Binnenkort speelt hij met Gullit, Koeman, Lerby en Kieft zijn afscheidswedstrijd. Maar Hans van Breukelen is al lang bezig met zijn leven buiten de doelpalen. Als commentator, drijvende kracht achter Topsupport en adjunct-directeur in de textiel. Als hij al omkijkt, doet hij dat niet in wrok. Willem Kieft heeft hij vergeven (‘hij voelde zich door mij en Vanenburg geflikt’), de Duitsers mogen hier volgend jaar de bevrijding komen vieren (‘maar in het veld haat ik ze’). Van Breukelen streeft naar harmonie. Er zijn nog wel zaken waarover hij zich kwaad maakt, maar Hans van Breukelen vecht niet meer tegen windmolens. Hij moet nog manager bij een topclub worden. Met tranen in de ogen praat hij over het absolute hoogtepunt van zijn carrière. Die junimaand van 1988. Eerst de Europacup-winst van PSV, daarna het Europees kampioenschap.

Kampioenschappen die voor een groot deel waren te danken aan door hem gestopte penalty’s. Het feest erna, de vreugde, dat wij-gevoel – hij zal het nooit vergeten.

Voor die ene maand heb ik me negentien jaar de tering gewerkt. Het is de moeite meer dan waard geweest.

‘Toen we terugkwamen in Nederland, zag je alleen maar blije gezichten. Zoveel saamhorigheid – tussen spelers onderling, tussen spelers en publiek – maak je maar zelden mee. Voor die ene maand heb ik me negentien jaar de tering gewerkt. Het is de moeite meer dan waard geweest. Alle ellende die ik heb gehad smelt weg bij die ervaring. Fantastisch om daar onderdeel van te zijn geweest.’

Advertentie

Advertentie

Als hij op 6 oktober met Gullit, Koeman, Lerby, Kieft en al die anderen zijn afscheidswedstrijd speelt, hoopt hij op een eenmalige herhaling. ‘Ik hoop op een volle bak. Dan is het gevoel van saamhorigheid dat ik altijd heb willen overbrengen, overgekomen.’

Een hogere macht

Hans van Breukelen is een blijmoedig mens. Optimistisch, op het sentimentele af. Zijn levensvisie laat zich in één woord samenvatten: saamhorigheid. Daarop richt hij al zijn streven. Van Breukelen staat op de bres voor ‘het goede’. In en buiten het veld.

‘Om in de voetballerij te overleven, heb ik me vaak moeten conformeren. Die wereld duldt immers geen bijdehandjes of wereldverbeteraars. Maar op de essentiële normen van het leven heb ik nooit toegegeven. En die zijn voor mij: saamhorigheid, het delen van lief en leed. In het gezin, bij de club, op school.’

Je praat als de laatste katholiek van Nederland.
‘Ik ben gelovig. Niet bijzonder actief, al zijn mijn kinderen gedoopt en heb ik ze bewust de eerste communie laten doen. Toch heeft geloof er niet zoveel mee te maken. Het is meer wat ik van thuis heb meegekregen. Mijn ouders hebben altijd moeten sappelen, maar wat ze hadden werd gedeeld. Die opvatting is de mijne.’

De laatste dagen trekt mijn carrière als een film aan me voorbij. Bij het minste of geringste schiet ik vol.

Hij mijmert nog even na over zijn religieuze gevoelens: ‘Ik geloof meer in mensen dan in een hogere macht boven ons. Al vind ik het heerlijk in een kerk wat te mediteren.’ Opnieuw slaagt hij erin ontroerd te raken. ‘Kerstnacht! Hand in hand in de kerk staan – dan schiet ik gewoon vol. Dat saamhorigheidsgevoel. Met oud en nieuw met familie, buren en vrienden bij elkaar zijn en lekker spelletjes doen. Mens erger je niet, spijkerpoepen! Dan geniet ik als een gek. Liefde en verdriet met elkaar delen, vind ik heerlijk. Dat is mens-zijn: samen delen, samen verantwoordelijk. Dat is de wisselwerking die ik zoek in het leven.’

Het afscheid grijpt hem meer aan dan hij had gedacht. ‘De laatste dagen trekt mijn carrière als een film aan me voorbij. Bij het minste of geringste schiet ik vol. Zo zit ik in elkaar. Als het over gevoelige dingen gaat, ben ik een softie.’

Ergernissen

Ergert zo’n man zich wel eens? Is er tussen alle blijmoedigheid door ruimte voor antigevoelens? Afkeren?

