Het Nederland van Fidans schoonouders verdwijnt langzaam maar zeker. ‘Mijn hoogbejaarde schoonmoeder is voor haar zoons de laatste schakel naar het verleden: een eeuw aan herinneringen, ervaringen, kennis lief en leed.’

Elke keer als ik bij mijn schoonouders kom, valt mijn oog op de bijbeltekst die in de studeerkamer van mijn middels overleden schoonvader aan de muur hangt: ‘Ik ben het licht der wereld. Wie mij volgt, heeft op zijn weg geen duisternis te vrezen, maar zal het licht des levens bezitten.’ De schoonheid en de betekenis ervan ontroeren me.

Ik had een zwak voor mijn schoonvader: een vriendelijke, verstrooide en geestige intellectueel. Hij was dominee, een protestant die begon tussen de katholieken in Brabant. Zijn hele werkzame leven bracht hij door met het helpen van mensen. Stapels plakboeken met bedankkaartjes herinneren aan die jaren. Ik kan uren doorbrengen met bladeren door die albums die zijn gevuld met herinneringen van dankbare mensen, en met het bekijken van de zwart-witfoto’s uit het verleden van mijn schoonouders. Het is een blik in een andere wereld.

Het gezin woonde in van die imposante dorpspastorieën met grote tuinen en reusachtige zolders. Mijn schoonmoeder klaagt nu nog steen en been dat die huizen niet te verwarmen waren. Via Domburg, aan de duinen van Zeeland, belandden ze in de Veenkoloniën, in Hoogezand-Sappemeer, waar voor een predikant, zo stel ik mij voor, veel veldwerk viel te verrichten onder de arbeiders van de scheepswerven en de aardappelmeelfabrieken. Na nog een periode in Zeeland gingen mijn schoonouders met emeritaat. Ze keerden terug naar het noorden, naar Eelde. Mijn schoonmoeder wilde dicht bij Friesland wonen, waar ze vandaan komt en nog familie en kennissen heeft.

‘Het is de eenzaamheid waartoe een domineesgezin is veroordeeld.’ De generatie van mijn schoonouders staat voor een Nederlandse werkelijkheid die langzaam verdwijnt. Zij lieten mij – opgegroeid in een Turks arbeidersgezin, in een andere tijd – kennis maken met een geschiedenis die ik niet kende, een wereld die voor mij tot dan toe verborgen was geweest.

Zij en haar man hadden een heel verschillende achtergrond. Zijn familie kwam oorspronkelijk uit Leiden, zijn vader was aannemer en de kinderen gingen een intellectuele kant op. Mijn schoonmoeder kwam uit een plattelandsmilieu en werd onderwijzeres: voor een meisje geboren in 1924 in die wereld het hoogst haalbare. Ze komt uit een familie van doorzetters en, naar eigen zeggen, ‘stijfkoppen’. Mijn schoonmoeder is inderdaad een doorzetter en bovenal direct en eerlijk. Ik houd daarvan. Ze zegt je gewoon waar het op staat, zonder er doekjes om te winden. Heel Turks, vind ik. Maar het schijnt Fries te zijn.

Afstand

Dat sterke karakter hield haar staande toen ze de zwaarste tijd van haar leven doormaakte: het verlies van een kind. Ze vertelde ons er soms over. Bedaard, maar met een stem die haar verborgen emoties verried. Haar dochter zou deze maand 51 jaar zijn geworden. Maar ze leefde slechts vijf uur, in die pastorie in Domburg. Een kort leven dat alleen door de ouders kan worden herinnerd en naverteld. ‘Mijn man had het er natuurlijk zeer moeilijk mee, maar hij moest verder met zijn werk. Ik bleef achter met de zorg voor twee kleine kinderen. Onze families zaten ver weg en er was weinig steun vanuit de gemeenschap. Dat had waarschijnlijk te maken met de afstand die destijds nog bestond tussen dorpelingen en notabelen. Toen beleefde ik het soort eenzaamheid waartoe je als domineesgezin soms bent veroordeeld.’

Weggestopt leed

19 januari 1965. Het was tegen de ochtend, buiten vroor het licht. Mijn schoonmoeder had hoge koorts. Na een zware bevalling voelde ze dat iets niet klopte. De dorpsdokter, een flamboyante huisarts die op z’n Solex bij de patiënten langsging, schatte de situatie – waarschijnlijk was er sprake van zwangerschapsvergiftiging – te licht in. Het kostte het pasgeboren meisje haar leven. Ik citeer uit de herinneringen van mijn schoonmoeder: ‘In een andere situatie, met een andere arts en in een andere tijd, had ze waarschijnlijk nog geleefd.’

Een lange stilte begon. De dood van het kindje werd, zoals vaker in die generatie, vooral zwijgend verwerkt. Ik heb me weleens afgevraagd of mijn schoonmoeder zichzelf door die verschrikkelijke ervaring noodgedwongen heeft aangeleerd om haar pijn weg te stoppen.

Haar verdriet werd voor mij voor het eerst zichtbaar toen ik zelf hoogzwanger was van ons zoontje. Mijn schoonmoeder, die op bezoek was, liep de kinderkamer in waar de babywieg stond – zo’n vintage bedje uit de jaren zestig – en zakte bijna door haar knieën. We moesten haar ondersteunen. Uit haar snelle ademhaling klonk zoveel weggestopt leed. Daarna kwamen de tranen.

Mijn schoonvader sprak er nooit over in de jaren dat ik hem heb gekend. Ik had hem graag gevraagd naar die zwarte periode uit hun leven. Was hij wel bij machte geweest zijn vrouw voldoende te ondersteunen? Ik durfde het niet te vragen. Ons contact ging vooral over de massa’s kennis waarover hij beschikte, over van alles en nog wat. Toen ik pas was begonnen als correspondent in Turkije vertelde hij mij alles over het vroege christendom in Antiochië. Ondanks zijn hoge leeftijd was hij nog altijd scherp en nieuwsgierig.

Ik heb veel van mijn schoonouders geleerd. Hun huis in Eelde is voor mij een soort museum, gevuld met boeken, tekeningen, schilderijen, een enkele bijbeltekst aan de wand en een prachtige piano.

De dood van een kindje werd vooral zwijgend verwerkt

Ik, een Turks-Nederlandse uit een gastarbeidersmilieu, geboren in de jaren zeventig, een vrouw met een islamitische achtergrond, trad daar een Nederland binnen dat ik nog niet kende. Een wereld waarin herinneringen aan de oorlog levend werden gehouden, waarin de jaren van de wederopbouw nog doorschemeren en christelijke naastenliefde geldt als vanzelfsprekend.

Mijn hoogbejaarde schoonmoeder is voor haar zoons de laatste schakel naar dat verleden: zij vertegenwoordigt een eeuw aan herinneringen, aan ervaringen, kennis, lief en leed. Als zij er niet meer zal zijn, betekent dit ook voor mij het afscheid van een Nederland dat langzaam maar zeker ophoudt te bestaan. Ik zie het als het loslaten van een hand, die mij meenam de vaderlandse geschiedenis in. Een mooie, warme en bovenal liefdevolle hand.