Mark Strand (1934): Ameri­kaans Poet Laureate, Pulitzer Prize en nog een trosje onderscheidingen meer, maar moeten we hem kennen? Kennelijk wel, want in de redactie en vertaling van het literaire paar Esther Jansma en Wiljan van den Akker verscheen een keuze uit zijn werk, Gedichten eten, die qua uitvoering onverbiddelijk doet denken aan de grensverleggende introductiebundels van Fernando Pessoa en Drummond de Andrade.

Strand is een van die Amerikaanse dichters die zich losmaakte van de overheersende Amerikaanse traditie van retorische, rationele dichtkunst. Hij zocht het daarentegen bij het surrealisme uit Spaanstalige hoek, vertaalde Mexicaanse poëzie en het werk van Rafael Alberti, laafde zich aan Borges. Maar wie vervolgens ondoordringbare, associatieve poëzie verwacht komt bedrogen uit. Strands werk oogt eenvoudig en transparant, maar wat hij erin te zeggen heeft is ontwrichtend. Hij twijfelt eindeloos, tast de randen van de perceptie af, schrijft tenslotte melancholische poëzie over de kwellingen van het onbewuste: onbegrip, ontoereikendheid.

Typisch zo’n westerse dichter voor wie het verdwijnen van religie en vaste verbanden een crisis in het denken heeft veroorzaakt. Zijn werk gaat in hoge mate over de dubbelheid van onze ervaringen en gevoelens; is het leven echt, is het voornamelijk verbeelding of is het beide tegelijk? Hoe begrijpelijk zijn gedichten ook ogen, hij wil ermee in het duister boren.

I have a key

So I open the door and walk in.

It is dark and I walk in.

It is darker and I walk in.

schrijft hij in de bundel Darker uit 1970. Dat gedicht is in deze bloemlezing niet opgenomen maar het zegt veel over de hoofdrichting van zijn werk: de duisternis in. Wél vertaald zijn grote delen van zijn cyclus ‘Zwarte haven’, een karakteristieke titel, ons thuis is duister.

Op het menu van Gedichten eten staat kortom weer eens de desintegratie van de moderne mens, we zijn er wel maar we zijn onmiskenbaar ten prooi aan verandering en verdwijning en we kunnen niet aan onszelf ontsnappen, wat we ook ondernemen.

Zo staat het in ‘De overblijfselen’:

Ik ontdoe mij van andermans namen. Ik leeg mijn zakken.

Ik leeg mijn schoenen en laat ze

achter langs de weg.

’s Nachts draai ik de klokken terug.

Ik open het familiealbum en zie mezelf als jongen.

Wat heeft het voor zin? De uren deden hun werk.

Ik zeg mijn naam. Ik zeg vaarwel.

De woorden gaan een voor een voor de wind.

Ik houd van mijn vrouw, maar stuur haar weg.

In de melkglazen kamers van

wolken rijzen

Mijn ouders op uit hun troon. Hoe moet ik zingen?

De tijd vertelt wat ik ben. Ik verander en ben dezelfde.

Ik ontdoe mij van mijn leven en

mijn leven blijft over.

De grens tussen echt en denkbeeldig leven is flinterdun en grotendeels illusoir. In de meeste gedichten levert Strand zo een spannend gevecht op de rand van zijn bewustzijn en tracht hij de tegenstrijdigheden, nee niet te verzoenen, maar op te roepen om zichzelf en de lezer ervan te doordringen. Erg vrolijk wordt het op die manier natuurlijk nergens maar er klinkt ook geen bitterheid om het tekortschietend besef in door. Dit is eerder poëzie die je in gedachten met zacht klagende stem hoort voordragen.

Een enkele keer wordt het wat energieker en gek genoeg gebeurt dat vaker naarmate de dichter ouder wordt. Maar het is geen blijvende stemming. Vaker komt het voor dat de dichter zich probeert te verzoenen met de dood: ‘je weet dat het heerlijk kan zijn als je voelt / hoe je longen zich klaarmaken voor een toekomst van as.’

In het gedicht ‘Ik zal de eenentwintigste eeuw liefhebben’, (prognose of wens?) ontmoet de hoofdpersoon een man die de toekomst prefereert boven het verleden. Het is helemaal een mooi gedicht maar het mooist vind ik de slotregel na ’s mans ontboezeming: ‘“O,” zei ik en zette mijn hoed op. “O.”’ Want dat is Strand in optima forma, hij reageert niet pasklaar met een scherpe repliek maar houdt zichzelf gevangen in soms ietwat ontmoedigend maar toch vooral ook treffend voorbehoud; ‘Onze vaardigheden zijn beperkt, onze / verbeeldingskracht verzwakt, onze steden gedoemd. / Elke weg leidt naar de onwelriekende zee.’

Misschien eet Mark Strand graag gedichten maar op het menu staat dan toch vooral de menselijke eindigheid.

Hadden wij in Nederland zelf dan niet zulke poëzie van de twijfel, van de zoekende mens en van het indringende besef dat wij de draad kwijt zijn en dat alles voorbijgaat? Jawel. Kopland komt er beslist in de buurt. Maar Strand doet het ook heel aangrijpend en in een eigen beeldentaal. Alleen zal hij niet, zoals Pessoa, de Nederlandse dichtkunst verruimen, daarvoor kennen we zijn thematiek al te goed.

Mark Strand Gedichten eten. Keuze en vertaling Wiljan van den Akker en Esther Jansma. Uitgeverij de Arbeiderspers. 175 pagina’s, € 25,–