De meest persoonlijke (hij lust geen spruitjes, heeft een hekel aan de tandarts en gruwt van house-muziek) neemt Van Breukelen voor wat ze zijn. Tegen ander ongerief trekt hij ten strijde. In de meeste gevallen tevergeefs. Een top-tien.

1. Oorlog, geweld, machtswellust.

‘Ik erger me als er zomaar vuilstortplaatsen in een woonkern worden gepland. Ik erger me aan mensen die de bijbel of hun geloof misbruiken als middel tot onderdrukking. Als katholiek erger ik me vooral aan de paus. Omdat hij niet begrijpt dat het zonder voorbehoedmiddelen in Azië, Zuid-Amerika, een grote brok ellende zal blijven. Dan denk ik: dat kan God nooit bedoeld hebben.’

2. Gebrek aan respect.

‘Er is steeds minder respect. Voor elkaars leven en identiteit maar ook voor elkaars eigendommen. Ik erger me aan elke gejatte fiets, aan elke muur die wordt beschilderd, aan elk blikje dat uit een auto wordt gegooid. Omdat het afbreuk doet aan de kwaliteit van het leven. Ik kan er ook niet tegen als mensen elkaar om het minste of geringste afkatten. De manier waarop Ajax, Feyenoord en PSV zich tegen elkaar afzetten, vind ik treurig. Je moet elkaar over en weer juist een veer in de kont stoppen. Wie de beste ploeg heeft, blijkt wel op het veld.’

Ik begrijp niet dat mijn generatie nog steeds over moffen praat. Van mij mogen Duitsers volgend jaar best de bevrijding komen meevieren.

3. De schijntolerantie in Nederland.

‘Hoe gaan we bijvoorbeeld met Duitsers om. Zul je zeggen, dat moet hij zonodig zeggen (in 1988 beet Van Breukelen Lothar Matthäus de onsterfelijke woorden toe: Ich hoffe dat du focking sterbst – FO). Oké, in het voetbal haat ik ze, maar daarbuiten zie ik ze als gewone mensen. Ik begrijp niet dat mijn generatie nog steeds over moffen praat. Dat is mij door mijn ouders absoluut verboden. Van mij mogen Duitsers volgend jaar best de bevrijding komen meevieren.’

4. De manier waarop kinderen elkaar kunnen sarren en elkaar het bloed onder de nagels weghalen.

‘Ruzie, geschreeuw stuit me enorm tegen de borst. Ik vind dat je moet proberen er met zijn allen iets gezelligs van te maken. Proberen we thuis ook, met zijn vijven. Maar als mijn kinderen mij het leven proberen zuur te maken, kan ik dat ook. Hetzelfde geldt voor supporters. Het is te gek dat een kleine groep de gelegenheid krijgt een heel stadion te terroriseren. Burgemeesters, politici verschuilen zich dan altijd achter het argument dat het zoveel geld kost. In Engeland en Italië zijn bij wedstrijden altijd twee keer zoveel agenten op de been. Hoor je nooit iemand over.’

5. Dat er bij PSV zo weinig naar hem is geluisterd.

‘Ik heb verscheidene keren, tot in de hoogste geledingen, mijn kritiek kenbaar gemaakt. Nooit ingegrepen. Ja, dit jaar, toen het kalf al was verdronken. En ik zat daar echt niet voor mezelf te lullen, hoor, het ging mij om de club. Wat het PSV-bestuur nooit heeft begrepen, is dat spelers behoefte hebben aan een eerlijke, harde hand. Is die hand er niet, dan verdwijnt het onderling respect en verslechtert de sfeer.’

6. Dat PSV nooit heeft durven kiezen voor een eigen gezicht.

‘PSV werd geregeerd door de angst. De angst voor negatieve publiciteit, de angst om altijd weer aan Philips te worden herinnerd. PSV had natuurlijk moeten zeggen: wij zijn PSV, Philips is onze sponsor en daar zijn we trots op. In plaats daarvan werd de link met Philips zo’n beetje weggemoffeld. Twintig jaar geleden waren Ajax en Feyenoord, ieder op hun manier, al de clubs van het volk. PSV, dat was de club van Philips, de club van het kapitaal. Dat is nog steeds zo. Ondanks een Europacup en zes landstitels, hebben ze aan dat imago geen enkele positieve draai kunnen geven. Daar baal ik van.’

