielzoeker

Als het podium een aantal uren later volstroomt met acteurs en muzikanten voor een repetitie, wordt duidelijk hoe de huidige tijd terugkomt in dit verhaal. Het speelt zich af in negentiende-eeuws Veenhuizen en wordt verteld aan de hand van Cato, de dochter van Tobias Braxhoofden, die beneden haar stand trouwt met Teunis Gijben, geen bewaker zoals haar vader, maar een arme sloeber. Geheel volgens de werkelijkheid daalt ze af op de maatschappelijke ladder, waarmee ze haar nazaten meesleept in een ellende waarvan Suzanna Jansen nog de naweeën heeft gevoeld. Maar een historisch kostuumdrama is het niet, want er vallen termen als ‘prachtwijk’, ‘voedselbank’ en ‘schuldsanering’, en ook de voormalige Angolese asielzoeker Mauro komt voorbij. ‘Voor mij is dit een verhaal over hoe wij omgaan met alle mensen die het zelf niet redden,’ zegt Jansen.

Hoe gaan wij met hen om?
‘Ik denk dat wij, met zijn allen, nog altijd geloven dat je succes aan jezelf te danken hebt en pech aan jezelf te wijten. Als je niet succesvol bent, moet je maar beter je best doen – en dat is niet waar. Je wordt ook beïnvloed door de plek waar je bent geboren, bij wie je bent geboren, hoe hoog je IQ is, op wat voor school je zit, of je ouders doodgaan terwijl je nog maar een kind bent, of je ziek wordt – en dat kan allemaal resulteren in te weinig geld hebben en schulden maken, waardoor de problemen nog toenemen. We zijn geneigd te denken: had je maar beter moeten opletten. Maar zo zit het niet.’

Vindt u dat deze gedachtegang de laatste jaren sterker is geworden?
‘De laatste jaren versus welke tijd? Ik overzie tweehonderd jaar, hè? Hoe dan ook: het is een gegeven dat momenteel de tweedeling tussen arm en rijk groter wordt. En ons oordeel daarover is hard.’

U heeft al een boek geschreven over dit thema. Waarom vindt u het belangrijk dat er nu nog een voorstelling over komt?
‘Het verhaal van Veenhuizen vertelt over goede bedoelingen en mooie plannen die er op papier perfect uitzagen, alleen werkten ze niet. En zo gaat het nog steeds, want de werkelijkheid is weerbarstiger dan we denken. De reden is onder meer dat we niet luisteren naar de mensen die het moeilijk hebben, of die een schop onder hun kont moeten krijgen, hoe je ze ook noemt. Er wordt meestal niet aan henzelf gevraagd wat ze nodig hebben, terwijl de meesten best inzicht hebben in hun situatie. Daarom blijft dit een belangrijk verhaal.’

De tweedeling tussen arm en rijk wordt alleen groter. Foto: Reyer Boxem

Zijn we even bevoogdend tegenover deze groep als in de tijd van de bedelaars- en landloperskolonie?
‘O ja, en dat zit hem in het beleid dat we maken en de bureaucratie die is ontstaan. Vóór de sociale dienst geld mag uitgeven, worden er rapporten geschreven en vergaderingen gehouden, er komen managementteams en projectorganisaties in actie, het is een gigantische industrie. Ik vind het fout dat er vanachter bureaus beleid wordt gemaakt voor hele groepen. Misschien is het ook wel onvermijdelijk…’

Ja, er zal toch beleid moeten worden gemaakt als we ze niet willen laten verkommeren.
‘Ik weet ook niet wat de oplossing is, maar voor de beleidsmakers zijn twee dingen belangrijk. Eén: blijf alsjeblieft iedereen zien als individu en laat dat prevaleren boven het denken in groepen of hokjes. Elk geval is anders en iedereen heeft iets anders nodig. Het tweede is: bedenk dat iemand met weinig geld niet anders is dan iemand met genoeg. We hebben allemaal plannen en gedachten. Dus: neem iedereen serieus.’

Rondrit met een boevenbus

Vlak bij het Tweede Gesticht staat restaurant ‘Bitter en Zoet’, woorden die geverfd staan op de voormalige apotheek van de kolonie. Het mooie, hoge huis ligt ingeklemd tussen twee andere mooie, hoge huizen met de tekst: ‘Toewijding’ en ‘Plichtsgevoel’, waar vroeger de artsen woonden. Achter de huizen ligt een nog hoger gebouw waarin het hospitaal was gevestigd, met het opschrift: ‘Vertrouw op God.’ Suzanna Jansen lacht: ‘Dichter bij God, noemden ze het.’ Er zit nu een hotel in, waar Jansen één keer een doorwaakte nacht doorbracht. ‘Ik weet te goed wat daar gebeurd is,’ zegt ze. De lakens hingen te drogen tussen de zieken en wie doodging, werd in een anonieme grafkuil gegooid, zonder dat er geliefden bij mochten zijn.

