Zeven jaar geleden was Frank Lodeizen met zijn halfbroertje na de hongerwinter uit Friesland teruggekeerd naar een bevrijd Amsterdam, waar niets hetzelfde was en hij zich zonder zijn ouders vanaf dag één een koekoeksjong had gevoeld bij zijn stiefmoeder, die was gaan samenwonen met een andere man. Een onbeduidend incident maakte duidelijk dat hij ook hier niet op zijn plaats was en hij vertrok naar oom Daan, de jongere en kinderloze broer van zijn vader.
Op een dag werd er aangebeld. Er stond iemand van het Rode Kruis voor de deur, met documenten waaruit bleek dat ze alle drie dood waren. Zijn moeder, zijn vader, zijn zusje. Omgebracht in Sobibor, Polen, op 28 mei 1943. De man had nog meer nieuws. Ook Frank Lodeizen, oud elf jaar, was vergast. Eveneens in Sobibor, op 2 juli 1943. Nee, dacht Frank. Dat klopt niet. Dat was het zoontje van oom Jules, Lex. Met zijn persoonsbewijs. En als dat bericht niet klopte, klopte dat andere misschien ook niet. Dan leefden zijn vader, moeder en Rifka nog. En zouden ze binnenkort, of misschien later, weer opduiken en hun oude leven hervatten.
Voor hem kruiste de Leidsestraat, die hij linksaf inliep. De winkels waren gesloten, de etalages lagen er doods bij. Hij snakte naar een borrel en stelde zich voor hoe café Eijlders rond dit uur langzaam volliep met kunstenaars en schrijvers en hun vriendinnen, hoe de ruimte zich vulde met rook van Gitanes en pijptabak en de eerste aangeschoten klanten hun stem verhieven. Nog een paar minuten en hij zou zich weer mengen tussen de kunstenaars en dichters die zich twee jaar geleden over hem hadden ontfermd nadat hij op een avond was binnengestapt en zich had voorgesteld.
‘Lodeizen?’ had iemand herhaald. ‘Familie van Hans?’
Om hem heen had zich een groepje stamgasten verzameld, dat zijn antwoord nieuwsgierig afwachtte.
‘Jazeker!’
Ze hadden gedoeld op zijn achterneef, Hans Lodeizen, van wie net een poëziebundel was verschenen. Hij had Hans nooit ontmoet, maar wist dat de dichter in deze kringen werd bewonderd om zijn weemoedige en opstandige poëzie over zijn leven in Amerika en de generatie van zijn vader, over feesten en de liefde. Hun familieband, hoe betekenisloos voor Frank dan ook, had hem in Eijlders onverwacht een mooie entree geboden. Misschien had hij het daarbij moeten laten, maar het leugentje was eruit voor hij er erg in had: ‘Ik heb thuis nog een ongepubliceerd gedicht van Hans liggen, aan mij opgedragen.’
Hans zelf zou het niet meer kunnen ontkennen. Vorige zomer was hij overleden, bezweken aan leukemie, in een kliniek in Lausanne, een paar dagen na zijn zesentwintigste verjaardag. Als het niet in de krant had gestaan, was diens dood aan hem voorbijgegaan.
Een welkome ontsnappingsroute
Te midden van zijn nieuwe vrienden in Eijlders voelde Frank zich voor het eerst sinds lange tijd geborgen. Ze boden hem grond onder de voeten en leidden hem af van de angst, een overweldigende angst die hem op onverwachte momenten overviel als een dief in de nacht, die zijn borst samenkneep en zijn keel dichtsnoerde. Zo was hij die eerste keer binnengekomen, met een klop in zijn keel, zweetplekken onder zijn oksels, suizende oren, gebalde vuisten en stramme knieën.