7. Spelers die niet in teambelang kunnen denken.

‘Dat heb ik zelf ook niet altijd kunnen waarmaken. In 1989 ben ik samen met Vanenburg naar Ploegsma gestapt. Om een situatie die uit de hand dreigde te lopen, bij te sturen. Vaan was door het bestuur tot grote leider benoemd maar kreeg totaal geen ruimte om die leider te worden. Ik wilde dat Vanenburg die kans zou krijgen. Vanuit die filosofie ging ik mee. En ook om controle uit te oefenen. Maar al tijdens het gesprek met Ploegsma liep het uit de klauwen. Vanenburg eiste dat er mensen het elftal uit moesten waaronder Wim Kieft. Dat ging te ver, daarvoor was ik niet meegegaan. Ik realiseerde me dat ik fout zat, en heb toen meteen Kieft, Lerby, Gerets, Hiddink en Dorjee ingelicht.’

Pardoes schieten hem opnieuw de tranen in de ogen. ‘Uiteindelijk is Kieft van die affaire de dupe geworden. Hij voelde zich door mij en Vanenburg geflikt, en wilde niet meer voor PSV spelen. Toen Willem een paar weken geleden de zaak weer in de herinnering bracht, heb ik me heel ellendig gevoeld. Ook omdat ik in het radioprogramma van Jack Spijkerman werd begroet met de woorden: Hé, Van Breukelen, Kieft vindt je een matennaaier. Staat in Vrij Nederland. Mijn hele weekend was naar de knoppen. Ik snapte er niets van, ik dacht dat ik sinds die tijd een goeie relatie met Willem had. Kieft heeft me gebeld en we hebben de zaak uitgepraat. Zijn woorden hadden alleen betrekking op die zaak van vijf jaar geleden. Alles is weer goed tussen ons.’

Dat Derksen het nooit in mij heeft zien zitten, beschouw ik als een compliment. Ik zou het hem nog niet toevertrouwen om mijn hond uit te laten.

8. Het wereldkampioenschap 1990.

‘Een dieptepunt. In 1988 werden we Europees kampioen. Op grond van onze klasse en op grond van een groot saamhorigheidsgevoel. Dat was in 1990 helemaal verdwenen. We liepen naast onze schoenen. De KNVB, de journalisten, de spelers. In 1988 wilde iedereen kampioen worden, tijdens het WK van 1990 ook. Alleen had iedereen een andere opvatting over de manier waarop dat moest gebeuren. Het klikte niet meer, er werden spelletjes gespeeld, alles ging irriteren.’

9. De journalistiek, en dan met name Johan Derksen, de adjunct-hoofdredacteur van het voetbalweekblad Voetbal International.

‘Derksen plaatst zich boven de sporter. Hij voelt zich belangrijker dan de zaak waarover hij schrijft: de voetballerij en de mensen die daarin werkzaam zijn. In feite minacht hij ze. Dan zijn manier van schrijven. Het is taal van haat, van leugens, op de man spelen en persoonlijke afrekening. Er gaat een verderfelijke invloed uit van zijn schrijverij, daarom wordt VI ook door een aantal spelers geboycot. Dat Derksen het nooit in mij heeft zien zitten, beschouw ik als een compliment. Ik zou het hem nog niet toevertrouwen om mijn hond uit te laten.’

10. Als iemand hem een leugenaar noemt.

‘Of dingen in de schoenen schuift die per se niet waar zijn. Toen ik destijds FC Utrecht van de ondergang probeerde te redden, werd er gesuggereerd dat ik er zelf beter van werd. Du Châtinier, een medespeler notabene, liet in een krant optekenen dat ik, toen wij als spelers collectes organiseerden, alleen in de dure wijken wilde lopen. Pertinent niet waar. Ik ben in die wijken gaan lopen omdat niemand anders het wilde. Iedereen zat liever in de volkswijken. Lekker makkelijk, je hoefde geen meter te lopen, overal deuren. Terwijl in die dure wijken, je liep je daar de pestpokken. Du Châtinier heeft me door die uitlatingen op een schandalige manier te kakken gezet – daarom heb ik jarenlang geen woord met hem gewisseld. Twee maanden geleden hebben we het bijgelegd.’

Ik ben verlost van die moordende spanning in het weekend. Heerlijk.

Eigen toko

Sinds 15 mei is Hans van Breukelen keeper af. Hij is zevenendertig jaar, maar had nog jaren kunnen doorgaan. De aanbiedingen lagen er. Van Nederlandse en Japanse clubs. Maar Van Breukelen hield de eer aan zichzelf en koos voor een leven buiten de doelpalen.