Naast de gebouwen is een braderie gaande en terwijl Jansen erlangs loopt, knikken mensen naar haar. In het restaurant zoekt ze een plek in de uiterste hoek, zodat ze even niet wordt aangesproken, want dat gebeurt in dit dorp constant. Sinds haar boek is ze een bekend gezicht geworden in Veenhuizen. Ze komt hier voor lezingen en als er iets te openen valt, is zij al gauw degene die wordt gevraagd. Later op de middag moet ze een winkel openen. Ze heeft weinig tijd, ze is voortdurend bezig met de voorstelling, maar dit soort dingen wil ze doen.

Wie doodging, werd in een anonieme grafkuil gegooid, zonder dat er geliefden bij mochten zijn.

Je kunt gerust stellen dat ze de plaatselijke economie heeft gestimuleerd, ook al vóór het theaterspektakel. In het Tweede Gesticht zit sinds 2005 het Nationaal Gevangenismuseum, dat een overzicht geeft van de geschiedenis van misdaad en straf in Nederland. Met 120.000 bezoekers per jaar loopt het goed. Natuurlijk komen al die mensen niet allemaal omdat ze Het Pauperparadijs hebben gelezen, maar een deel wel. In het museum is van alles te doen: je kunt er slapen in een oude bewakerswoning, een bedrijfsuitje houden waarbij de deelnemers als boeven verkleed en aan elkaar vastgeketend moeten zien te ontsnappen, en er is een rondrit met een boevenbus. ‘De gidsen hebben allemaal mijn boek gelezen,’ zegt Jansen. ‘Soms spelen ze complete scènes na.’

U was eerst van plan alleen een artikel over de geschiedenis van Veenhuizen te schrijven.
‘Ik had de afspraak met Trouw al gemaakt, 1200 woorden mocht ik, geloof ik, maken. Dat was lang, hè? Nou, forget it. Ik vond die geschiedenis zo waanzinnig interessant, dat ik dacht: dan moet het maar een boek worden. Ik wilde eigenlijk geen boek schrijven, maar ik kon niet anders.’

U wist van uw man Frank Westerman wat dat inhield.
‘Die eenzaamheid van het schrijven: verschrikkelijk. Voor hem is het goed, voor hem werkt het, maar voor mij niet. Ik vind het fijn een onderwerp uit te diepen, maar dat je in je eentje moet zitten schrijven, dat vind ik zwaar. Wat ik nu doe, deze voorstelling met een heel team, vind ik veel fijner. Dus ik dacht: ik trek er een half jaar voor uit, niet meer. Het zijn uiteindelijk jaren geworden.’

Hebt u van Frank afgekeken hoe je een boek schrijft?
‘Nee, dat kan niet, iedereen moet zijn eigen toon en stijl vinden. En ik had wel ervaring met schrijven. Ik was in Moskou correspondent voor De Morgen geweest en had in Nederland voor andere kranten gewerkt. En daarbij: sinds ik Frank ken, nu al 26 jaar, heb ik al zijn teksten geredigeerd. In het allereerste begin wist ik niet beter dan typfouten te verbeteren, maar later begon ik te snappen hoe je verhalen in elkaar kunt zetten en beoordelen.’

U heeft eerst nog gezocht naar andere personages dan uw familieleden om het verhaal aan op te hangen. Waarom?
‘Dat was een blinde vlek. Iemand anders heeft tegen me moeten zeggen dat ik mijn eigen familie als rode draad moest nemen en toen viel het kwartje. Maar het is me altijd om het grotere verhaal gegaan, ik wilde niet alleen mijn familie recht doen, maar iedereen die in Veenhuizen heeft gezeten.’

Op zeker moment had u het gevoel dat uw familieleden over uw schouders meekeken.
‘Dat hebben ze echt gedaan. Ik ben niet van de spiritualiteit, maar ze waren er. Naarmate ik me meer in mijn voorouders verdiepte, vond ik het moeilijker los van ze te komen. Zeker toen hun verhaal na Veenhuizen in Amsterdam belandde, in de Jordaan, waar ik zelf woon, heb ik heel zware dagen gehad.’