‘Slim, maar laat zich te veel leiden door zijn bovenmatige fantasie, los van de werkelijkheid,’ had in het rapport van de psycholoog gestaan. Daar moest hij nu aan denken. Oom Daan had hem ten einde raad aangemeld voor een beroeps- en karakteronderzoek, betaald door Stichting 1940-1945. De jonge psycholoog had geconstateerd dat Frank al zo teleurgesteld was in het leven, dat hij er geen verwachtingen meer van had. De afgelopen jaren hadden bewezen dat niets was wat het leek. Dat mensen zomaar konden verdwijnen, plannen konden verdampen en het geen zin had verder te kijken dan vandaag. Wat kwam, dat kwam. Zo zag hij het leven als 18-jarige en hij zou niet weten waarom dat zou veranderen. Dat had de psycholoog goed gezien.
Zijn nieuwe vrienden in café Eijlders boden hem grond onder de voeten en leidden hem af van de overweldigende angst die hem op onverwachte momenten overviel.
Hij had de man voorgehouden dat hij graag binnenhuisarchitect wilde worden. Nu hij eraan terugdacht, vroeg hij zich af wat er in hem was gevaren. Je kon die studie alleen volgen aan het Instituut voor Kunstnijverheidsonderwijs in Amsterdam, een schoolse bedoening, dus minder geschikt voor karakters als hij, had ook de psycholoog gewaarschuwd. Maar zijn familie had de gok genomen en de directeur gebeld of er nog plaats was. Zeven maanden was Frank er geweest, toen had hij ook die weg afgesneden. Misschien omdat hij intussen had ontdekt waar hij wel plezier in schiep: tekenen. Potlood en papier boden hem houvast en een welkome ontsnappingsroute, weg van het gezeur aan zijn kop over studeren en werken en plichten, naar een wereld waartoe alleen hij toegang had. Portretten, vergezichten, lijnen en lussen, planten en vreemde wezens, onder zijn hand gleden de beelden als vanzelf zijn leven in, zonder doel of dwang, zonder plan of project. Tekenen bracht een sensatie terug die hij voor het laatst had gevoeld tijdens zijn zwerftochten in de bossen in Eerde: vrijheid.
Andermans vrouw
Op het Leidseplein wierp de lichtreclame van KLM en Coca-Cola hoog tegen de gevels een zwak schijnsel. Het plein lag er donker en somber bij. Het leven was schraal, niemand had geld en ook maar enige hoop dat hij ooit geld zou bezitten en nergens brandde de kachel, behalve in de cafés. Frank leende geld van oom Daan, trok de sigarettenautomaat op het Koningsplein leeg voor drie kwartjes en pikte vroeg in de ochtend een van de flessen melk die de melkboer bij de huizen voor de deur had gezet, dronk hem leeg en leverde hem in voor het statiegeld. Soms verkocht hij op straat of in een café een portretje van een van zijn nieuwe kunstenaarsvrienden.

Hij trok met zijn schouders de kraag van zijn jas omhoog en stak het Leidseplein schuin over, liep langs de schouwburg de Korte Leidsedwarsstraat in tot aan café Eijlders en duwde tegen de koperen deurstang. Vlak achter de ingang lag het gastenboek.
Ja
bij Eijlders
houdt iedereen
zich tenminste
strikt aan andermans vrouw
Hij grinnikte, terwijl zijn ogen het inmiddels vertrouwde interieur opnamen. De bar van massief, lichtbruin eikenhout, de met rood kunstleer beklede barkrukken, de pompeuze leunstoelen en banken tegen een eiken beschot. De wielvormige kroonluchter met kaarslampjes en perkamentpapieren kapjes, het geroezemoes en de geur van bier vermengd met die van scherpe tabak… alles vormde een weldaad van herkenning.
