Goede, menselijke thuiszorg voor een redelijk bedrag – in vijf jaar bewees Buurtzorg Nederland dat het wél kan.

Mevrouw De Jong en verpleegster Aenne Werner: vierentwintig uut per dag bereikbaar. Beeld: Jeroen W. Mantel

‘Wie is daar?’ klinkt het door de intercom als Aenne Werner om even voor achten aanbelt bij haar eerste patiënte. ‘De wijkzuster,’ antwoordt ze opgewekt. In haar spijkerbroek met daarop een kort windjack stapt ze een seniorenflat in Amsterdam-Oost binnen waar mevrouw De Jong dagelijks hulp krijgt van Buurtzorg. Nadat de vrouwen elkaar met een kus hebben begroet, gaat Aenne op een krukje naast de bank zitten. Mevrouw De Jong babbelt er vrolijk op los terwijl Aenne – met groene, plastic handschoenen aan – helpt bij het aantrekken van haar steunkousen. Mevrouw De Jong vertelt over de rollatorloop in het Oosterpark die mede door Buurtzorg werd georganiseerd. Dit jaar was de tweede keer dat de minder mobielen met elkaar het park door crossten. Haar zoon – in zijn brandweeruniform, vertelt ze trots – ondersteunde haar tijdens de wandeling, die ongeveer een uur duurde.

Als Aenne’s mobiele telefoon gaat, loopt ze even de kamer uit. Ze heeft vandaag dienst, en dat betekent dat ze niet alleen voor haar collega’s van het Buurtzorgteam bereikbaar moet zijn, maar ook voor alle cliënten uit Oost.

Cliënten en artsen kunnen zeven dagen per week en vierentwintig uur per dag een verpleegkundige van Buurtzorg aan de telefoon krijgen. Geen callcenter, niets doorverbinden met zoveel wachtenden voor u, geen voicemail, er komt altijd iemand aan de lijn. Met de aanpak van Buurtzorg zouden de gruwelverhalen over thuiszorg tot het verleden moeten behoren. Niet voortdurend een andere verpleegster aan je bed. Of iemand die maar vijf minuten heeft om je te wassen. De verpleegkundige moet net als vroeger de spin in het web zijn, die inzicht heeft in de situatie en weet wat nodig is. De hulp moet erop gericht zijn patiënten op den duur weer zelfstandig te laten zijn; de droom van iedere beleidsmaker.

Skip de manager

Toen het eerste Buurtzorgteam in december 2006 in Enschede begon, stapte directeur en oprichter Jos de Blok zelf weer op de fiets en ging de wijk in. Patiënten kreeg hij via huisartsen die allang blij waren dat ze hem direct aan de lijn kregen. Al snel kwam er een tweede team in Utrecht, een derde in Elst en nu zijn er driehonderdvijftig teams verspreid door Neder-land. Alleen de Waddeneilanden zijn met eentje op Terschelling wat onderbedeeld.

Van links tot rechts werd zijn initiatief omarmd; of het nu Fleur Agema was van de PVV of Agnes Wolbert van de PvdA, op het Binnenhof is De Blok een graag geziene gast. Een paar weken geleden nog zat hij op uitnodiging aan tafel bij minister Edith Schippers, in het vorig kabinet had hij vooral contact met staatssecretaris Jet Bussemaker en toenmalig premier Jan Peter Balkenende. De huidige staatssecretaris Marlies Veldhuijzen van Zanten noemde onlangs in Nieuwsuur Buurtzorg als voorbeeld waar mensen zonder hun afgeschafte persoonsgebonden budget goed terecht kunnen.

Voor Jos de Blok waren de verregaande bureaucratie en het falende management aanleiding om Buurtzorg Nederland op te richten. Zijn plan was simpel: zet verpleegkundigen bij elkaar, maak ze verantwoordelijk voor wat ze doen en skip de manager; dat is niet alleen efficiënt maar scheelt ook een hoop geld. Dankzij een uitgekiend ICT-systeem kunnen de verpleegkundigen niet alleen van elkaars patiënten op de hoogte blijven, maar elkaar op afstand ook om raad vragen.

