C. Buddingh’-prijs
De C. Buddingh’-prijs voor poëziedebuten wordt dit jaar zesentwintig jaar oud, en het is in de tussentijd een aardig prestigieus instituutje geworden. Het prijzengeld stelt nog altijd niet veel voor, 1200 euro, maar de eer, in het kielzog van oud-winnaars als Tonnus Oosterhoff, Anna Enquist en Ilja Leonard Pfeijffer, is aanzienlijk. Ze heeft dan ook die oudere Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs, waar dichters vroeger hun loopbaan mee mochten beginnen, bijkans naar de achtergrond geduwd.
Toch heeft ook de mooie Buddingh’-prijs betere tijden gekend. De jury van dit jaar, onder voorzitterschap van Dichter des Vaderlands Anne Vegter, trok bij de bekendmaking van de nominaties aan de bel. Ze had te kiezen uit slechts eenentwintig inzendingen en, nog opvallender, daarvan waren er slechts vijf afkomstig van de gevestigde uitgeverijen. De rest was min of meer in de marge geproduceerd. In Vlaanderen, land toch van vele dichters en would be-dichters, is het kennelijk nog veel treuriger gesteld: daar wist men in totaal slechts twee debutanten af te vaardigen.
Het zal via via de crisis wel weer zijn, maar misschien zijn uitgevers het ook wel moe almaar sympathieke maar niet erg opzienbarende dichtbundels te moeten uitbrengen van nieuwelingen die voor een deel in schrijfopleidingen lijken te worden gekweekt, en die weten hoe ze met hun gebabbel op niveau lezers moeten inpakken. In elk geval lijkt die verschuiving naar kleinere, marginale uitgevers veelzeggend. De poëzie, het poëziedebuut, is niet langer het kroonjuweel van de grote uitgeverij, maar eerder een sluitpost geworden.
Nette dichters
Ook de organisatoren achter de Buddingh’-prijs moeten zich misschien eens achter de oren krabben. Is het nog wel dienstig om die prijs elk jaar uit te reiken als er maar zo weinig kandidaten zijn; moet het, met koning Eenoog zo nadrukkelijk op de loer, niet een twee- of zelfs driejaarlijkse prijs worden, met dan ook natuurlijk een hoger prijzengeld?
De verschuiving van grote naar kleine uitgeverijen betekent immers niet dat we de kwaliteit nu ineens in die handgeniete, door vrienden en kennissen vervaardigde bundeltjes uit de provincie moeten zoeken. Slechts één van die talloze marginale uitgeverijtjes haalde de lijst genomineerden met een bundel: Josse Kok (1983), met Ik heb geslacht, uitgegeven door de Dordtse uitgeverij Liverse, in welke naam we iets van light verse mogen proeven. Kok gaat de prijs niet winnen, al is het best een aardige bundel. Maar aardigheid is nu juist het gevaar dat de Buddingh’-prijs bedreigt. Er is al zoveel aardige poëzie. Het hele segment is inmiddels vergeven van de aardigheid. Van winnende debuten mag je verwachten dat de makers een hogere gooi doen, de hemel komen bestormen of in elk geval de middelmaat ontstijgen.
Het lijkt erop dat de dichters zelf er ook niet veel fiducie in hebben. Kok, afkomstig uit het slam-milieu, schrijft in Slaaf: ‘Wij zijn geen kleine revolutie.’ Nee, en ook geen grote. Elders staat zijn lyrisch ik in een kathedraal en merkt op: ‘Wij zijn iets nietigs in een dom.’ Het gedicht ‘Herziener’ lijkt zelfs iets van een lost generation te beschrijven: Wij zijn verkreukelden. / Bezoedelden. Propjes / naast de prullenmand.’
Nu moet wel gezegd dat Josse Kok het zo te zien niet over zichzelf heeft maar allerlei types beschrijft, acrobaat, hogepriester, pupil, telg, Messias. Maar die maskerade zegt op zichzelf ook al wel iets, het beste uit het slam-circuit is inmiddels ook een keurig en weldoordacht rollenspel geworden. Waar is toch de oude orale poëzie gebleven, van Johnny de Selfkicker en Simon Vinkenoog, Johan Joos? Van dissidente ego-schreeuwers zijn de slamjongens en -meisjes nette dichters geworden die zo te zien maar al te graag op het grote podium van Poetry International willen staan.
Verzet tegen anekdotiek
De drie overige genomineerden komen dan toch weer uit dat schrieperige aanbod van de gevestigde grootmachten: Maarten van der Graaff met Vluchtautogedichten (Atlas Contact), Hanneke van Eijken met Papieren veulens (Prometheus) en Hannah van Wieringen met Hier kijken we naar (de Harmonie).
Van der Graaffs (1987) poëzie is andere koek. Hij is geen verteller of verbeelder maar een dichter die de taal zijn werk laat doen. Nogal wat teksten in Vluchtautogedichten zijn, hoewel opgewekt van toon, hermetisch of zo verknoopt dat je er niet direct iets van snapt. Maar fascinerend zijn ze wel met hun gedachtesprongen, ellipsen en hun vrolijk-grimmige verzet tegen anekdotiek. Neem het volgende kleine dingetje, karakteristiek voor Van der Graaffs werkwijze, ook in zijn langere gedichten:
Gedicht uit Galicië
We lopen een tocht waarin we niet geloven.
