Marijn van der Jagt, toneelrecensent van Vrij Nederland, neemt afscheid van de grote actrice Ellen Vogel.
De kaarsrechte houding en mooie dictie die het handelsmerk werden van haar acteursschap, kreeg Ellen Vogel mee van thuis. Haar ouders waren allebei voordrachtskunstenaar, en rechtop zitten en duidelijk spreken vonden ze van het grootste belang. Maar in de voetsporen van haar ouders aan het toneel gaan, vond ze kinderachtig, en dus meldde ze zich bij de tekenacademie.
Toen zag ze haar jongere broer, die wél het acteursvak had gekozen, aan een scène repeteren. ‘Dat kan ik ook,’ dacht ze, ‘en dat ga ik ook dóén.’
Ze kon het. Tot op heel hoge leeftijd zou Ellen Vogel met haar lage, prettig lijzige stem en haar lange, statige lichaam personages vertolken, waarbij beheersing voorop stond maar daaronder het gevoelensleven kon zinderen. Bij haar debuut na de toneelschool, die ze wegens tuberculose niet kon afmaken – wat ze niet erg vond want ze had toch een hekel aan school – werd haar talent meteen herkend, en ze zou een kwart eeuw lang louter grote rollen spelen in de Amsterdamse Stadsschouwburg. Eerst bij Comedia, daarna bij de Nederlandse Comedie.
De televisie, te beginnen met haar rol de Couperusverfilming Kleine Zielen (1969) maakte haar tot een bekendheid bij het grote publiek, maar het toneel bleef de basis en de bron van haar acteursschap. ‘Een cirkel van aandacht,’ noemde ze in een interview de wisselwerking tussen spelers en publiek. ‘En dat is een heerlijk gevoel.’
Bij de rollen die ze kreeg aangeboden, stond haar chique voorkomen haar wel eens in de weg. Zelf vond ze zichzelf helemaal niet chique, kwam eerlijk uit voor haar onmogelijke gedrag bij premières, kon uit pure onzekerheid een opgewonden standje zijn. Maar die passie, en zelfs een onderhuidse rebellie, klonk ook door in haar toneelspel, hoe minutieus gecontroleerd en vormgegeven dat ook was. Een groot acteur zijn is óók een kwestie van persoonlijkheid.
Over haar vermogen om zowel uit te blinken in tragedies als in komedies, zei ze ooit: ‘Als je geen gevoel voor humor hebt, kun je geen tragische rollen spelen. Je moet je bewust blijven van de betrekkelijkheid van grote smarten want hoe vreselijk jammerklachten ook zijn, ze kunnen snel ridicuul worden. En blijspelen zijn alleen maar leuk als je ze bloedserieus neemt. Speel je ze met een knipoog dan blijft er niets over.’
Dat er ook van toneel niets overblijft dan de herinnering van de mensen die erbij waren, vond Ellen Vogel juist de schoonheid van het vak. Nu is zij zelf zo’n herinnering geworden.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.