Het bleek een schot in de roos; overal in het land verlieten verpleegkundigen de reguliere thuiszorg om over te stappen naar Buurtzorg. Geen coördinatoren, geen managers, de teams waren voortaan zelf verantwoordelijk voor de taakverdeling, iemand hield de roosters en de planning bij, een ander de administratie. Bij problemen konden ze contact met Almelo zoeken, waar het hoofdkantoor inmiddels stond. Nu, vijf jaar later, werken er bijna vierduizend mensen en is de omzet meer dan honderddertig miljoen euro.

Couch-surfende meisjes

We hebben wind tegen als we naar het volgende adres fietsen. Een weduwnaar van in de zestig heeft in zijn smalle, donkere keukentje twee computers neergezet. Een groot deel van zijn tijd zit hij daarachter. De zitkamer is een klein museum vol beeldjes en vaasjes die zo te zien nooit van hun plaats komen. Als ik per ongeluk ga zitten op een van de zachtroze skaileren stoelen, word ik door de bewoner terechtgewezen. Alles moet hier precies zo blijven als toen zijn vrouw nog leefde. Alleen toen er een keer drie couch-surfende meisjes bij hem logeerden, nam hij een foto van ze op de bijna heilige bank en toonde die trots aan een Buurtzorg-medewerkster.

‘Heb je het nieuws al gehoord?’ vraagt hij vanochtend aan Aenne, en hij kijkt haar verwachtingsvol aan. Als ze nee schudt, lijkt hij even teleurgesteld maar hij gaat dan gretig verder: ‘Ik heb drie dagen in het ziekenhuis gelegen, mijn hart was er bijna uit gelopen, ik had makkelijk dood kunnen zijn.’ Om er met een gelaten blik aan toe te voegen: ‘Ach ja, je komt en je moet ook een keer gaan.’

Aenne leeft met hem mee en vraagt naar zijn medicijngebruik. ‘Ik heb er een vracht; voor mijn hartoperatie slikte ik wel dertig pillen per dag, dat is nu iets minder. Ik moet drie keer in de week voor controle naar het ziekenhuis en twee keer in de week komt de trombosedienst langs.’

De nachten zijn lang, vertelt hij. Als hij zijn ogen sluit zakt hij even weg, maar drie uur later wordt hij alweer wakker. ‘De ochtend begint voor mij om vier uur. Slaappillen wil ik niet, dan heb ik geen controle meer.’ Aenne, die naast hem zit in het kleine keukentje: ‘Sommige mensen hebben baat bij yoga.’ Hij raakt zijn beeldscherm aan: ‘Dit is mijn yoga.’

Aenne geeft niet op: ‘U weet dat een computer meer prikkelt dan een boek? Ik zal het er met mijn collega over hebben. Die weet veel van slapeloosheid, misschien heeft ze goede tips.’

Na het aantrekken van de steunkous stelt Aenne voor dat Buurtzorg het prikken overneemt zodat de trombosedienst niet meer langs hoeft te komen. Dat scheelt weer vreemde gezichten.

Linda Schokker bepaalt zelf hoe vaak ze langs moet bij het echtpaar Basaran. Beeld: Jeroen W. Mantel

Mekka voor boeven

In de volgende seniorenflat, vlak bij het Flevopark, hangt een briefje waarin de politie de bewoners voor oplichters waarschuwt. Elke ouderenflat is een mekka voor deze boeven die hopen dat de bejaarde bewoners niet begrijpen wat ze aanbieden en uit schaamte over hun onnozelheid dan ‘ja’ zeggen. In de lichte, ruime kamer staat een zevenentachtigjarige man wankel op zijn benen, hij heeft vier hersenbloedingen achter de rug. Zijn vrouw slaapt nog. Ze heeft een slechte nacht gehad. ‘Zal ik haar wakker maken?’ vraagt Aenne. De man reageert niet omdat hij zijn gehoorapparaat nog niet in heeft. De laatste maanden kende zijn vrouw nogal wat tegenslag. Eerst kreeg ze een nieuwe heup die niet goed bleek, daarna liep ze een ziekenhuisbacterie op. ‘Ik mocht haar niet bezoeken, ze lag geïsoleerd. Ik keek de hele dag tv, wat een eenzaamheid.’

Twintig minuten later komt de vrouw, die zichtbaar niet lekker is, de woonkamer in. Aenne heeft haar geholpen bij het douchen en ondersteunt haar nu. ‘Zo heerlijk om weer schoon te zijn,’ verzucht de vrouw.