Een zwarte regen wil naar zee (die niet vol raakt, maar slikt
zonder te kauwen, zoals het toerismeduizenden per jaar eet.)
Het is moeilijk te zeggen hoe moe alles is.
Je proeft er wel iets van de al te modieuze pelgrimstocht in, van water naar de zee dragen, van een onuitsprekelijke vermoeidheid om al dat soort dingen, maar het is toch vooral de formulering die blijft hangen, de slikkende zee, het veeletende toerisme. Allemaal indirect, zoals het hoort.
Maarten van der Graaff heeft zo te zien aan de grote moederborst van het surrealisme gelegen, en dat maakt hem een uitzondering in dit vlakke landschap van realisten en verbaasde speurders. Het surrealisme is sinds de Vijftigers in Nederland nooit erg groot geweest en misschien moeten we daarom dankbaar zijn voor iedere vertegenwoordiger ervan. Maar ook los van deze on-Nederlandse kwaliteit is van der Graaff in dit gezelschap de opvallende debutant. Hij lijkt zich meer dan de anderen bewust te zijn van wat hij doet en in welke traditie hij wel of niet wil staan. Wat dat aangaat, klopt de titel Vluchtautogedichten precies. ‘Ontsnappen is sexy’ schrijft hij ergens en hij ontsnapt in zijn vluchtauto, te weten de poëzie, aan de al te modale en gewone werkelijkheid, op zoek naar nieuwe dimensies.
Het laatste gedicht, ‘Vrije encyclopedie’, is dan weer een autobiografisch geval, eenmalig zo te zien: Laat ik je vertellen wie ik ben dan / kunnen we eindelijk verder. Het is een opmerkelijk vrij, zelfverzekerd en dynamisch gedicht waar een aanstekelijk soort energie vanaf spat. Zoals in deze passage, waar facebookcultuur en poëtisch sterrendom worden gemixt tot een vrolijke, brutale (anti-)poëtica:
Baldadigheid en intelligentie: nectar
Zou Lucas Hüsgen mij leuk vinden?
dat zou heerlijk zijn. Zou
Lucas Hüsgen wel eens aan mij denken wanneer hij niet in slaap komt?
Facebook is heerlijk.
Ontevredenheid ongemak zelfhaat onbehagen anti-
burgerlijkheid zijn hartstikke mega-heerlijk.
Jeroen Mettes is een mysterie.
Zou Geert Buelens mij leuk vinden?
Dat zou heerlijk zijn.
Als Geert Buelens ziet dat ik iets ga zeggen over Jeroen Mettes
zou hij dan denken: hij? Gaat hij iets over Jeroen Mettes
zeggen? Wat weet hij daarover te vertellen?
Dat er geen mysterie is, is heerlijk. Dat besef.
De vrije markt is een moordmachine, heerlijk.
Ontmaskeren is heerlijk. Ik ben er! Ik ben er! Ik ben er!
Geert Buelens, vind je mij leuk?
Lucas Hüsgen, denk je aan mij?
De sfeer verzieken is een levensvervulling.
Heerlijk, deze haast écriture automatique-achtige prop van Oosterhoff, Pessoa, Duinker, Koenegracht en zo nog wat andere invloeden. Talent en temperament zijn hier de steekwoorden.
Orde en regelmaat
Twee mannen, twee vrouwen, geen Vlamingen.
Hanneke van Eijken (1981), juriste van beroep, is een veel ordelijker en voorspelbaarder type dan Van der Graaff. Haar bundel Papieren veulens is vooral goed doordacht en gestructureerd. Ze begint met gedichten over de bovenpersoonlijke grote wereld, Europa en steden, en arriveert via huizen en kamers bij het prille begin van een baby. Naarmate de bundel vordert, worden haar onderwerpen smaller. Een volmaakte trechtervorm dus waarin alles altijd kleiner wordt // als je lang genoeg kijkt. Ook de afzonderlijke gedichten ‘kloppen’ steeds, of ze nu over het weidse Europa gaan of over de tel- en verzameldrang van de hoofdpersoon die in het ene gedicht ‘manieren verzamelt om niet te sterven’ en in het andere vergeefs probeert het heelal te meten. In ‘Tot de dood ons scheidt’, over een man die zijn overleden vrouw blijft verzorgen, zie je hoe iemand onvermurwbaar orde schept:
ik vouw ze zorgvuldig voor je op
de jurken en de kranten, de buitenwereld
die hier binnendringt
ik kam je haar in honderd slagen
Het geldt ook voor de meeste van haar gedichten: er heerst orde en regelmaat, Ik ben geen clown, lief / geen goochelaar, maar daarmee ook geen grote verrassingen.
Iets obligaats
Dan tapt Hannah van Wieringen (1982) uit een ander, energieker vaatje. Als zoveel dichters van haar generatie bespeurt ook zij de grote overrompelende wereld: o wij – één denderende massa / één over zichzelf heen struikelende / kudde ademende dieren / die poot aan poot de wereld omvat o.
