Poëzie / Sylvia Plath

‘Je staart me van mijn tafel aan, Zelfmoord./Je kracht kwam als een vloed tegen het eind/van doodsangst en van toorn,/ Sylvia Plath ben je ooit eens geboren,/ daarna werd je Mevrouw Hughes en bracht voort,/bleef tot gekwordens overeind//totdat alleen de oven je nog schikte.’ Regels van John Berryman, de Amerikaanse dichter die Plath goed kende, als generatiegenoot en zielsverwant. Hij vond het vast heel erg dat de dichteres zelfmoord had gepleegd en heeft het in zijn gedicht ook nog over snikkende weesjes, maar je hebt toch ook het gevoel dat hij er begrip voor had en er zelfs wel wat in zag. ‘Nog een zelfmoord erbij / om in de stapel te verdwijnen’ schrijft hij verderop in het gedicht; hijzelf zou negen jaar later volgen.

Ongelukkige dichters zijn misschien wel een teken aan de wand dat de maatschappij op scherp staat. De zelfmoord van Sylvia Plath, dit jaar een halve eeuw geleden, lijkt bij nader inzien een signaal dat het behoudende, voorspoedige en saaie Eisenhower-tijdperk snel afbrokkelde. In elk geval zou de oude wereld in de komende jaren op de schop gaan: hippies, vrouwenbeweging, popmuziek, Plath heeft het allemaal net gemist. Je vraagt je af of ze er niet juist van zou zijn opgebloeid.

Nu zit je als lezer opgescheept met een canonieke zelfmoord van een hysterische dichteres wier geschiedenis we tot vervelens toe herkauwen als we haar gedichten lezen. We weten er immers alles van: Sylvia Plath, dertig jaar oud, moeder van twee kinderen, net verlaten door haar man Ted Hughes, stopte op 11 februari 1963 haar hoofd in haar Londense appartement in de gasoven – haar twee kleine kinderen Frieda en Nicholas lagen lief in hun bedjes in een met tape afgeplakte ruimte buiten de zelf gefabriekte gaskamer van hun moeder, voorzien van eten en drinken. Plath-mythologie.

Sylvia Plath is voor de literatuur misschien wel wat de in datzelfde jaar vermoorde John F. Kennedy voor de wereldgeschiedenis was en Marilyn Monroe, die een paar maanden voor Plath zelfmoord pleegde, voor de populaire cultuur: een in de knop gebroken icoon.

Goddelijk Grieks beeld

Die nogal opmerkelijke vergelijking met Monroe haal ik uit een van de twee nieuwe Plath-biografieën die dit jaar natuurlijk wel móésten verschijnen, al heeft niemand iets nieuws over haar te vertellen: Carl Rollysons American Isis (de ander is die van Andrew Wilson, Mad-Girl’s Love Song). Het leven van Sylvia Plath leek uiterlijk in niks op dat van de filmster, maar er zijn de voorspelbare innerlijke overeenkomsten: hunkering naar erkenning, perfectionisme, verkeerde relaties, onzekerheid over zichzelf. En ja, beiden worden wel gezien als symbolen van wat Maaike Meijer in haar proefschrift De lust tot lezen ‘prefeministisch onbehagen’ noemde. De vrouwenemancipatie moest begin jaren zestig nog helemaal op gang komen en je ontsnapt er als vrouw met een beetje ambitie in die jaren haast niet aan om als voorafschaduwing van de vrouwenbeweging te worden gezien.

Toch lijkt Plaths vrijwillige dood mij vooral ingegeven door een fatale mengsmering van persoonlijke omstandigheden en depressieve aanleg, net zoals bij die andere suïcidale dichteressen Ingrid Jonker (zelfmoord in 1965) en Anne Sexton (in 1974), die laatste een belangrijk voorbeeld voor Sylvia Plath en in mijn ogen eigenlijk de grotere dichteres van beiden.

Sylvia was en bleef de eerste en de bekendste. Mensen die haar werk nauwelijks kennen weten in elk geval van haar pijnlijke zelfmoord en komen als het een beetje meezit met haar twee bekendste gedichten, ‘Daddy’ en ‘Lady Lazarus’, op de proppen. Kun je het werk van Sylvia Plath ook lezen zonder steeds maar die verknipte, wanhopige vrouw voor ogen te hebben? Hoe zou je regels als deze uit haar allerlaatste gedicht ‘Edge’ (‘Grenspunt’) niet in verband brengen met haar zelfmoord een goede week later? – ‘The woman is perfected./Her dead//Body wears the smile of accomplishment,/The illusion of Greek necessity’.