Aenne is er niet helemaal gerust op: de vrouw heeft vreselijke diarree gehad en ze moet natuurlijk niet uitdrogen. Ze besluit de huisarts te bellen. Na een gesprek met de assistente kan ze het echtpaar geruststellen. ‘Of de dokter komt langs, of hij belt mij. Ik kom zelf in elk geval aan het eind van de ochtend terug. Ik laat het bed nu luchten, straks leg ik er schone lakens op en gooi ik de vieze spullen weg.’

In de lift naar beneden pakt Aenne een flesje met desinfecterend spul uit haar tas en spuit dat op onze handen.

Huilende huisarts

Twee keer op een ochtend langs bij dezelfde client, dat was bij haar vroegere werkgever Amsterdam Thuiszorg ondenkbaar. Aenne Werner vertrok er vier jaar geleden, net als veel van haar collega’s. De bureaucratie was er enorm: verpleegkundigen waren er voortdurend bezig met het invullen van papieren, huisbezoeken moesten op de minuut af worden getimed en er bleef onvoldoende tijd over voor hun eigenlijke vak: het zorgen voor patiënten. Het leek alsof de leiding daar niet in was geïnteresseerd. Waardering ontbrak.

Voor Aenne Werner gaf een telefoongesprek met een van de huisartsen de doorslag. Die barstte in tranen uit toen hij haar eindelijk aan de lijn kreeg. Hij had zich suf gebeld naar allerlei nummers van Thuiszorg vanwege een spoedgeval, maar het was hem niet gelukt iemand te bereiken. ‘Toen ik hem had beloofd verpleeghulp te zullen regelen, realiseerde ik me dat ik ook niet wist wie ik moest benaderen. Ik besefte dat ik weg moest.’

Niet veel later, in 2008, ging Amsterdam Thuiszorg door mismanagement bijna failliet. Tot woede van veel oud-werknemers kreeg een van de bestuurders bij zijn vertrek ook nog eens een groot bedrag mee.

Trots

Aenne Werner bleef na haar overstap in dezelfde wijk werken waar ze ook voor Amsterdam Thuiszorg had gewerkt. Het kantoor zit in een woonhuis met aan de ene kant coffeeshop The Stud en aan de andere kant een duister café dat ’s ochtends vroeg al open is.

Aenne Werner biedt me een stoel aan in de voorkamer. Nee, niet die ene, zegt ze, want daar zak je doorheen. Alle teams zoeken zelf een huis en richten dat in van het budget dat ze via Almelo krijgen. Ze krijgen een mobiele telefoon en worden volgens de cao betaald. Aenne Werner heeft weer plezier in haar werk, zegt ze. ‘Bij mijn vorige baan zag ik soms twaalf patiënten op een ochtend, het was gekkenwerk. Nu drink ik soms een kop koffie bij een patiënt; zo kan ik zien hoe het écht met iemand gaat.’ De verpleegkundigen hebben onderling veel contact. Ze bespreken niet alleen de patiënten, maar ook hoe je omgaat met intimiderende familieleden. Vanwege haar eigen specialisatie, gezondheid bij allochtonen, waar ze binnenkort ook op hoopt te promoveren, houdt Aenne open spreekuur in het buurthuis. Ze controleert de bloeddruk, of de bloedsuikerspiegel, wat mensen maar willen.

Wat bij Aenne Werner en bij alle verpleegkundigen die ik spreek overheerst, is de trots die ze voelen nu hun vak weer in ere is hersteld. ‘We werden door het management in zo’n grote thuiszorgorganisatie voortdurend naar beneden geduwd alsof we dom en onbenullig waren. Daar heeft Jos de Blok een eind aan gemaakt.’

‘Nu drink ik soms een kop koffie bij een patiënt, om te zien hoe het écht gaat’

Fanatiek mannetje

Een onopvallende man in een spijkerbroek, donker haar, een zachte stem en een vriendelijk gezicht. Jos de Blok zou je buurman kunnen zijn, of de begripvolle leraar van je kinderen. Toch was hij van jongs af aan een fanatiek mannetje, zegt hij zelf. Vroeger stemde hij CPN en nu SP, hij is altijd op zoek naar rechtvaardigheid. En hij is een optimist met een groot geloof in de goedheid en veranderingsgezindheid van de mens. Als werknemers niet goed functioneren, ligt dat eerder aan de organisatie dan aan henzelf. Als iedereen op een goede, creatieve, betrokken manier wordt ingezet, zijn mensen volgens De Blok tot veel in staat.