In ‘over wat poëzie’ stelt ze tegenover de hele grote onmogelijkheid van het enorme volle alles het allerkleinste, een sneeuwklokje en vervolgens stilte. Net zoals in het gedicht ‘stil’ na een dampende vrijpartij je niks liever wil dan stil / totdat het stilgemaakte naakt / niets liever wil dan stil.
Je proeft dat ze in deze denderende en daverende wereld vooral naar verlichting en vervulling en troost zoekt, naar rust en eenvoud. Allemaal heel eerbaar, maar ik proef er toch ook iets obligaats in: je zegt naar stilte te hongeren, maar babbelt er intussen maar op los. Wat dat betreft passen haiku’s en dat soort karige vormen voor je gevoel eigenlijk beter bij dit soort dichters, maar ja, haiku’s, daar kun je natuurlijk niet mee komen aanzetten!
Soms hunker ik bij het lezen van zulke poëzie wel eens naar de oude symbolisten die ook gefrappeerd waren door de onmetelijkheid van de wereld en het heelal, maar die hun sensaties in het potje van hun symboliek wisten te vangen, zoals Leopold met schitterzon, wereld en ruim heelal: het is bevat in dit klein trilkristal. Aan dat soort kristal lijkt het de hedendaagse dichter nogal te ontbreken. Hij kijkt grappig verbaasd rond in de wereld en vent al zijn versplinterde ervaringen uit alsof het allemaal nieuw onder de zon is, tot de meest ordinaire bevindingen aan toe.
Nou ja, Hannah van Wieringen is beslist de ergste niet in dit overbevolkte gezelschap zoekers. Met haar frisse en onbevangen toon weet ze aan al te grote mufheid te ontkomen, maar als ze in ‘wat liefde niet is’ schrijft liefde is / niet weggaan roept dat toch wel om een teiltje.
Gepolijstheid
Anderzijds, de jeugd heeft de toekomst, zoals de volksmond wil, wat dat betreft past een beetje onrijpheid wel bij de Buddingh’-prijs, die dit jaar in elk geval naar een jongeling zal gaan (alle kandidaten zijn rond de dertig) en niet zoals vorig jaar (Henk Ester, 1952) naar een vergevorderde zestiger. Onrijpheid die in het beste geval ook een soort vruchtbare roekeloosheid kan opleveren.
Het grootste gevaar dat de Nederlandse poëzie deze dagen bedreigt, is immers haar gepolijstheid. Dichters, ook jongere, lijken precies te weten hoe het zo’n beetje hoort en conformeren zich maar al te makkelijk aan een soort middentoon, een welbespraakt keuvelen in losse vorm. Wat dat betreft is het jammer dat de extremisten onder de dichters het grotendeels laten afweten. In het relatief jonge verleden werd nog wel eens een uitzonderlijk geluid bekroond. Ik denk niet alleen aan Oosterhoff en Pfeijffer, maar ook aan de eendagsvlieg André Verbart die in 1998 won en daarna bij wijze van statement niets meer van zich liet horen, of aan Delphine Lecompte, met volstrekt eenmalige gedichten winnares in 2010.
‘Poetry should be shocking and surprising’, zegt de oude Engelse dichter Geoffrey Hill. Daar lijkt bij ons momenteel weinig sprake van te zijn. Niettemin, de Buddingh’-prijs zal ook dit jaar wel weer uitgereikt worden. Aan Maarten van der Graaff natuurlijk, met Vluchtautogedichten.
Hanneke van Eijken, ‘Papieren veulens’, Prometheus, 56 p., € 17,95
Maarten van der Graaff, ‘Vluchtautogedichten’, Atlas Contact, 56 p., € 21,95
Josse Kok, ‘Ik heb geslacht’, Liverse, 44 p., € 12,95
Hannah van Wieringen, ‘hier kijken we naar’, De Harmonie, 48 p., € 15,90
Vrij Nederland 7 juni 2014
Vrij Nederland 7 juni 2014
Vrij Nederland 7 juni 2014
Vrij Nederland 7 juni 2014
Bladwijzer Online bron 10.000 gedichten
Turing Gedichten Wedstrijd
De Turing Gedichten Wedstrijd heeft niet te klagen over een tekort aan inzendingen. Elke tweejaarlijkse editie worden er zo’n 10.000 gedichten ingezonden, die op basis van anonimiteit worden gejureerd. De eerste prijs bedraagt 10.000 euro – een aanzienlijk hoger bedrag dan de C. Buddingh’-prijs. De jury van de Turing-wedstrijd werd altijd voorgezeten door Joke van Leeuwen, maar Dichter des Vaderlands Anne Vegter heeft het sinds kort overgenomen. De laatste editie won Mieke van Zonneveld (1989, foto) de eerste prijs met het gedicht ‘Nee’. Het is volgens de jury ‘een evenwichtsoefening tussen het kleinere en het bredere. (…) De lezer wordt als door een golf meegevoerd.’ Ga naar .nl/gedichten
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.