En dan valt er meer weg dan alleen de lease-auto. ‘Ik ben verlost van die moordende spanning in het weekend. Heerlijk. Dat realiseerde ik me pas echt toen de competitie begon. Normaal maak je je druk. Op tijd slapen, je voelt de druk van het presteren. Dat is nu weg. Ik leef in een zalige leegte, al heb ik die weer barstensvol gestopt met andere activiteiten. Bij de eerste thuiswedstrijd van PSV had ik een afspraak in Groningen, ik had het niet eens in de gaten.’

Op termijn wil Van Breukelen best manager worden bij een topclub. Hij loopt zich warm op drie fronten. Met oud-wielrenner Maarten Ducrot is hij de drijvende kracht achter de stichting Topsupport die zich ten doel heeft gesteld het topsportklimaat in Nederland te ‘upgraden’, door jong talent een optimale begeleiding te garanderen. Daarnaast is hij adjunct-directeur van het textielbedrijf Breecom en verslaat hij in zijn vrije tijd voetbalwedstrijden voor RTL.

In elk van die functies heeft Van Breukelen de vrije hand. Het gebeurt zoals hij vindt dat het moet. ‘In de laatste jaren van de voetballerij heb ik altijd gedacht: ik wil werk waarin ik met mensen omga maar alleen vanuit een leidinggevende functie. Ik ben typisch een figuur voor een eigen toko. Ik denk dat ik daar door de ervaringen en contacten die ik in de voetballerij heb opgedaan, ook heel geschikt voor ben. Ik heb in de loop der jaren de meest uiteenlopende mensen ontmoet. Een Sylvia Toth, een Wim Dik, een Karel Vuursteen, een Jan Timmer, you name it. Wim Kok, Johan Stekelenburg, Jan Post – ik heb met ze gepraat, naar ze geluisterd, mijn ideeën getoetst aan de hunne. Nu ben ik er rijp voor. Om leiding te geven, beleid te maken en vervolgens zelf uit te voeren.’

Bij Topsupport blijft het voorlopig vooral bij plannen. De stichting heeft op dit moment acht aanstormende topsporters onder haar hoede, die door mentoren als Robert de Wit, Hans Koeleman, Gerard Nijboer, Theo Meijer, Yvonne van Gennip en Henk Lubberding worden bijgestaan. Maar het hadden er eigenlijk al ‘enige tientallen’ moeten zijn. Van Breukelen: ‘Het grootste probleem is NOC-NSF en sponsors ervan te overtuigen dat dit een integere manier is het topsportklimaat van Nederland te verbeteren. NOC-NSF zag ons aanvankelijk als concurrent, maar is bijgedraaid. We praten al over samenwerking.’

Van Gaal gelooft in wat hij zegt en iedereen weet van hem: gebeurt het niet op de manier zoals hij wil, dan is hij weg.

Topsport

Vorige week werd het blad Topsport gepresenteerd, dat het werk van Topsupport onder de aandacht van het brede publiek moet brengen en toestroom van sponsors moet bevorderen. Het blad verschijnt elke twee maanden, als bijlage van het weekblad Panorama. De presentatie vond plaats in het Ajax-stadion en werd opgefleurd door een toespraak van Louis van Gaal. De bedoeling was dat de oefenmeester van Ajax zijn coachvisie zou toelichten. Het werd een excercitie in leiderschap. Van Gaal ging tekeer alsof hij voor een troep rekruten stond.

Maar bij Van Breukelen ging de toespraak erin als koek.

‘Er zijn er maar weinig die op zo’n manier kunnen vertellen. Zo duidelijk, zo zonneklaar. Ik heb respect voor de power waarop Van Gaal zijn ideeën probeert te realiseren. In een wereld waarin zoveel emoties opkomen en om het minste of geringste op je wordt geschoten, is het belangrijk exact duidelijk te maken wat je wilt. Een coach kan alleen maar overleven door de kracht van zijn ideeën. Je moet helder zijn, en ook nog eens eerlijk en consequent. Onenigheden, misverstanden moeten direct worden uitgepraat. Van Gaal doet dat perfect. Hij gelooft in wat hij zegt en iedereen weet van hem: gebeurt het niet op de manier zoals hij wil, dan is hij weg.’

Zo ziet Van Breukelen zijn eigen positie ook. Als hoofdredacteur van Topsport (Motto: ‘Míjn eigen sportblad voor alle échte sportliefhebbers van Nederland’) heeft hij een absoluut vetorecht bedongen. ‘Er komt alleen in wat ik wil. Ik zal me niet ontzien interviews eventueel te zuiveren van krachttermen.’

