Schrijfster Elfie Tromp woont met haar naakthond Chin-Chin in een verzorgingshuis. Drie weken lang, terwijl ze schrijft en proeft aan het leven van een senior. ‘Een soort Tinder voor bejaarden. Ja, dat lijkt me wel wat.’

Als ik bewoners vraag of ze deze week iets leuks gaan doen, worden steevast de bezoekjes van familieleden en nog levende vrienden vermeld. En als er niemand langs komt, dan bestaan de highlights uit telefoongesprekken met kinderen van ver. En hoewel iedereen in het gebouw – de verpleegkundigen, de baliemedewerker, de kapper – even vriendelijk is, er gaat niets boven familie. De gelukkigste vrouw in het tehuis is zonder twijfel Mevrouw Fries, die tien kinderen heeft. Ze wordt altijd vergezeld door iemand wiens billen ze zelf nog heeft afgeveegd.

Ik vraag me af of eenzaamheid in de toekomst zo persoonsgebonden blijft. We hebben nu eenmaal minder kinderen en ons hele sociale netwerk in onze broekzak. Met een druk op onze smartphone leggen we contact en houden elkaar op de hoogte. Ongetwijfeld is er in mijn seniorentijd een app ontwikkelt die gebruikers aan elkaar matcht. Een soort Tinder voor bejaarden. Ja, dat lijkt me wel wat.

In de bibliotheek zit Gerrit de krant te lezen. Als ik tegenover hem kom zitten, kijkt hij me onderzoekend aan. Hij vraagt me hoe oud ik ben.

‘Ik heb ook een volwassen dochter,’ zegt hij. ‘De laatste keer dat ik haar zag was ze zeven.’

Hij vertelt me over zijn vechtscheiding. Hoe de moeder hem weghield bij zijn dochter en hij dat dan maar accepteerde. Om daarna de rest van zijn leven, bij iedere jonge vrouw die hij ziet, te moeten denken aan dat zevenjarige meisje.

‘Ik stuur altijd een mail op haar verjaardag,’ zegt hij. ‘En ik krijg altijd een bedankje terug.’

Zijn ex-vrouw is onlangs overleden, vertelt hij me. Hij las het in de krant. Zijn dochter heeft hem nooit opgezocht.

‘Weet je waar ze woont?’ vraag ik.

‘Ongeveer,’ zegt hij.

‘Beneden is een bloemenwinkel. En voor het tehuis een bushalte,’ zeg ik. ‘Ik snap niet dat jij hier de krant zit te lezen.’

Gerrit kijkt me met grote ogen aan. In zijn hoofd zie ik de raderen draaien.

‘Waar wacht je nou nog op?’ vraag ik.

Hij probeert nog wat te lezen in zijn krant, maar dat lukt niet. Langzaam staat hij op, geeft me een hand. Kijkt me wat onvast aan.

‘Bedankt,’ zeg hij. ‘En nog veel succes verder, meisje.’