De angst van P.F. Thomése
Iets in mij zegt me dat ik doodga. Maar toch, laatst, toen het ging gebeuren, wilde ik het niet geloven. Ik was wakker geworden van een hevige pijn in het middenrif. Het waren de bekende tekenen van de hartaanval, zoals ik die in mijn hypochondrische momenten zo vaak had doorgenomen. Het klopte als een bus. Ik had weliswaar geen medicijnen gestudeerd, maar als zich in je lichaam dergelijke fatale bewegingen voltrekken, voel je zoiets gewoon.
Mijn eerste gedachte was dat ik, als ik de kinderen naar school had gebracht, niet volgens de dagelijkse routine verder kon gaan werken aan mijn roman De weldoener, die zich volgens de principes van de fuga naar een noodlottig einde spoedde. Net als ik. Verrek ja, net als ik. Als er een god bestond, en hij heette toevallig Toeval, dan was het wel héél toevallig dat ik nu, op wat later in druk blz. 256 zou blijken te zijn, het loodje moest leggen. Ik kon het niet uitstaan dat ik plotseling moest ophouden terwijl mijn hoofdpersoon, ontsnapt aan de bedoelingen van de auteur, ongedeerd zou blijven. Dat was een te wrede speling van het lot. De schrijver stierf op blz. 256, zodat de hoofdpersoon in een voor eeuwig open einde doodleuk kon blijven vluchten alsof er niets aan de hand was.
Dit mocht niet gebeuren! Ik wilde best dood, dat hoorde nu eenmaal, maar niet nu. Ik had, achteraf gezien, nog maar 92 bladzijden te gaan. Het einde al in zicht, zou je zeggen. Het laatste rechte stuk.
Inmiddels bemoeilijkte de pijn op de borst een regelmatige ademhaling, ik zat opgesloten in mijn lichaam en bonsde op alle ramen, maar niemand hoorde mij. Al het personeel was al naar huis, er was niemand om mij naar buiten te laten.
Sterven is een vreemde zaak; er is, als het eindelijk gebeurt, weinig wat er verder meer toe doet. Je aanwezigheid is al raadselachtig geworden, onbegrijpelijk haast.
Ik dacht aan degenen die me voor waren gegaan. Mijn vader, mijn kind. Ik dacht ook eventjes aan mijn overleden Haarlemse vriend Louis Ferron, aan wie ik tijdens het schrijven zo veel had gedacht. Ik dacht eraan hoe hij op zijn sterfbed in het nazomerende Ramplaankwartier met zwakke hand naar buiten wees, waar ergens de wereld was, waar hij geen deel meer aan had en die hem al vreemd geworden was. Maar vooral dacht ik aan mijn kinderen die leefden en die straks gewoon naar school toe moesten, gelukkig wel, onwetend van een verdere jeugd zonder vader.
Om niemand nodeloos tot last te zijn, maar ook om mijn einde nog niet een voldongen waarheid te laten zijn, sleepte ik me kreunend naar de auto, met de bedoeling gauw naar het ziekenhuis te rijden – net als in mijn boek. Had ik, als in een droom, mijn dood al beschreven? Als ik in een god geloofde, was het in de god van de literatuur, die zoals bekend de mussen van het dak laat vallen of het niets is. Een soort blinde Borges die onverschillig toeziet. Het kwam me daarom niet denkbeeldig voor dat rondom deze roman schijn en werkelijkheid op sardonische wijze dooreen gehusseld werden. Ik had me er als auteur over verkneukeld om mijn kwakkelende kerkcomponist uitgerekend op Goede Vrijdag zijn uur U te laten beleven. Dat deed men kennelijk niet straffeloos, want wellicht werd ook ik ergens beschreven, en paste het in dat verhaal om mij dood te laten neervallen, terwijl mijn reddeloze meisjesredder met zijn nieuwe vriendinnetje van deze onbekende literaire god mocht opstaan uit de dood, een überkatholieke poppenkast waar ik zelf, als alwetende verteller, natuurlijk niet in wenste te geloven. Als er per se een god moest zijn, dan was ik dat nog altijd zelf, godverdomme.
Inmiddels lag ik op de hartbewaking en sloten ook de medici, die zich in groten getale om mijn brancard verzameld hadden, niet uit dat op deze doordeweekse ochtend mijn laatste uur was aangebroken. Ik voelde me zo uitputtend moe van de pijn dat ik het liefst wou slapen, maar dat mocht niet van mijn redders. Wakker blijven! Of mijn vrouw het wist? Wat wist? Dat ik hier lag te creperen, bedoelden ze. Mijn vrouw werd gebeld en daar was ze al. Ik las in haar ogen wat ik zelf ook al vermoedde en nu pas werd ik werkelijk bedroefd. Omdat ik wist wat ik ging achterlaten: wat mij het liefste was en wat nu ging bestaan zonder mij. Ik dacht aan mijn stervende vader, die ik nu zelf was geworden, het was nu zover, ik ging verdwijnen, mijzelf verweesd achterlatend.
(In het voorbijgaan herinnerde ik mij ook nog even de vaste nachtmerrie van mijn oudste zoontje. In deze boze droom wordt hij aangevallen door een zwart gat dat snel dichterbij komt en dat plotseling in iets zwaars blijkt te zijn veranderd. Iets donkers wat hem dreigt te verpletteren. Maar angst had ik niet. Als het gebeurt, heeft men zelden angst. ‘Ga maar weer slapen, jongen,’ troost ik hem daarom. ‘Het is niets.’)
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.