En toch proef je ergens dat ze, haar latere succes bij empathische lezeressen en lezers ten spijt, haar eigen wereldje juist probeerde te overtreffen. Karakteristiek bijvoorbeeld vind ik haar verlangen als een soort goddelijk Grieks beeld over te blijven. Haar hele leven was de college girl die in blaadjes met namen als Seventeen en Mademoiselle als schrijfster debuteerde, bezig zich op te werken, te laten zien wie ze was, mee te doen met de grote mensen. Aspiraties die haar ten slotte misschien wel de kop kostten, want toen haar eigen grote man, de dichter Ted Hughes, in het begin van hun relatie nog god en vader ineen, haar voor een ander liet zitten, stortte haar wereld definitief in en maakte ze er met de nodige pathetiek een einde aan, na de achterblijvers nog net te hebben getrakteerd op haar beste poëzie met de bundel Ariel, twee jaar na haar dood gepubliceerd.

Lost generation

Sylvia Plath (1932-1963) maakte deel uit van een generatie Amerikaanse dichters wie het allemaal moeizaam verging. Hun poëtische worsteling had van alles te maken met de strenge opdracht die de poëtische kolos T.S. Eliot, de grote stijve dichter die nota bene het dynamische Amerika voor het ouderwetse Engeland verruilde en anglicaans werd, in de decennia voor hun optreden aan het dichterschap had gegeven, namelijk dat het bovenpersoonlijk moest zijn en dat privé-emoties in de dichtkunst taboe waren. Zelf verhulde en sublimeerde hij zijn beroerde huwelijk in gedichten waaraan niemand iets kon aflezen. Hij schreef voor de eeuwigheid en niet voor zijn tijdgenoten. Echt zo’n olympische dichter om je met geweld aan te ontworstelen.

Aldus geschiedde. Opmerkelijk hoeveel dichters van het volgende geslacht hun persoonlijke, huiselijke en relationele sores juist onderbrachten in wat wel ‘confessional’ poëzie genoemd wordt: Robert Lowell, bezoeker van dezelfde psychiatrische kliniek waar Sylvia Plath en Anne Sexton elkaar zouden ontmoeten, Sexton zelf, zelfmoord, Delmore Schwartz, treurig en anoniem gestorven in een groezelige hotelkamer, John Berryman, zelfmoord door van de brug op de bevroren Mississippi te springen. Echt een ‘lost generation’ van dichters, die niettemin in het collectief geheugen overbleef door krachtige en soms aangrijpende gedichten waarin die verknipte levens een belangrijke rol spelen.

Het verhaal van Sylvia Plath is al zo vaak verteld dat je er beurs van wordt, maar vooruit: opgegroeid in een buitenwijk van Boston, in een keurig gezin van Duitse emigrés, vader professor zoölogie die overleed aan een verwaarloosde suikerziekte toen Sylvia acht was. Het ambitieuze meisje met het literaire talent dat beurs na beurs verwierf, waaronder een om in het buitenland, aan de prestigieuze universiteit van Cambridge, te studeren, alwaar ze de Engelse dichter Ted Hughes ontmoette met wie ze in 1956 zou trouwen en twee kinderen zou krijgen. De vrouw ook die haar hele volwassen leven leed aan wat tegenwoordig een bipolaire stoornis heet. Haar man, die het aanlegde met de vrouw van een collega-dichter, Assia Wevill, heel wat knapper dan de ietwat modaal ogende Sylvia Plath. De zelfmoord van Plath kort daarop, gevolgd door een onverkwikkelijke ruzie tussen het Plath- en het Hughes-kamp. Assia Wevill, Teds nieuwe minnares, die samen met hun dochtertje Shura op dezelfde manier zelfmoord pleegde als Sylvia. Ted Hughes, die over alles wijselijk zijn mond hield en pas veel later, in 1998, vlak voor zijn dood, in een vooral indrukwekkend gevonden bundel Birthday Letters zijn verhaal deed. En werd er na dit alles ook nog een film over Plaths leven gemaakt? Jazeker! In 2003, in haar veertigste sterfjaar. Titel: Sylvia. Zonder medewerking van Sylvia’s dochter Frieda Hughes, die het allemaal lijkenpikkerij vond. Plath-industrie.

Geen dichteres met een zo veelbesproken leven als Sylvia Plath. Ted Hughes, die ondanks alles haar erfenis probeerde te beheren, noemde het allemaal ‘nieuwsgierigheid van een lage soort, de ordinaire dorpsvariant, sensatiezucht’. Maar Plath zelf, met haar honger naar aandacht en erkenning, zou het ongetwijfeld prachtig hebben gevonden, al die studies over haar werk en roddels over haar leven. Vijftig jaar na haar dood kost het evenwel, juist door haar biografie, weinig moeite om haar te gedenken als een ietwat kinderachtig, overspannen vrouwtje dat onbedoeld met haar gedichten en haar depressieroman The Bell Jar (De glazen stolp), ook nog de vrouwenbeweging voedde.

En ja, met alles wat ik van haar weet dreig ik soms ook zo over haar te denken, maar intussen staan Plaths gedichten nog steeds overeind, vanwege haar fascinerende taalgebruik en haar verbeelding, een ander zou het allicht fantasie noemen.

