Fidan sprak met Tilly, die ze kent via Facebook. Tilly viel op door de hippie foto’s die ze plaatste op haar pagina. Foto’s uit andere tijden, ‘je deelde alles met elkaar, de jongeren van nu zijn veel materialistischer’.

Ergens in mijn tienerjaren kreeg ik belangstelling voor de jaren zestig en de hippietijd. De Flower Power-beweging, de Summer of Love, Woodstock. Het is een gemythologiseerd tijdperk; de werkelijkheid is minder eenduidig. Drugsexcessen, bandeloos gedrag, vrije seks, escapisme tegen een achtergrond van de Vietnamoorlog, rassenrellen. Desondanks blijf ik een romantisch beeld houden van die jaren: dat van jonge revolutionairen die zich met bloemen, liefde en muziek verzetten tegen cynisme, materialisme, militarisme. In elk geval stónden ze ergens voor. Wíj moeten onze jongeren nu activeren om te gaan stemmen. Dus ja, soms verlang ik daarom naar een tijd waarin ik nog niet eens bestond.

‘Dat romantische beeld klopt óók. Je hebt veel gemist,’ zegt Tilly van Tuinen. Zij was er wel bij. Tilly en ik zijn ooit bevriend geraakt op Facebook. Ze viel op door de foto’s die ze online plaatste. Prachtige foto’s uit de jaren zestig waarop ze staat afgebeeld met lange blonde lokken en vlechten langs haar gezicht. Ze had iets weg van Marianne Faithfull, dezelfde grote ogen met diezelfde onschuldige blik. Veel foto’s zijn gemaakt op Terschelling, onder meer bij café ’t Spyntje, waar ze werkte in de horeca en waar ze haar man Bert (inderdaad: baard en lange haren) ontmoette.

Tilly groeide op in een gezin met vijf kinderen. Haar moeder komt uit een katholiek gezin in Zuid-Limburg, haar vader kwam uit Leeuwarden, zijn moeder uit Harkema, Friesland. ‘De Friese Wouden. Oude veenkoloniën. Er groeide niks. Van oudsher een armoedig gebied. Ruig volk. Daar wonen messentrekkers, wordt nog steeds wel gezegd. Mijn vader was een heel bescheiden, intelligente man. Hij heeft de hbs gedaan. Om de armoede te ontvluchten, verhuisde een deel van de familie van zijn moeder naar Geleen. Een tante van hem kwam naast mijn moeder te wonen. Bij een familiebezoek werden ze verliefd, maar ze mochten niet met elkaar omgaan. Mijn vader was een “heiden”. Voor mijn moeder ging hij in de leer bij meneer pastoor en deed een poging om in de mijnen te werken, zoals haar hele familie. Het werd niks. Op zijn eerste werkdag in de mijnen zag hij een kompel een been kwijtraken. Dus maakte hij ten einde raad mijn moeder maar zwanger en toen moesten ze wel trouwen.’

Verstoten

De moeder van Tilly werd verstoten uit de gemeenschap, dus verhuisde het pasgetrouwde stel eerst naar Leeuwarden, later naar Alkmaar. ‘Voor mijn vader was dat een escape. Hij was 21, zij pas 17. Toen mijn moeder 25 was, had ze al vijf kinderen gebaard. Moet je je voorstellen, in die tijd had je geen Pampers, geen wasmachine, geen ijskast. We haalden kolen uit het kolenhok met een kit. Bij mijn opa en oma in Leeuwarden was geen wc, weet ik nog. Er was een hûske waar een ton in stond die werd opgehaald door de zogeheten “tonnenman”. Mijn oma gaf die man altijd een sigaar opdat hij rustig door de gang liep zonder te morsen.’

Het moet zwaar zijn geweest voor haar moeder, beseft Tilly. Zodra begin jaren zestig de anticonceptiepil werd geïntroduceerd, werd die – ondanks haar katholieke achtergrond – met gejuich onthaald. Thuis werd niks aan het geloof gedaan, dat wilde de vader van Tilly niet. Haar moeder protesteerde nooit. ‘Mijn vader was met zijn hbs een catch voor de dochter van een mijnwerker.’ Maar toen haar vader overleed, hing het huis binnen een mum van tijd vol met kruisen en rozenkransen. Moeder ging ook weer naar de kerk. Tilly: ‘Een Limburger, daar haal je het geloof niet uit.’

In 1964 ging het gezin naar Leeuwarden, waar de vader van Tilly oorspronkelijk vandaan komt. ‘Ik vond het daar vréselijk. De hel. De onderliggende dorpen vond ik leuk, maar Leeuwarden? Ik vond de mensen onaardig, ze liepen tien jaar achter de feiten aan. Kijk, wij wonen nu in Groningen. Ík kan bijvoorbeeld weinig begrijpen van dat hele gedoe rond Zwarte Piet. Als mensen er last van hebben, dan kap je toch gewoon met die Zwarte Piet. Wat geeft dat nou? Friezen voelen zich altijd buitengesloten. Ze hebben zich altijd afgescheiden gevoeld van de rest van Nederland. Het zijn nationalisten, hè.’ ‘Het zijn de Catalanen van Nederland,’ zegt haar man Bert lachend.

Tilly en Bert toen ze net verkering hadden. ‘De jongeren van nu zijn veel materialistischer. Onze zoon begrijpt niet waarom we nooit veel hebben gespaard, maar wij zijn van de generatie “geld moet rollen”. De debatten zijn verhard. Wat zei Jan Terlouw ook weer? We moeten van alles en hebben nauwelijks nog tijd om te praten en te luisteren naar elkaar.’
Aids bestond nog niet

Vanaf haar vijftiende liep Tilly constant van huis weg. ‘Ik was een notoire wegloper. Mijn ouders wisten niet wat ze met me aan moesten. Leeuwarden benauwde me. Ik organiseerde liever demonstraties om de Indianen in Zuid-Amerika te helpen. Liftend ging ik naar Amsterdam.’ Waar leefde ze dan van? ‘Je had niks nodig. Mensen gaven je niet alleen een lift, maar ook geld, eten en een slaapplek. Je deelde alles met elkaar. Amsterdam vond ik geweldig. Het was een mooie tijd, de tijd van vrede en hoop. Nog voor de destructieve heroïne-epidemie.’ Ze geeft toe, die vrijheid ging soms ver: ‘Iedereen sliep met iedereen. Aids bestond nog niet.’

Er was maar één radiozender. We hoorden allemaal hetzelfde.‘We beseften toen niet in wat voor fantastische tijd we leefden,’ zegt Tilly, ‘en hoe uitzonderlijk het was dat er zoveel goede muziek werd gemaakt. The Velvet Underground, Bob Dylan, The Doors, Neil Young, The Who, Cuby and the Blizzards. Muziek verbond. Er was maar één radiozender. We hoorden allemaal hetzelfde, en we hoorden ook lang niet alles. De jongeren van nu zijn veel materialistischer. Wij zijn tevreden in ons huis vol platen en boeken. Onze zoon begrijpt niet waarom we nooit veel hebben gespaard, maar wij zijn van de generatie “geld moet rollen”. De debatten zijn verhard. Wat zei Jan Terlouw ook weer? We moeten van alles en hebben nauwelijks nog tijd om te praten en te luisteren naar elkaar.’ Wat Tilly het meeste mist, is het idealisme dat er in de jaren zestig en zeventig was. ‘Onze kleinzoon moet nog drie worden. Soms denken we: hoe moet die jongen later verder?’

Fidan is elke maand op zoek naar verborgen verhalen.