Het is laat en pikdonker als Sal van Son zich met grote passen een weg door het bos baant. De jongen probeert niet te rennen, maar de spanning van de afgelopen dagen stuwt hem vooruit. Zijn voeten zakken weg in de drassige bodem en takken slaan in zijn gezicht; hij verlaagt zijn tempo niet. Het hoofdgebouw heeft hij al een tijdje achter zich gelaten, wanneer voor hem een groot pand opdoemt. Het vrouwenpaviljoen. De witgepleisterde muren lichten op in de nacht en uit een van de statige, hoge ramen bolt een flauw schijnsel. Even flitst het door hem heen dat hij ze moet waarschuwen, maar dan denkt hij aan de woorden van zijn vader. ‘Voorwaarts. Mars. Nú!’

De vrouw van dokter Lobstein had Sal zo-even bij zich laten roepen en de telefoonhoorn in zijn handen geduwd. Vreemd, op dit tijdstip lag zijn vader normaal al lang te slapen. Vader Van Son baste de drie woorden tegen zijn zoon en hing op. Mevrouw Lobstein stond aan hem te trekken; ze tornde met de punt van een schaar de ster...