Panorama lijkt niet het meest geschikte podium voor nobele boodschappen, maar over dat bezwaar stapt Van Breukelen blijmoedig heen. ‘Ik zeg eerlijk: ik was liever in zee gegaan met een blad als Voetbal of Sport International. Ik heb daarover ook met de uitgever en beide hoofdredacteuren gepraat. Het is uiteindelijk afgeketst op hun onwil te investeren. Panorama wilde wel investeren. En eiste bovendien qua inhoud geen enkele zeggenschap.’

Apetrots is hij op het eerste nummer. ‘Mooi verhaal over de enkel van Van Basten, hè. Onthullend, zeg maar. Absoluut geen Panorama-verhaal.’ Over de advertorials waarin Maarten Ducrot en Henk Lubberding de lezer proberen te verleiden tot de aanschaf van peperdure fietsonderdelen, en Arnold Vanderlijde reclame maakt voor een zelf geïmporteerde vorm van boks-aerobics, ‘dat is de Panorama-invloed, en het gevolg van onze bewuste keuze sponsors de ruimte te geven’.

Als adjunct-directeur van Breecom – gespecialiseerd in spijkerbroeken en vrijetijdskleding, twintig winkels, honderd man personeel – is hij verantwoordelijk ‘voor het functioneren van de mensen’. ‘Voordat ik binnenkwam, heb ik directeur-eigenaar Hessel van Bree, met wie ik al jaren ben bevriend, voorgesteld zijn bedrijf door een extern bureau te laten doorlichten. Daar kwamen drie dingen uit: er is veel functie-onduidelijkheid, er is een slechte onderlinge communicatie en er is nauwelijks een pr-beleid. Aan mij de taak om de zaak opnieuw op de rails te zetten. Daarvoor heb ik mezelf anderhalf, twee jaar de tijd gegeven.’

In de korte tijd dat hij voor de firma actief is, meent Van Breukelen al enige verbeteringen te kunnen constateren. ‘Het personeel blaakt van enthousiasme, de winkel lééft,’ zegt hij met het vuur van een coach die over een nieuw elftal praat. Al kan dat ook komen door de displays in de Breecom-winkels met de kreet: Gooooal! Korting! met daarbij de kop en de naam van Van Breukelen.

Zoetsappig en soft

Als voetbalcommentator voor RTL hanteert Van Breukelen bij voorkeur de fluwelen handschoen. Balverlies, mislukte combinaties of een nonchalant getrapte hoekschop – Van Breukelen lijkt het niet te zien. Kritiekloos schaart hij zich achter ‘onze jongens’.

Als mensen geen gebruik willen maken van wat ik heb te bieden, zet ik er een streep onder.

‘Ik weet dat ik overdrijf. Dat ik wat meer afstand moet nemen, analytischer moet worden. Maar mijn uitgangspunt blijft hetzelfde: ik streef geen journalistieke objectiviteit na. Ik sta met de jongens in het veld, en zo wil ik het houden. Als RTL het anders wil, moeten ze een ander nemen.’

Als speler was je bloedfanatiek: altijd schreeuwen, vloeken, tieren. In je commentaar ben je zoetsappig.
Hij is het er helemaal mee eens. ‘Het is nog te soft allemaal. Ik neem de spelers te veel in bescherming. Luxemburg-Nederland was ook een minder goede wedstrijd dan ik in mijn commentaar liet doorschemeren.’

Van Breukelen hoopt dat hij op zijn nieuwe werkterrein tot even grote hoogten zal stijgen als vroeger onder de doellat. ‘Op het moment dat ik ergens de kans krijg, vecht ik me het hemd van het lijf.’

In stilte hoopt hij op wat tegenwind. Als hij in het nauw wordt gedreven, als anderen twijfelen aan zijn vaardigheden, gedijt hij het best. Dat heeft hij in zijn keeperscarrière wel bewezen.

‘Angst en twijfel kunnen mij motiveren. Dan wordt het beest in me wakker dat per se met die angst en twijfel wil afrekenen. Dan neemt die over-mijn-lijkmentaliteit bezit van me. Zo zal ik me ook in de burgermaatschappij laten kennen. Met één verschil: ik laat me niet meer verleiden tot een gevecht tegen windmolens. Als mensen geen gebruik willen maken van wat ik heb te bieden, zet ik er een streep onder. Samenwerken is een kwestie van geven en nemen. En ik heb genoeg gegeven. Hoe arrogant dat ook klinkt.’