Het is een jaarlijks terugkerend dilemma. Niet zozeer de vraag w├í├ír we naartoe gaan deze vakantie, maar h├│├ę we met vakantie gaan. Mijn echtgenoot is van kinds af aan kamperen gewend. Met een caravan trokken hij en zijn ouders naar campings op het Franse platteland, in de Oostenrijkse en Zwitserse bergen, of aan Italiaanse meren. Was het leuk en waren er genoeg kinderen om mee te spelen, dan bleven ze. Was er niets aan, dan trokken ze verder. Als klap op de vuurpijl runden ze zelf een tijd een camping in Frankrijk.

Hun vakantietraditie staat werelden af van wat wij vroeger thuis deden: een huisje huren in the middle of nowhere. In geen velden of wegen waren andere mensen te bekennen. Toegegeven, het huisje moest op redelijk bereisbare afstand liggen van dorpen of steden met fascinerende kerken, musea en concertmogelijkheden. Wij verwonderden ons met onze ouders over zestiende-eeuwse drieluiken in kathedralen. Om daarna snel terug te keren naar ons paradijsje in de onbewoonde...