Toen Rogi Wieg in 1986 debuteerde met Toverdraad van dagverblijf, kon je nog menen dat we met een pur sang roman­tisch lyricus van doen hadden: zachtaardige, mooiklinkende poëzie, waar echter vooralsnog niet zoveel karakter of temperament uit leek te spreken. Nu, ruim twintig jaar later, is het een ander verhaal. De Nederlandse dichtkunst ging op de schop, werd enerzijds helderder, anderzijds fantasievoller, en Rogi Wieg zelf veranderde ook. De zoetgevooisde dichter ging door een dal van persoonlijk drama, waarvan hij de wereld allerminst onkundig liet: trouwen, scheiden, kind kwijt, zelfmoordpogingen. Zijn gedichten werden er harder van, prateriger, kwaaier en illusielozer. Hij ging er meer van schrijven, begon ook de schilderkwast te hanteren. Kortom, er kwam iets los bij deze dichter voor wie het cliché dat ongeluk inspiratie levert, wel heel erg opgaat.

In De kam, liefst 120 pagina’s dik, is Wieg voluit op dreef, praatziek soms haast, hij dompelt de lezer onder in zijn egocentrisch en exhibitionistisch, en tegelijkertijd begoochelend en emotionerend universum. Hij lijkt een verslaafde, bezeten van scheppingsdrang of zoals hij het in ‘Het was nooit de bedoeling’ formuleert:

Voor alles te moe, voor alles te

traag, maar

niet voor het maken van verzen. Al

meer dan

twintig jaar rook ik niet, drink ik

geen alcohol

en ook daarvoor deed ik het niet. Ik

begon met

gedichten en ben er nooit mee

gestopt, zoals je

niet stopt op een oversteekplaats in

rust, badend

in de zon, met onder je voeten

smeltend asfalt.

Veel uitspreken is in de dichtkunst

verboden,

je moet het meeste tonen, zoals

buitenlampen

die aanspringen in de schemering,

zoals zachte

handen die de was doen voor een

medemens,

maar ik zeg doodgewoon ‘ik ben

ongelukkig’.

Weliswaar zou Rogi Wieg, volgens een ander gedicht in De kam,

liever van een goddelijk dolce far niente genieten, maar dat lukt hem kennelijk toch niet: dit is nou eens zo’n dichter met het ouderwetse

vuur, gepassioneerd en geobsedeerd door zichzelf en door de taal die er uit hem komt. Hij doet wat dat aangaat enigszins denken aan die andere dichter van het malende brein, Hans Vlek, al lijkt Rogi Wieg me per saldo toch nog net iets minder gek.

Het is wonderlijk hoe zijn gedichten bij zoveel tentoonstelling van het eigen ik de schijn van effectbejag weten te vermijden. Bij een andere dichter zou een verzuchting als ‘ik ben het verplicht aan mijzelf mijn strot eens goed door te snijden’ beslist koket klinken, maar van Wieg geloof je het.

Hij heeft zichzelf als het ware een oefenterrein geschapen waarin hersenspinsels, heuse daden, emotionele uitbarstingen en rationele besluiten allemaal even zwaar wegen.

Er zit met andere woorden geen leidend beginsel in zijn hoofd. Dat maakt zijn poëzie voor de gewone lezer zo intrigerend, je kijkt in een verknoopt brein.

De verzen die eruit komen, balanceren nogal eens op het randje van onzin, maar ze duikelen er zelden overheen, eerder heb je het gevoel dat deze dichter een soort paradoxale gevoelens benoemt of althans oproept, waar we allemaal wel aan laboreren, maar die we geleerd hebben te onderdrukken.

Wieg heeft als dichter, ondanks zijn merendeels sombere berichten, iets van een godenkind, hij onttrekt zich aan strenge maten en staat zichzelf op gezette tijden toe er op los te orakelen.

De verzen in De kam lijken op psalmen en credo’s tegelijk. Hier bijvoorbeeld, ‘Veel uitspreken’, dat als volgt begint:

In een volgend gedicht demonstreert hij weer de gespletenheid tussen Rogi Wieg en zijn lyrische ik met een regel als ‘Ik ben gelukkig, dat is moeilijk toe te geven, zeker / als je het niet bent, maar het kunt zijn door het te zeggen.’ Is dit nu gewauwel of hogere poëtische wiskunde? Ik zou het niet weten, maar gebiologeerd lees ik verder in dit labyrint waar de schrijver iemand anders is dan de hoofdpersoon of juist niet, waar God er is maar ook niet, en waar de ik zich met de Schepper identificeert, maar zichzelf ook als loser in beeld brengt: ‘Ze is weg bij mij en dat is goed. Of slecht.’

Deze poëzie tart dus voortdurend het verstand. Het is alsof elk inzicht elders ook weer licht onttrekt zoals in het gedicht ‘Genesis’: ‘Ineens was daar het licht en God zei: / “Nu ben ik onzichtbaar.”’ Deze kluwen van geniale oprispingen, pseudo-wijsheid, gespletenheid en bezetenheid geeft Wiegs verzen hun eigen gezicht: waanzinnig en transparant tegelijk. In de werkelijkheid moet zo’n temperament een verschrikking zijn, maar op papier brengt het iets bijzonders voort, iets dat steeds dichter in de buurt komt van bijvoorbeeld de onhandelbare, maar ook briljante dichter John Berryman.

‘Waar kom ik nu mee’ heet een van de afdelingen in deze bundel en zo is het precies: wat tovert de geest van de dichter hem nu weer voor? Wij weten het evenmin als hijzelf, maar zien het wel gebeuren, als

captive audience bij Wiegs hersen­anatomische les.

Rogi Wieg

De kam

Gedichten, met illustraties van Guy Swart

De Arbeiderspers

120 pagina’s, € 17,95