Ze bleken om u heen te hebben gewoond.
‘Op alle adressen waar ik dagelijks kwam, of ik nou naar de Albert Heijn ging of mijn kind naar school bracht. En intussen zat ik daar maar in de kelder van mijn huis, want dat is mijn werkkamer, terwijl dit soort mensen in zulke kelders hebben gewoond, maar dan onder belabberde omstandigheden. De verantwoordelijkheid die ik voelde om hun verhaal te vertellen, was soms té groot en er zijn dagen geweest dat er maar één zin uit me kwam.’

Toen het boek verscheen, was het voor veel lezers een openbaring. Hoe kan het dat de geschiedenis van Veenhuizen nauwelijks bekend was?
‘Dit verhaal gaat over arme lui en was dus nooit interessant. We kennen de geschiedenis van de helden, de koningen, niet die van de paupers. Ten tweede: Veenhuizen is een uithoek van het land. Ten derde: het project is niet zo goed gelukt, het is geen success story.’

Er was voortdurend geldgebrek.
‘En die mensen zijn er niet beter van geworden. Het is wel zo: als ze niet in Veenhuizen waren geweest, waren ze misschien doodgegaan van de honger en dat is ook niet goed. Dus ik beoordeel het genuanceerd. En dan is er nog iets waarom deze geschiedenis verborgen is gebleven, en dat heb ik gezien in mijn eigen familie: ook de mensen die er zaten, hebben Veenhuizen verzwegen.’

Deden andere families dat ook?
‘Ja, heel duidelijk, dat blijkt uit alle reacties op mijn boek. Toen ze eenmaal uit Veenhuizen weg wisten te komen, zwegen ze over waar ze vandaan kwamen, anders maakten ze geen kans.’

Krijgt u nog steeds reacties?
‘O ja, vaak van mensen die zich in het boek herkennen. Kijk, sinds de jaren zeventig, tachtig is in Nederland een enorme sociale mobiliteit geweest doordat mensen van mijn generatie als eerste in de familie gingen studeren. Ze hebben nu goede posities, maar ze weten nog van de armoede van vroeger, die hun ouders en grootouders hebben meegemaakt. En ze snappen dat afkomst invloed heeft op wie je wordt. We willen het in deze tijd liever niet meer horen, we denken dat we leven in een meritocratie, maar dat klopt niet. Deze mensen, die dankzij hard werken of studeren iets hebben bereikt, voelen nog altijd waar ze vandaan komen en dat ze er nog steeds niet helemaal bij horen.’

Is dat waar?
‘Er is onderzoek naar gedaan: de meeste mensen die zich opwerken uit arbeidersmilieus blijven één laagje onder de top hangen omdat ze de sociale mores van de upper class niet kennen. Ze doen net niet de juiste sport, ze hebben niet bij het corps gezeten of weet ik veel wat, en daardoor hapert uiteindelijk hun carrière. En dan zeggen ze: “Ik hou me liever bezig met inhoud dan met machtspolitiek.”’

Heeft u dat zelf ook?
‘Jaaa,’ zegt ze op een toon alsof dat vanzelfsprekend is.

De buitenkant van het Tweede Gesticht. ‘Ook de mensen die er zaten, hebben Veenhuizen verzwegen.’ Foto: Annaleen Louwes

U heeft een boek geschreven en er ontzettend veel erkenning voor gekregen. Nu bent u bezig met een theatervoorstelling, iedereen in Veenhuizen spreekt u aan en dan nog wordt u beïnvloed door uw afkomst?
‘Ik zal het uitleggen. Voor mij is dit boek een mega-omslag geweest. Ik heb ontdekt, en dat is neergeslagen in mijn boek, dat mijn voorouders voor hun overleven afhankelijk zijn geweest van hooggeplaatste personen, zoals de directeur van de kolonie in Veenhuizen. Nadat ze daar in 1861 zijn vertrokken, hingen ze aan de mevrouwen in Amsterdam bij wie ze als dienstbode werkten of de pastoor. En ze hebben zich ernaar gedragen. Mijn oma stuurde sommige kinderen naar de ene kerk en sommige kinderen naar de andere, want anders kon je misschien geen beroep op iemand doen.’

