Zuid-Afrika

Je hecht je aan de portretten van Pieter Hugo (Johannesburg, 1976), terwijl er zoveel redenen zijn om dat niet te doen. Nauwelijks onder de oppervlakte van de schijnbaar onbevangen blik van de geportretteerden zie je alles wat een mens zichzelf en anderen aandoet: pijn, schaamte, verdriet, mislukking, vernedering en, gelukkig, soms ook nog sporen van trots en hoop. De geportretteerden kunnen de naaktheid van het bestaan niet verhullen, zelfs als ze een verleidelijk bedoelde pose aannemen of een voornaam staatsieportret nabootsen. En de stillevens zijn al even schrijnend: plastic bloemen in een vaas en een uitstalling van schamele bezittingen met de afstandsbediening in plastic gewikkeld. Het is verontrustend werk.

Hugo maakt het zichzelf niet makkelijk. Nooit gedaan ook. Hij begon in 2000 en brak snel internationaal door met zijn heftige series over kwetsbare albinoÔÇÖs, Nigeriaanse filmacteurs in bizarre kostuums, aidsslachtoffers in hun kist, jongens wroetend op de...