Erg idealistisch klinkt hij soms, en iets te weinig realistisch. Maar zo wil hij het, en voorlopig krijgt hij er maandelijks honderdvijftig nieuwe medewerkers bij. Als die zich persoonlijk met elkaar verbonden voelen, komt het goed, is zijn overtuiging. En wat doe je met niet-functionerende collega’s? ‘Tegen hen moet je eerlijk zijn, vertellen dat ze beter weg kunnen gaan.’

Zijn liefde voor het vak kreeg De Blok tijdens zijn stage bij een oudere wijkzuster die haar kennis dolgraag wilde overdragen. ‘Ze ging overal op af. Alleen al haar krachtige aanwezigheid beïnvloedde de situatie in zo’n gezin; dat sprak me aan.’

Op staande voet ontslagen

Toen De Blok eind jaren tachtig zijn loopbaan als verpleegkundige begon, was hij in dienst van de plaatselijke kruisvereniging, tot die ging fuseren en De Blok in 1990 zijn eerste ‘leidinggevende’ kreeg. Die kondigde snel aan dat zij werkbesprekingen met hem wilde houden. ‘Waarover het precies moest gaan, kon ze me niet zeggen. Ook niet wat het nut ervan zou zijn. Bovendien was ze maatschappelijk werkster, dus geen vakgenoot. Ik vond het onzin en verscheen niet op de afspraak. De volgende dag lag er een brief bij mij thuis met de mededeling dat ik op staande voet was ontslagen.’

De Blok belde haar op en vroeg haar waarom ze achter zijn rug naar de directeur was gestapt. Omdat hij zich niet aan haar regels had gehouden, luidde het antwoord. Zo ondermijnde hij haar gezag. Het ontslag werd uiteindelijk ingetrokken, maar toen de term ‘professionalisering’ steeds meer gebruikt werd en er ‘indicatieorganen’ kwamen, had De Blok het idee dat de patiënt er alleen maar op achteruit ging. Hij besloot zelf regiomanager te worden. ‘Kon ik het systeem van binnenuit veranderen.’ Maar daarvoor bleek het al te laat. ‘Tijdens vergaderingen ging het om groei en om omzet, de twintigduizend medewerkers van de thuiszorgorganisatie werden gestimuleerd hun patiënten nog meer zorg aan te bieden, om herindicaties aan te vragen, dat leverde allemaal centjes op.’

Uiteindelijk begreep De Blok dat er maar één ding op zat: voor zichzelf beginnen, succesvol zijn en zo laten zien hoe de reguliere thuiszorg disfunctioneerde. Het was pionieren, en alles kwam tegelijk; zijn eigen leven – hij lag in scheiding – stond in die tijd ook op z’n kop. Hij begon samen met zijn nieuwe partner Gonnie Kronenberg vanuit huis en betrok na een paar jaar een kantoortje in Almelo. Sinds een paar maanden heeft Buurtzorg een serieus bedrijfspand op het industrieterrein. De twee teams die in Almelo werken, zitten tijdelijk in zijn oude kantoor.

Huisartsen werken graag met Buurtzorg. Wim van Kernebeek schakelt ze net als de andere huisartsen uit zijn groepspraktijk in het centrum van Amsterdam altijd in. ‘Ze zijn bereikbaar en ze bellen altijd terug. Ik geloof in kleinschaligheid en in goede communicatie. Bij Buurtzorg werkt een vaste groep mensen, er is weinig verloop en ze kennen elkaars patiënten. Ze komen ook op tijd en niet drie uur later, wat bij Cordaan (de grote Amsterdamse thuiszorgorganisatie) nog wel eens gebeurt.’

‘Ik weet dat een aantal huisartsen graag Buurtzorg inschakelt,’ reageert Monique Spreitzer, juriste en een van de drie Thuiszorgdirecteuren bij het concurrerende Cor-daan. Wat Jos de Blok heeft gerealiseerd is heel knap, vindt Spreitzer. Cordaan heeft van zijn vernieuwende aanpak geleerd, ze zijn er geschrokken toen de verpleegkundigen een paar jaar geleden en masse naar Buurtzorg overstapten. Ook bij Cordaan wordt nu met kleinere teams gewerkt en de verpleegkundigen zijn beter bereikbaar dan vroeger, zeker voor huisartsen. Cliënten en huisartsen kunnen ook terecht bij het Cliëntenservicebureau (de zogenaamde front office), die ze dan met het juiste wijkteam doorverbindt. Er geldt nog steeds een afgepast aantal minuten voor bepaalde verpleegkundige handelingen, maar de sfeer is beter dan een paar jaar geleden.

