Poëzie
Wat zijn dichters toch verschillend. De een plant beide benen stevig op de grond, de ander zweeft weg, weer een ander beoefent de berusting. Kwestie van temperamenten, natuurlijk. Paul Bogaert, Vlaming, kijkt bij voorkeur naar het leven van alledag. Geen hermeticus of mooischrijver, prest hij met dwingende en hardhandige gedichten de lezer wakker te blijven en een standpunt in te nemen. Zo was het in zijn vorige bundels en zo is het in zijn jongste de Slalom soft. Het is eigenlijk één lang gedicht in verschillende afdelingen, dat zich concentreert op de professionele mens ‘in zijn verhitte stolp, die zich voor elk uitwerpsel op afroep rept van hier naar daar’, zoals het op het omslag heet.
De avonturen van deze arbeidssloof blijken universeel, ze spelen zich af op de dagelijkse werkplek, waar het een strijdperk, een mijnenveld van jewelste is. Mooi worden zijn gedichten er niet van, het is in zekere zin een onthutsende kaalslag, maar ze blijven je wel bij met die naargeestige beelden van menselijke bezigheden: Een track muzak, een bruisgeluid,/ een sirene en een paar piepjes:/ de complete bruitage sleuren we moeiteloos mee in de/ rotvaart.
Zo rekent deze dichter af, niet alleen met romantische gedachten maar ook met psychologie en schoonheid. Het nogal illusieloze beeld dat Bogaert van menselijk werk en de werkelijkheid schetst, blijft in deze compromisloze poëzie langdurig intact. Maar de laatste woorden uit de Slalom soft luiden: Levenslang warmte uit andermans handen?/ Daar gaat al de gruizige soep richting putje centraal./ Zou dat het venijn zijn? Misschien dat in deze ironische vraag toch nog een soort soelaas schuilgaat, maar dan wel helemaal aan het eind als er bijna geen ruimte meer voor is.
Elma van Haren lijkt het tegendeel van die illusieloze wereld van Bogaert te willen oproepen. Bij haar heeft fantasie de overhand: spontane, schotse en scheve gedachten vol zintuiglijke beleving en mentale gewaarwordingen die je zo een-twee-drie niet in de poëzie verwachtte. Ze trad er jaren geleden mee toe tot het gilde der vernieuwers die, naast de Maximalen, de vastgelopen dichtkunst van de oudere generaties een nieuw aanzicht gaf. Maar waar het werk van K. Michel, Arjen Duinker, Tonnus Oosterhoff zich definitief in de poëzietop vestigde, dwarrelde dat van Van Haren in de volgende bundels een beetje uit het zicht. Overigens, niet Van Haren veranderde, maar de dichtkunst zelf; er kwam slampoëzie, de teugels gingen los, andere nieuwlichters drukten hun stempel. Van Haren bleef zichzelf, maar haar aanpak, spontane mystiek in het leven van alledag, viel almaar minder op in het mede door haar vrijgemaakte klimaat.
Flitsleemte, haar negende dichtbundel, doet zeker niet onder voor eerder werk. Lange, vaak ietwat kletserige gedichten vol dynamische gedachten zoals deze: Het uitzetten van beren in de Pyreneeën/ is de andere kant van het uitzetten van asielzoekers of even verderop: Speel even mee!/ neem een heleboel kleuren, behalve paars./ Zet het uit je hoofd, terwijl ik het roep./ PAARS PAARS PAARS./ Oké!/ denk nu wel aan paars,/ Opluchting? Je bevindt je als het ware in het zenuwcentrum van de dichteres waar in dit geval het begrip ‘uitzetten’ even de gedachten bepaalt.
Elders lees je: Hé poppelepee, hum ik in het lege koffiekopje; dit is dichtkunst zonder rang of stand, waar grootse en fletse gedachten rustig tezamen zwieren omdat ze er nu eenmaal allebei bijhoren.
De titel Flitsleemte lijkt te slaan op een soort gedachtenflitsen die plaatsvinden in de kieren van het dagelijks bestaan: ieder mens heeft ze, maar de meesten schenken er geen aandacht aan: onzin immers. Aan Van Haren zijn ze echter welbesteed. Ze maken de kern uit van haar werk, dat zich van conventies of populariteitseisen weinig aantrekt. Gek, eigenzinnig spul.
Krijn Peter Hesselink lijkt op het eerste gezicht dan weer iemand met oog voor de narigheden des levens. Van oorsprong opgewekt slamdichter beschrijft Hesselink in zijn tweede bundel Stil alarm zaken als een dode muis in een pot honing, een auto-ongeluk, en zelfs de bioscoop, die plaats van de illusie, is niet veilig meer als je ziet hoe de aftiteling traag van het doek druipt en weglekt door het gangpad.
Maar ik geloof dat het bij Hesselink toch voornamelijk woorden zijn, niet feitelijke verschrikkingen. De stemming lijdt er in elk geval niet onder, heeft integendeel iets opgewekts: Laten we vandaag opnieuw beginnen/ dit land kent al te veel geschiedenis/ ja elke mus die uit de hemel valt/ is eerder met een rotvaart opgeworpen.
Oftewel: dingen storten niet zonder aanleiding in. Het is deze causaliteit en verklaringskunst die de maker voortdurend tevoorschijn tovert, als een soort medicijn tegen al te grote wanhoop. Het leven kent genoeg raadsels, maar de ontvanger legt zich erbij neer: Ergens weet ik dat ik leef als ik slaap/ maar ik kom daar nooit, mijn gegons/ is aan dovemansoren gericht.
Er heerst een eigenaardige berusting in deze gedichten, maar die weerhoudt de maker er ook van om wat indringender in de menselijke psyche af te dalen. Zoals in het gedicht ‘Wake’ waarin een klein jongetje in bed plotseling bang wordt maar dan weer wordt toegedekt. Dat is een beetje wat Hesselink zelf ook doet in deze gedichten: de angsten oproepen en ze gauw weer toedekken. Zo te zien zit er geen ‘stil alarm’ in zijn genen, al schrijft hij er wel graag over. Het geeft deze verzen een zekere vrijblijvendheid, die veelal aangenaam aandoet maar ook wel eens naar de ernst van Bogaert en de mystiek van Van Haren doet verlangen.
Elma van Haren
Flitsleemte
De Harmonie
48 p., € 14,50
Paul Bogaert
de Slalom soft
Meulenhoff/Manteau
64 p., € 19,95
Krijn Peter Hesselink
Stil alarm
Nieuw Amsterdam
64 p., € 14,90
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.