Ze spreidde bewust haar contacten om zoveel mogelijk kans te maken op hulp.
‘Niets sneaky, maar ze deed het om genoeg eten te krijgen voor haar kinderen. Mijn familieleden wisten dat ze afhankelijk waren, dus mooi dat ze niets geks gingen doen. Alles gebeurde binnen de lijntjes, ze moesten onopvallend zijn, doen wat er van hen werd verwacht. Dat gedrag is erin geslepen, en toen ik dat zag, heb ik me gerealiseerd dat ik me ook zo gedroeg en het van me afgeschud.’

Het boek gaat over de familie van uw moeder; u heeft deze mentaliteit dus meegekregen van haar?
‘Ja, onbewust heeft ze dat overgedragen. Ik heb er nooit met haar over gepraat, ze was al heel oud toen mijn boek uitkwam en intussen is ze overleden. Maar ze was fel, ze had heel sterke meningen, ze was intelligent en expressief. Aan de andere kant straalde ze constant uit: let niet op mij. Ze was verontschuldigend: ja, sorry, ik tel eigenlijk niet mee. Altijd waren er die twee boodschappen.’

Uw moeder groeide op in Amsterdam-Noord en heeft de armoede nog volop meegemaakt.
‘Absoluut. Ze vertelde dat ze als kind haar babybroertje een banaan moest voeren en dan stiekem zelf een hapje nam omdat ze honger had. Daarna was ze bang dat ze in de hel zou komen. Haar jas was samengesteld uit drie jassen en voordat ze met mijn vader trouwde, had ze niet één paar hele schoenen. Verschrikkelijk.’

Terwijl ze gebaart, raakt haar hand een glas water dat bijna van de tafel vliegt. ‘Ik heb de gewoonte om glazen om te gooien,’ lacht ze.

U bent ook fel, volgens mij.
‘Wist ik niet, hè? Ik ben fel, maar ik was me er niet van bewust.’

Uw moeder is uit de armoede gekomen door het huwelijk met uw vader?
‘Ja, hij kwam uit een gezin dat het net wat beter had en omdat het intussen na de oorlog was, werd er iets minder gedacht in rangen en standen. Alsnog ging het bijna mis tussen mijn ouders, want de vader van mijn vader vond mijn moeder te armoedig. Hij zei: “Zou je dat nou wel doen, een huwelijk met haar?” Dus mijn vader wou het uitmaken. Ik vond het schokkend toen ik erachter kwam.’

En toen zag hij haar…
‘Ze waren zo verliefd. Vond ik heel mooi om te horen.’

Hoe hadden jullie het thuis in uw jeugd?
‘We woonden in Slotermeer, mijn vader was vertegenwoordiger van een firma in bakkerijgrondstoffen. We waren iets hoger dan arbeidersmilieu en hadden al vroeg een auto omdat mijn vader die nodig had voor zijn werk. We hadden het dus best goed.’

Toch kreeg u die gevoelens van minderwaardigheid van uw moeder mee.
‘Het is van generatie op generatie doorgegeven. Je weet op een gegeven moment niet meer dat je buiten de lijntjes kunt denken en dat vind ik heel erg. Dus we kunnen wel vinden dat iedereen alles kan worden op basis van zijn capaciteiten, maar dat lukt niet als je je niet vrij voelt.’

U heeft eens gezegd: ‘Door armoede blijven ambities beperkt tot het haalbare.’
‘Ja, zo was het voor mij. Ik was niet vrij om te dromen wat ik wilde. Er zat bij ons in de buurt bijvoorbeeld een goede balletschool en ik wilde heel graag dansen, maar ik ben er nooit geweest. Ik weet niet of ik het aan mijn ouders heb gevraagd, maar het was duidelijk dat mijn moeder zou zeggen: “Ja, ballet. Dat is iets raars met je voeten, dat doen we niet.” Er was een hele wereld waarvan ik wist: die is niet voor ons.’

Later heeft u een balletopleiding gedaan in Rotterdam. U kreeg een blessure en moest stoppen, maar dan heeft u toch geprobeerd uw droom waar te maken?
‘Ik kreeg een botvliesontsteking aan mijn scheenbenen en de kans is groot dat dat kwam doordat ik veel te laat ben begonnen. Ik was al zestien, mijn lijf was dat dansen niet gewend. Dus het is waar, ik heb mijn nek uitgestoken omdat ik dolgraag wilde, maar meteen daarna dacht ik: oké, ik ben te ver gegaan. Ik heb in de avonduren heao gedaan en ben een heel zoet kantoormeisje geworden.’