Werk mee naar huis

Je committeren, verantwoordelijkheid nemen – de aanpak van Buurtzorg is soms pittig, juist omdat je je niet meer achter een manager kunt verschuilen. ‘Je moet Buurtzorg niet idealiseren,’ zegt een medewerkster uit Maas en Waal dan ook. ‘Van de verantwoordelijkheid die nu op mijn schouders rust, lig ik soms wakker. We begeleiden veel patiënten in de laatste fase van hun leven, en dat is zwaar. Anders dan vroeger neem ik mijn werk tegenwoordig mee naar huis.’

‘Ze zijn bereikbaar en ze bellen altijd terug. Ik geloof in kleinschaligheid’

Sommigen vinden het lastig alles zelf te moeten beslissen; er zijn drie coaches die gebeld kunnen worden en ook Jos de Blok zegt dat hij altijd bereikbaar is. Maar in de praktijk is hij zo druk dat die directe lijn steeds moeilijker wordt, is de ervaring van medewerkers. Dat is geen onwil, maar De Blok wordt voortdurend overal uitgenodigd en Buurtzorg groeit nog steeds in een duizelingwekkend tempo. In 2010 hadden ze vijfentwintigduizend patiënten en in 2011 verwacht De Blok een verdubbeling: vijftigduizend patiënten. Is die groei niet te groot? De Blok, verbaasd: ‘Nee, waarom?’Voor de verzekeraar is werken met Buurtzorg relatief goedkoop omdat de kosten per patiënt laag zijn. De verpleegkundigen zijn hoogopgeleid, maar zodra de hulp niet meer nodig is, vertrekt Buurtzorg. De kosten van het verplegen van terminale patiënten (die vaak nog jong zijn) vallen duizenden euro’s lager uit omdat Buurtzorg het initiatief neemt familie en vrienden bij de verzorging te betrekken.

De Blok zucht en steunt nooit, behalve als hij het heeft over de zorgkantoren die bemiddelen tussen de aanbieders en ontvangers van langdurige zorg. Soms wordt hij nog gezien als een Robin Hood, een man die van geen wijken weet, een bedreiging. Zeker daar waar andere thuiszorgorganisaties lange tijd het monopolie hadden. Daarom ligt hij al een tijd in de clinch met sommige verzekeraars. Achmea bijvoorbeeld vindt dat Buurtzorg te snel groeit. Het bedrag dat voor 2010 was afgesproken werd overschreden doordat er meer patiënten kwamen dan was verwacht; die rekening weigert Achmea te betalen. Maar Jos de Blok zet door, hij gelooft in zijn missie. Nu het pgb (persoonsgebonden budget) sterk wordt ingeperkt, ziet hij nieuwe kansen. De Blok gelooft niet in standaardoplossingen: voor elke situatie moet je iets passends bedenken en dat zal straks met al die mensen zonder een pgb hard nodig zijn. Als het aan hem ligt, doet hij dat niet alleen, maar samen met familieleden en zzp’ers. ‘Iedereen heeft z’n eigen expertise.’

Soms nog gezien als een Robin Hood: Buurtzorg-oprichter Jos de Blok. Beeld: Jeroen W. Mantel

Durven douchen

Iets voor negenen zet Wenda Lakerveld haar fiets op slot voor het huis waar ze haar tweede patiënt van die ochtend zal bezoeken. De deur van het benedenhuis in Amsterdam-Zuid gaat op een kier als ze heeft aangebeld, een kleine vrouw van vijfennegentig – nog in pyjama – steekt haar hand uit. ‘Fijn dat u er bent, zuster.’ De thermostaat is ingesteld op vierentwintig graden, de televisie staat op Nederland 2. De vrouw houdt goed bij wat er in de wereld gebeurt, nooit mist ze het politieke vragenuurtje op dinsdagmiddag.

Twee maanden geleden is ze gevallen in haar zitkamer, haar schouder was bont en blauw en ze kon hem niet goed bewegen. Vanaf dat moment voelde ze zich onzeker in huis en douchen durfde ze al helemaal niet meer. Nu komt er drie keer per week iemand van Buurtzorg, eerst om haar blessure te verzorgen en nu om haar te helpen bij het douchen tot ze weer genoeg zelfvertrouwen heeft om zonder hulp de badkamer in te gaan.

