Jeroen Vullings herinnert zich de Krisiskanzler Helmut Schmidt, die het land door de woelige tijden loodste.
Duitsland, vorige maand. Ik ging naar een concert, met zo’n luxe trein. Het beeld dat mij van die reis het meest bijbleef is dat van een veelkoppige Duitse familie, mannen en vrouwen die met kinderen en kratten bier binnenkwamen. Die maakten ze in een rustig tempo soldaat. Toen ze uitstapten – zwalkend – was het bier op. Het waren geen tokkies, evenmin de gebruikelijke, hossende hooligans. Gewoon burgers. Op plaats van bestemming in de (voormalig West-Duitse) stad zag ik veel mensen overdag al op straat hangen, dronken, lallend, verloederd. En daar bleven ze, ook in de nacht. Duitsland, het welvarende, nette Duitsland, heeft in korte tijd één grote onderklasse gekregen. Dat staat haaks op het decorum dat ik uit het Duitse straatbeeld kende, waarbij de enige die door rood op het zebrapad liep deze Nederlander was. Ik betrapte mezelf op de gedachte: die snelle verloedering had niet plaats gevonden onder de grote staatsman ten tijde van mijn eerste bezoek aan Duitsland, Helmut Schmidt.
Nu is hij dood. De politicus die bijna een eeuw leefde, getuige was van een catastrofale geschiedenis, van de wederopbouw van zijn land, van de opkomst van Europa. Een ‘Duitse stamvader’ is niet meer, lees ik in Duitse necrologieën. Maar aan Schmidt kleefte ook iets prettig wispelturigs. Hij was een flexibele denker, geneigd tot dissidente, nuchtere gedachten binnen zijn SPD, visionair in zijn Europese aspiraties, secuur in zijn crisisbeheersing. Meer dan als groot staatsman, eert Duitsland hem nu als ‘Krisiskanzler’.
Met de neus op de feiten van het verleden gedrukt, herinnerd aan de woelige jaren zeventig, moet ik mijn rooskleurige beeld van het geruststellend sluimerende burgerlijke Duitsland uit de hoogtijd van de sociaal-democratie bijstellen. Schmidt was kanselier in onrustige tijden. Hij regeerde tijdens de oliecrisis in de jaren zeventig. Liet bij zijn aftreden begin jaren tachtig een land met grote schulden en een grote werkeloosheid achter. Maar hij loodste Duitsland wel door de eigen extreemlinkse terreurcrisis heen, gaf geen duimbreed toe aan de Rote-Armee-Fraktion, pareerde de waanzin van hun ideologie met stalen zenuwen en kurkdroge opmerkingen over de normaliteit en tevredenheid van de grote massa Duitsers, die de RAF wenste te ‘bevrijden’. Dat was de man die Max Weber en Karl Popper waardeerde, een politicus wars van ideologische bedwelming, van de vervlechting tussen religie en politiek, laat staan van destructief extremisme. ‘Wie visioenen heeft, moet naar de dokter,’ zou hij ooit hebben gezegd.
Later zou hij bekennen dat hij het ambt niet ambieerde, dat hij er bang voor was. Wonderlijke associatie: Schmidt en angst. Omdat we het nu ook over de man hebben die de Duitse antiterreureenheid in 1977 bevel gaf het door de PLO gekaapte Lufhansa-toestel in Mogadishu te bestormen. Hij was een Macher. Besluitvaardig, verstandig, realistisch. Geraffineerd en welbespraakt. Dit totaalpakket staat voor een verdwenen generatie leiders die onuitwisbare indrukken achterlaten, die ook na hun aftreden decennia markant blijven, wier fouten en misstappen van de politieke conjunctuur afhingen en niet van hun gebrek aan integriteit, vakmanschap of politiek instinct.
Het reële straatbeeld uit de regeringsperiode van Helmut Schmidt kan ik niet meer achterhalen. Maar feit is dat deze sociaal-democraat destijds een voorbeeldig verheffingsideaal vertegenwoordigde. Dat is voorbij.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.