Eijlders stond bekend als anti-nazicafé. Het verhaal ging dat John Eijlders in de oorlog wapens had verborgen in de banken. Het verplichte bordje ‘Voor joden verboden’ was op een dag achter de verwarming gezakt en daar nooit meer vandaan gehaald. Daarentegen hing het bord ‘Voor Weermacht verboden’ lange tijd stevig bevestigd boven de deur. Na de bevrijding adverteerde het café met de slogan ‘Eijlders, voor kunstenaars en intellectuelen’. Daar kwam veel volk op af. Acteurs, hoeren, halvegaren, maar ook schilders en schrijvers van de groep die inmiddels de Vijftigers heette en schilders van de Cobra-beweging. Eigengereide mannen die zich afzetten tegen de verstikkende burgerlijkheid die Nederland na de oorlog als een zware mantel had bedekt. Die maling hadden aan het behoudende gezag, dat deed alsof er geen oorlog was geweest, alles bij het oude wilde laten. Alsof men in 1940 de pauzeknop had ingedrukt en hem na vijf jaar eenvoudigweg weer losliet. Behouden wat er over was, dat was het beste, zo luidde de heersende opvatting. De vertrouwde zuilen van voor de oorlog waren nog sterk genoeg om tegenaan te leunen en dan wist je tenminste wat je had. De regering riep de Nederlanders op hard te werken, om het land op te bouwen en van Nederland een welvarende natie te maken. Er heerste woningnood, de mensen waren ondervoed, de fabrieken moesten weer gaan draaien en de landbouwproductie moest omhoog. Er was geen tijd om terug te kijken en conclusies te trekken, het was niet gepast om vragen op te werpen, en je hoorde zeker niet rond te hangen op het Leidseplein en in cafés zoals Eijlders of het nabijgelegen Reinders, lurkend aan een cola met rum of citroen of een jenever.
Franks nieuwe kunstenaarsvrienden wilden juist ruimte en vrijheid, de jaren van onderdrukking van zich afschudden door te laten zien dat grenzen niet bestonden, ook niet als het ging om schilderen en dichten. ‘Nederland bevrijd, de kunst bevrijd!’ riepen ze. In de zomer van 1948 namen de schilders Constant Nieuwenhuys, Corneille en Karel Appel het initiatief tot de oprichting van de Experimentele Groep in Holland. Een paar maanden later, in november 1948, ondertekenden ze in het Parijse café Le Notre Dame een pamflet, samen met de gelijkgestemde kunstenaars Asger Jorn uit Kopenhagen, Joseph Noiret en Christian Dotremont uit Brussel. Het was een vage tekst die ze naar buiten brachten, maar het signaal was duidelijk: het was tijd voor nieuwe kunst, vrij en spontaan. Ze lieten zich inspireren door kunstenaars als Pablo Picasso, Paul Klee en Joan Miró, maar wilden vooral een eigen taal creëren. Dotremont stelde voor de nieuwe beweging Cobra te noemen, afgeleid van de eerste letters van de drie hoofdsteden. In Nederland vonden ze ook aansluiting bij experimentele dichters als Bert Schierbeek, Jan Elburg en Lucebert.
Geklad, geklets en geklodder
Eijlders was volgelopen met bezoekers, alle krukken aan de bar waren bezet. Frank bestelde een jenever en zocht intussen de donkere krullen van Lucebert. Luceberts eerste bundel was net verschenen en het was zonneklaar dat deze man een status aparte had, van alle dichters en schrijvers in Eijlders er het meest in slaagde een nieuwe taal te scheppen. Frank vond het ronduit opwindend als Lucebert zelf zijn teksten voordroeg, met die dwingende, fluisterende stem en het donkere timbre. De klaterende r, de woorden aan elkaar geregen tot een bedwelmende cadans. Zijn teksten waren soms onbegrijpelijk, maar Frank zoog ze in zich op, herhaalde de zinnen fluisterend. Ook Luceberts tekeningen, met figuren, wezens, beelden los van elke werkelijkheid, leidden hem naar een compleet andere wereld, voelden daadwerkelijk als een bevrijding.
Hij had de nieuwe kunst voor het eerst gezien op een tentoonstelling in het Stedelijk Museum Amsterdam, in november 1949, genaamd Exposition internationale d’art expérimental. De nieuwe directeur van het Stedelijk, Willem Sandberg, wilde laten zien wat het geweld, de angst en de bezetting hadden gedaan met de jonge kunstenaars en dichters, hoe ze hun vrijheid vierden en de ruimte zochten. Hij had zeven zalen ter beschikking gesteld aan de kunstenaars die ze naar believen mochten vullen en liet de architect Aldo van Eyck een ruimte ontwerpen speciaal voor dichters. Van Eyck schilderde de muren zwart en bouwde een grote kooi van zwarte latten, waartegen de werken te horen, te zien en te lezen waren. Ook van Lucebert hingen enkele teksten op het houtwerk. Ze waren een openbaring.