Wenda brengt de vrouw naar de badkamer en wacht ondertussen op de bank: ‘Ze moet het zelf proberen. Als het niet gaat, dan roept ze me.’ De vrouw durft eigenlijk niet meer in haar eentje naar buiten: ‘Ik ben een huismus.’ Ze is bang om te vallen, daarom gaat ze samen met de fysiotherapeut een keer in de week naar buiten om wat boodschappen te doen. De verpleegkundigen houden een logboek bij, dat op tafel ligt en waaruit hun brede blik blijkt: ‘Mevrouw was erg verdrietig over haar dochter die tien jaar geleden is overleden. Gepraat.’

Als we naar het volgende adres fietsen, vertelt Wenda dat ze net als Aenne Werner vroeger bij Thuiszorg Amsterdam werkte maar in de clinch lag met het management. Ze is het soort vrouw bij wie je je geen enkel conflict kunt voorstellen: vriendelijk, empathisch, zacht sprekend en ook nog vakkundig, blijkt bij het volgende bezoek aan een psychiater in een kast van een huis in de Concertgebouwbuurt. Die heeft net een heupoperatie achter de rug, haar wond moet regelmatig worden verzorgd. Het huis staat vol boeken en het meubilair stamt uit de jaren vijftig. Haar dochter die in Italië woont en is overgekomen om haar moeder te verzorgen, maakt zich zorgen over de wond. ‘Misschien moeten we er honing in spuiten,’ stelt Wenda voor. ‘Dat doodt alle bacteriën.’ Meteen worden er potten honing tevoorschijn gehaald, maar niet alle honing is geschikt, hij moet koudgeslingerd zijn (niet verwarmd door de imker). Als Wenda de wond heeft bekeken, concludeert ze dat de potten honing voorlopig dicht kunnen blijven: ‘De wond ziet er niet verontrustend uit; als hij echt ontstoken zou zijn, liep het pus er nu uit.’

Gerustgesteld laat de patiënte haar wond verzorgen. Of Wenda misschien iets heeft voor haar opgezette voeten? ‘Ik weet niet of ik die bij me heb, maar er bestaat een heel milde elastieken kous, heel geriefelijk; ik vraag wel of mijn collega Muriel hem meeneemt, zij komt vanavond.’

Medisch wonder

Iets voor elven, een kwartier later dan afgesproken, zijn we bij een Marokkaanse man met diabetes. Kennelijk wilde hij niet langer wachten, want hij heeft zijn insuline inmiddels zelf gespoten. Buiten spelen de kinderen van de Vrije School, hoge, vrolijke stemmetjes. Binnen schenkt de man zichzelf nog een kopje thee in, zijn vrouw ligt nog te slapen, vertelt Wenda. ‘Ze staat meestal laat op.’

De man heeft suikerziekte met complicaties. Als een medisch wonder loopt hij nog steeds rond en hij is zelfs net een paar weken naar Marokko geweest, waar geen Buurtzorg is die hem twee keer per dag komt controleren. Eenmaal weer thuis was zijn bloedspiegel dan ook totaal in de war.

Terwijl Wenda zijn medicijnen uit plastic zakjes (hij kan niet lezen wat erop staat) haalt en in doosjes overhevelt, vertelt ze dat twee van zijn kinderen ook suikerziekte hebben. Wel een ander soort, maar dat verhinderde niet dat vroeger alle insuline door elkaar in de ijskast lag en iedereen vrijelijk to etastte. Aan die chaos werd door Buurtzorg resoluut een eind gemaakt.

In het logboek staat dat meneer extra veel water moet drinken als hij een te hoge waarde heeft in zijn bloedsuikerspiegel. Bij een hypo ‘wanneer meneer niet meer kan drinken’, moet de verpleger van dienst ‘de huisarts bellen om glucagon toe te dienen. Ligt in ijskast.’

De man heeft al verscheidene ziekenhuizen en artsen versleten: zodra ze veel insuline willen geven, houdt hij het voor gezien. Hij wil zich prettig voelen, dan maar met hoge bloedwaarden. De medewerkers van Buurtzorg hebben zich erbij neergelegd. Als hij het zo wil, een man van in de tachtig, waarom zouden ze hem in godsnaam tegenwerken?’