Daarna heeft u in Moskou gewoond, dat doet ook niet iedereen.
‘Ik was directiesecretaresse voor Novamedia, de latere oprichter van de Postcode Loterij. Dat bedrijf heeft samen met Derk Sauer en Annemarie van Gaal een krant opgezet in Moskou. Ik heb er twee jaar voor gewerkt vanuit Nederland en toen zei ik tegen mijn baas: mag ik drie maanden naar Moskou? Toen ik daar eenmaal was, wilde ik niet meer weg. Frank is later gekomen als correspondent voor NRC Handelsblad.’

Volgens mij bent u veel meer buiten-de-lijntjes-kleurderig dan u denkt. Ook niet iedereen schrijft een boek.
‘Ik hoor dat vaker. Dan zeggen mensen: maar jij bent toch schrijfster? Ofwel: jij bent toch succesvol, jij hebt toch alles wat je wilt? Daar gaat het niet om. Het gaat erom dat je je vrij voelt om te dromen wat je wilt. En dat heb ik me nooit gevoeld en nu wel. Soms droom ik nu van heel rare dingen…’

Zoals een theatervoorstelling in het gesticht waar uw overgrootvader heeft gezeten?
‘Ja, dat had ik nooit kunnen verzinnen. Na mijn boek ben ik een particuliere theateropleiding in Amsterdam gaan doen. Ik wist dat iedereen van mij een nieuw boek verwachtte, maar ik dacht: rot op, ik wil deze opleiding doen. Het was niet verstandig, er was geen nuttig doel, maar ik wou het. Punt.’

Die opleiding komt met deze voorstelling wel van pas.
‘Precies. En daardoor ben ik veel naar het theater en musea gegaan en is er een wereld voor mij opengegaan.’

Wat zei uw moeder toen het boek was uitgekomen?
‘Mijn moeder heeft zich altijd geschaamd voor haar afkomst en ik wilde laten zien dat het niet nodig was. Dat kon alleen door ook de ergste dingen op te schrijven, want als ik iets zou weglaten, zou ik daarmee zeggen: hier moet je je toch voor schamen. Ik ben genadeloos geweest, over mijn opa die aan de drank was en geld jatte, en dat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog voor het geld in Duitsland moest gaan werken en zijn zoon meenam die dan ook nog doodging. Afgrijselijk. Maar ik moest het opschrijven, terwijl ik wist dat mijn moeder over die onderwerpen nooit sprak.’

Ze heeft er ook niet voor uw boek met u over gepraat?
‘Nee. Ze wist alles: de armoede, Duitsland, maar het was taboe, volkomen taboe. Ik heb mijn moeder voor het eerst laten meelezen met de drukproef. Ik heb haar uitgelegd waarom ik zo genadeloos was geweest en dat begreep ze. Toen ze het boek had gelezen, zei ze: “Nou ja, die rare familie van mij is in elk geval interessant voor een boek.” Toen was ze bijna trots. Het boek heeft het haar mogelijk gemaakt wat meer over haar achtergrond te praten, maar het Duitse avontuur van haar vader en de dood van haar broer bleven moeilijk bespreekbaar.’

Toen uw boek zo’n succes werd, had u toen het gevoel tegenover al die mensen in Veenhuizen: nu heb ik jullie echt recht gedaan? Gaf het iets extra’s?
‘Het was een genoegdoening, absoluut, en er was één moment waarop ik dat heel sterk heb gevoeld. Ik moest een lezing houden voor juristen in de Eerste Kamer en ik begon te vertellen over Harmen, mijn overgrootvader. Hij is rond 1900 meermalen veroordeeld voor landlopen en kwam daardoor opnieuw in Veenhuizen terecht. Het beleid erachter was daar, op die plek van de Eerste Kamer, bedacht. En de rechter die hem had veroordeeld, had zitting in de Eerste Kamer. Er werd niet naar mensen als Harmen geluisterd en toen ik daar stond, luisterde iedereen en ze betaalden me er ook nog voor. Dat voelde zo goed. Ik heb even een boodschap naar boven gestuurd: ik heb jouw verhaal verteld, Harmen, en ze luisterden allemaal.’

Suzanna Jansen moet terug naar het voormalige Tweede Gesticht, waar de repetities zijn. Ze wijst nog op een lied in de voorstelling dat haar gevoelens zo goed vertolkt. Dagen later zal Margreet Boersbroek het in de rol van Cato zingen, als het parkeerterrein vol staat met auto’s en de tribune tot de laatste stoel is bezet. ‘Ik wil iemand zijn,’ schalt het door de avondlucht van Veenhuizen.