Vampier

Verbeelding? En dat voor zo’n autobiografische, ‘confessional’ dichteres? Ja, want al scheren veel van haar gedichten laag over haar eigen leven, ze vertellen toch zelden het ware verhaal. Het beroemdste voorbeeld is ‘Daddy’, waarin ze haar vader Otto Plath met een nazibeul vergelijkt: ‘Elke vrouw is dol op een Fascist,/de laars in het gezicht, het woeste/ woeste hart van een woesteling als jij.’ (In de vertaling van Lucienne Stassaert.) Toe nou, Sylvia, je vader was helemaal geen fascist maar een brave, vredelievende man. Maar misschien gaat dit gedicht ook wel veel meer over die andere, fatalere vaderfiguur in haar leven, echtgenoot Ted Hughes, die haar zo lelijk had laten zitten: ‘Ik heb niet één, maar twéé man omgebracht –/De vampier die beweerde dat hij jou was/en een jaar lang mijn bloed dronk, /zeven jaar, als je het weten wilt./pappie, je kan nu languit gaan liggen.’

Zo’n zeven jaar immers duurde haar huwelijk met Ted Hughes, maar toch ook weer net niet helemaal, in getallen was ze niet zo goed. En dan die rare identificatie van Sylvia met een Jodin, in hetzelfde gedicht: ‘Een puffende, puffende/machine die me wegvoerde als een jood. /Een jood op weg naar Dachau, Auschwitz, Belsen./Ik begon als een jood te spreken./Ik geloof dat ik best een jood zou kunnen zijn.’

Sylvia Plath was helemaal niet Joods, maar Assia Wevill, de vrouw voor wie Ted Hughes haar liet zitten, was dat wel. Assia Wevill, geboren Gutmann, was de dochter van een Russisch-Joodse arts, en zelf aan de nazi’s ontsnapt. Het heeft er alle schijn van dat Plath niet alleen haar vader en haar echtgenoot contamineerde, maar ook zichzelf en de minnares van haar man, in een ongezonde competitie in Joods en interessant zijn. Curieus trouwens dat Assia zich op haar beurt door haar zelfmoord zes jaar na die van Sylvia, ook al door zich te vergassen, weer met haar voorgangster associeerde. Sommige feministen wisten niet hoe gauw ze erbij moesten zijn om deze tweede zelfmoord als het verdere bewijs van Ted Hughes’ moorddadigheid uit te leggen.

Afgeluisterd telefoontje

Je kunt Sylvia Plaths poëtische gesjoemel met de feiten wat ziekelijk noemen, misschien een uiting van haar bipolaire stoornis, maar het is ook juist deze verbeelding, gecombineerd met haar plastische vermogen om haar eigen getroebleerde zieleroerselen te verwoorden, die haar werk ver doet uitstijgen boven platte autobiografische poëzie. Zeker hebben we op enige manier met een geesteszieke te maken, maar eentje die zichzelf op sommige momenten weergaloos en schaamteloos doorziet. Neem deze regels uit ‘Lady Lazarus’: ‘Sterven/is een kunst, zoals alles./Ik doe het uitzonderlijk goed.//Zoals ik het doe waan je je in de hel./Zoals ik het doe voel je echt wat het is./het is, om zo te zeggen, mijn roeping.’

Haast een reclamespotje voor zelfmoord. Maar het is ook een niet ongeestig credo van haar eigen dichterschap: ‘Zoals ik het doe voel je echt wat het is’, ‘I do it so it feels real’. Niet het uitdrukken van het levensechte gevoel, maar het effect ervan op de lezer staat hier voor haar centraal en zo moet het natuurlijk ook, zelfexpressie garandeert op zichzelf niks, het gaat erom hoe je het aan de lezer verkoopt.

Zeker, het is waar, Plath was een egocentrisch exemplaar, als ze al naar de wereld buiten haar probeerde te reiken, slaagde ze daar toch niet in, alles in haar gedichten en proza wordt een beeld van haarzelf. Maar of het nu pudeur, fantasie of sublimatie is, haar gedichten hebben een autonome en objectieve dimensie, zoals in ‘Words heard, by accident, over the phone’, ongegeneerd persoonlijk, geïnspireerd op een afgeluisterd telefoontje van Ted met zijn minnares Assia, maar in de verbeelding van haar twijfel en wantrouwen daarboven uitstijgend: ‘O mud, mud, how fluid! –/Thick as foreign coffee, and with a sluggy pulse./Speak, speak! Who is it?/It is the bowel-pulse, lover of digestibles./It is he who has achieved these syllables.’

‘Lettergrepen voor elkaar krijgen’; veel onpersoonlijker en onthechter kun je als woedende echtgenote een overspelig telefoongesprek toch niet betitelen. Zelfs T.S. Eliot zou er zijn zegen aan hebben gegeven.