De Cobra-kunstenaars wilden juist ruimte en vrijheid, de jaren van onderdrukking van zich afschudden door te laten zien dat grenzen niet bestonden.
‘Mijn hanen zijn vol kakkende rozen,’ las Frank. ‘Uit kokhalzen korrels krachtige ei pluis ik mij uit over de duivenkeel.’ Uit geluidsopnames kwamen klanken die samensmolten tot een muzikaal gedicht, woorden die botsten en ter plekke werden uitgevonden, scherpe aanklachten tegen onrecht en burgerlijkheid. Interpunctie, grammatica, vaste versvormen: de nieuwe dichters lieten het allemaal los. Zonder beperkingen die de werkelijkheid oplegde, vrij, zonder vooropgesteld plan, gewoon beginnen en zien waar het eindigt. Precies zoals Frank voelde dat hij moest tekenen.
Op de expositie hing ook werk van Karel Appel, Constant Nieuwenhuys, Corneille en Eugène Brands, vaak dik opgebrachte verf die op het doek leek te zijn gegooid, abstracte composities zonder kop of staart die ogenschijnlijk nergens op leken of een groteske verwijzing waren. De doeken hingen niet waterpas op gelijke hoogte, maar kriskras op de wanden. Enkele stonden nonchalant tegen de muur.

De kunstrecensenten vonden de werken ‘geklad, geklets en geklodder’ en de expositie ‘totaal overbodig’. Veel mensen vonden Picasso met zijn kubistische schilderijen al een oplichter, dus de ‘kindertekeningen’ van branieschoppers als Karel Appel waren al helemaal de aandacht niet waard. Maar een rel tijdens een lezing ter gelegenheid van de tentoonstelling had onverwacht voor veel publiciteit gezorgd. Alles draaide om een voordracht van de Belgische dichter Dotremont, hoofdredacteur van het tijdschrift Cobra. Na het drinken van een paar glazen water sprak hij in het Frans drie kwartier vol lof over de Sovjet-Unie. De bezittende klasse werd tot op het hemd uitgekleed en verdoemd. Dat ging velen te ver. ‘Merde, merde, merde!’ klonk het door de ruimte. Een kleine dikke heer met een rozig gezicht riep dat hij er niets van begreep. ‘Ik ben hier gekomen om Hollandse gedichten te horen!’ Lucebert maande Dotremont vergeefs te stoppen. De man nam weer het woord maar werd met stoel en al tegen de grond gebokst door de inrichters van de tentoonstelling, Aldo van Eyck en Constant. ‘Fascisten!’ riep iemand, waarop groot tumult ontstond. Mensen duwden, trokken, schreeuwden, scholden. Conservator Hans Jaffé kon niets anders doen dan de bijeenkomst sluiten.
Tot Sandbergs genoegen waren de bezoekersaantallen sinds de rel toegenomen. De mensen wilden na alle publiciteit wel eens zien wat er nou zo mis was met die experimentele kunst. Een meevaller voor de kunstenaars, want zij mochten de recette verdelen.
‘Twee joden weten wat een bril kost’
Frank pakte de jenever aan, en liep naar achteren, het trappetje op dat naar de keuken en de toiletten leidde. Het was de vaste plek voor de jonge kunstenaars in het café, daar hadden ze een goed overzicht over de gasten aan de bar, hun vrouwen, en wat er gebeurde.
In het halfduister zat de dichter Gerard den Brabander, zoon van een drukker die naast het dichten lang was blijven werken bij de posterijen en, schatte Frank, zo oud was als zijn eigen vader nu zou zijn geweest. Den Brabander kwam ’s ochtends al, haalde eerst een kam door zijn golvende haar, bestelde koffie, pakte vervolgens een nagelvijl en behandelde onder de tafel voorzichtig zijn nagels. Hij was zeer gevat en kon boeiend vertellen. Zijn scherpe tong en kraaienstem kastijdden de te bekakte bezoekers, die werden gedwongen genereus te trakteren, op straffe van hoon.
