‘Voordat we beginnen, nog even twee punten…,’ zegt de imposante grijze violist met de baard terwijl hij overeind komt en zijn instrument op het plastic stoeltje pal vooraan neerlegt. Het orkest is nog bezig zich te installeren. Overal blazen, piepen en knorren instrumenten, violen worden gestemd, late binnenkomers met net-uit-bedharen worden met een ironisch ‘ook nog goedemorgen!’ begroet. Het is zondagochtend kwart voor tien in Rome.

Ennio Morricone leunt met de handen over de buik gevouwen achterover in zijn stoel op het podium voor het orkest en blijft volmaakt neutraal voor zich uit kijken.

‘Jouw krabbels in de kantlijn van de partituur, daar heeft echt niemand iets aan,’ vervolgt de grijze man met de baard met luide stem om over het gepiep en geknor heen te komen. ‘Ze zijn onleesbaar en ze verwarren. Of je dat dus niet meer wilt doen.’

Ennio Morricone kijkt nog steeds volmaakt neutraal voor zich uit.