Frank had kortgeleden een portretje van de dichter getekend, en Den Brabander had er spontaan iets onder geschreven: ‘Hij kijkt als dichter zo bedroefd, alsof hij weer een joet behoeft.’ Bij een andere tekening schreef hij: ‘Dit gezicht is om van te ijzen | de tekening van Frank Lodeizen.’ De prijs van zo’n rijmprent ontstond naar gelang belangstelling en draagkracht, maar schommelde rond de tien gulden, vijf gulden de man.

Op deze plek, boven aan het trappetje, had hij kennisgemaakt met de schrijver Remco Campert, een stille jongen met een bril en de enige in zijn nieuwe vriendenkring met wie hij wel eens over de oorlog sprak. Ze voelden zich beiden verweesd, waren oorlogskinderen zonder bodem in hun bestaan, op drift. Remco’s vader was omgekomen in concentratiekamp Neuengamme, toen zijn ouders al gescheiden waren en Remco onder de hoede was van een pleeggezin. Ook Remco had de middelbare school verschrikkelijk gevonden en was er voortijdig mee gestopt, omdat hij schrijver wilde worden. ‘Twee joden weten wat een bril kost,’ zei hij tegen Remco, die het meteen begreep, ook al was hij niet van joodse afkomst. Twee gelijkgestemde zielen kunnen elkaar moeilijk bedriegen.
Beiden hadden het gevoel dat ze in het gezelschap van de dichters en schilders in Amsterdam eindelijk ergens bij hoorden. Dat Remco leuke verzen kon schrijven en Frank er een aardige tekening bij kon maken, leverde soms wat geld op. Aan Frank de taak hun gezamenlijke product te verkopen, dat lag de dichter niet zo – en in het versieren van vrouwen was Frank ook beter.
Remco huurde een kamertje in het grote huis van de dichter Bert Schierbeek aan de Van Eeghenlaan, net groot genoeg om Frank af en toe te laten logeren, op de grond, op een oud tapijt en een dikke jas. Schierbeek, stukken ouder dan de meeste experimentele dichters en kunstenaars, stelde zijn huis onvoorwaardelijk open voor wie even geen slaapplaats had. Met Remco was Frank ook naar Parijs gelift, bruisende stad met honderden cafeetjes, waar jazz werd gespeeld en waar veel Nederlandse kunstenaars en dichters meer inspiratie vonden dan in het saaie Amsterdam.
Zo voelde Frank dat hij moest tekenen: zonder beperkingen die de werkelijkheid oplegde, vrij, zonder vooropgesteld plan, gewoon beginnen en zien waar het eindigt.
In Parijs had de tijd in de oorlog niet stilgestaan. Verschillende galeries waren tentoonstellingen blijven organiseren, hadden jonge abstracte kunstenaars een podium geboden, soms in combinatie met gevestigde kunstenaars, om kritiek van de nazi’s te ondervangen. Zo ontstond een vruchtbare voedingsbodem voor nieuwe galeries en salons, kunsttijdschriften en experimenteel theater. Sommige Nederlandse kunstenaars waren in Parijs gaan wonen. Karel Appel en Corneille timmerden eigenhandig een provisorische atelierwoning op een van de etages in een vervallen huidenpakhuis aan de rue Santeuil. De dichter Simon Vinkenoog had er tot zijn grote geluk een baantje gevonden op het hoofdkantoor van Unesco, en bewoonde met zijn vriendin een ruim appartement aan de boulevard Jean Jaurès.
Vinkenoog had op verzoek van een Nederlandse uitgever een bloemlezing samengesteld van ‘ondergrondse’ dichters die naar zijn mening meer waardering verdienden. Wie erin stond, behoorde tot de Vijftigers: Hans Andreus, Remco Campert, Hugo Claus, Jan Elburg, Jan Hanlo, Gerrit Kouwenaar, Lucebert, Paul Rodenko, Koos Schuur en Simon Vinkenoog zelf. Hij noemde de bloemlezing Atonaal, naar de abstracte poëzie die de dichters voorstonden, zonder duidelijk verhaal en los van de betekenis van de woorden.
Het had drie dagen geduurd voor Frank en Remco in Parijs arriveerden, te wijten aan het altijd moeizame traject in België. Ze bezochten andere kunstenaars, dronken met elkaar en struinden de straten af op zoek naar verloren voorwerpen en geld, ieder aan een kant van de weg. ‘Een munt!’ schreeuwde Frank dan triomfantelijk naar de overkant, waar Remco met zijn neus naar beneden liep te speuren, vergeefs hopend op een vondst.
‘Jij hebt een oog voor het kleine, net als in je tekeningen,’ constateerde de dichter toen ze van de opbrengst een glas dronken. Een snellere manier om aan geld te komen boden de terrassen. Als de gasten van een tafeltje opstonden en vertrokken, liep Frank erop af en schoof het wisselgeld en de fooi op het schoteltje behendig in zijn zak. Een legale bron van inkomsten vormden de tekeningen en portretjes die hij maakte, elk uur van de dag en overal, op straat en in de cafés, voor wie maar wilde. Even concentreren, een paar lijnen en een glimlach voor de koper en hop! Weer een paar francs in de zak.
Het verleden was weggevaagd
Frank vond het wonderbaarlijk hoe makkelijk hij de taal verstond van de schilders en dichters die hij in Eijlders ontmoette. Ze maakten wat er in ze opkwam en waren wars van conventies. Woorden verzonnen zichzelf, vormen ontstonden associatief. Dit was een nieuwe wereld, waarin grenzen niet bestonden en het verleden was weggevaagd. Het bos rondom De Pondok, de jouwende kinderen op het schoolplein, het geschreeuw van zijn moeder op het stationsplein en de bootreis naar Friesland: dat alles leek uit een ander leven.
In Parijs met Remco Campert maakte hij portretjes voor wie maar wilde. Even concentreren, een paar lijnen en een glimlach voor de koper en hop! Weer een paar francs.
Hij pakte zijn lege glas, stond op en stapte het trapje af naar de bar. Gerard den Brabander was niet van plaats veranderd en keek hem vanachter het zwarte montuur van zijn bril met een blik van herkenning aan. Frank leefde in symbiose met de kroeg, verdiende er geld en gaf het er weer uit. Het café verschafte warmte en een kleine gemeenschap met mores en codes, hanteerbaar en overzichtelijk. Hij zette zijn glaasje op de bar en gebaarde dat het weer gevuld kon worden. De jenever brandde zich via zijn huig een weg naar zijn keel. Het was nu bomvol in Eijlders. Dikke Wim liep met een doos sigaren naar gasten voor in de zaak: jongens van de beurs die pot kwamen verteren. Franks blik gleed langs de kale wanden van het café. John Eijlders organiseerde vaak een verkooptentoonstelling van werk van zijn stamgasten. Eerder dat jaar hadden er ook tekeningen van Frank tussen gehangen. Het werk was goed ontvangen, door een van de recensenten zelfs vergeleken met de humoristische en dromerige aquarellen van Paul Klee, de Duitse kunstenaar waaraan het Stedelijk Museum een tentoonstelling had gewijd.
Frank zag de heldere kleuren uit het werk van de Duitse schilder later terug in zijn eigen zelfportret, dat hij had opgezet in Oost-Indische inkt en gouache. Warm en sprekend oranje voor de achtergrond, turkoois voor zijn hemd en op zijn voorhoofd, hier en daar gemengd met kobaltblauw, een toets vermiljoen op de lippen. Het was eerder een kleurenstudie dan een gelijkend portret, al herkende hij de sombere uitdrukking van de jonge man op het papier en vond hij het tekenend dat de ene helft van zijn gezicht donker was en de andere helft licht.
Dit is een bewerkte voorpublicatie uit Dichter van de droge naald. Frank Lodeizen 1931-2013 door Rineke van Houten, dat op 5 september verschijnt bij De Arbeiderspers, € 19,99.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.