‘Ook op de ellendigste der campings, / aan Frans water, in een achterbuurt vol roest, / toef ik met vreugde,’ schrijft Co Woudsma in zijn tweede dichtbundel Geluksinstructies, en omgekeerd: ‘Ook tijdens het feestelijkste maal / kijk je in de gaten van het urinoir.’
Geweldsinstructies kenden we al, maar nu dus die voor geluk. Zo te zien vereist het geluksgevoel nogal wat tolerantie, niet alleen de vieze Franse camping of de pisbak tijdens het feest, ook het eten en de natuur moeten welwillend tegemoet getreden worden, wil je er van kunnen genieten.
Woudsma’s eersteling, Viewmaster, was al een opmerkelijke bundel, waarin de auteur, in de trant van zijn kennelijke idool J.A. dèr Mouw, merkwaardig gedetailleerd inging op zijn omgeving. Schijnbaar hadden Woudsma’s gedichten daarbij een hoog knuffelgehalte, met huppende haasjes, langsfietsende meisjes, ronde vijvertjes en zo meer, maar daaronder ging een aanzienlijk cultuurpessimisme schuil.
In Geluksinstructies is het allemaal nog stukken stekeliger geworden. Er wordt niet langer omheen gedraaid; wie het schone en het aangename wil ervaren zal door de bagger moeten. Zo krijgen we te horen dat een lekkere oester nog leeft als we hem opslurpen en pas halverwege onze keel sterft, dat je je hoofd in het park te ruste legt te midden van glasscherven, pleisters en naalden, en dat door de moderne weilanden rustig een krokodil zwemt. Allemaal realistische en surrealistische beelden voor het verval dat aan onze schoonheidsbeleving ten grondslag ligt.
Een bijzonder ontnuchterend geval is het onsmakelijke voedsel-vers ‘Tahoe/tofoe’:
Gele brokjes met jeukende
korstjes,
zompige sponsjes, gekweekt op
vochtigwarme washandjes,
bestraald in
ruwhouten ovens met gloeiende
peertjes
en losse snoertjes, door
rotgetande
Chinees-Indische mannetjes,
geoefende hoerenlopers.
Culinaire inenting tegen kanker
(zweren de mannetjes), gistend
elixer, zweterige panacee. Rijst,
ketjap, ketchup erbij naar smaak.
In zo’n gedicht kun je zelfs het woord ‘zweren’ niet zonder bijsmaak lezen.
Anderzijds levert zo’n pregnante lezing van de viezige realiteit een waarachtige ode aan acne op in het gedicht ‘Puistjes’ die worden verheerlijkt als: ‘Rose sterren aan de blanke hemel / koraaleilandjes in de stille zee // van een onaangedaan gelaat.’
Ook hier is het voorbeeld nog altijd Dèr Mouw, met zijn wonderlijke kijk op het godsmysterie en de schatten der kosmos, waarin hij de aarde bijvoorbeeld met een schedelhuid vergeleek. Ik zeg niet dat Woudsma aan dezelfde oecumenische gevoelens voor alles en iedereen op aarde, aangenaam of onaangenaam, laboreert, maar hij is beslist een man van keerzijden. De naargeestig verorberde oester bijvoorbeeld vindt een pendant in het vers over de klamboe, waarin de ik-persoon zich ‘veilig verorberd’ voelt. Het machtsgevoel in het gedicht ‘Macht’ waarin een soort god met het heelal speelt, wordt beantwoord in het gedicht ‘Veeg’ waarin de hoofdpersoon liefst voetveeg van zijn geliefde wil wezen: ‘Veeg / je eelt maar aan mijn lippen en / mijn ogen af, ik ken mijn plaats.’
Woudsma’s heelal lijkt nog altijd voor een deel bevolkt met knuffels maar het blijken intussen evenzovele monsters en omgekeerd. Verliefdheid gaat bij deze dichter met masochisme gepaard en in Saroma-toetjes en een bavaroispudding zitten altijd wel voetzoekers.
Met Geluksinstructies lijkt Woudsma zich op het oog te voegen in de lange stroom dichters die de schoonheid van de narigheid bedichten, de bloemen van het kwaad, de goudmijn van een ongelukkige jeugd. Toch is hij niet de zoveelste representant van een zwart soort romantiek. Er spreekt werkelijk een onbedorven, authentieke liefde uit zijn oden aan onze dubbelzinnige wereld, bijna iets van een kind dat nog niet bedorven is door de beschaving. Soms proef je zelfs iets van een bijna goddelijke genegenheid voor het modale en banale, vooral in de liefdesgedichten: ‘De mond die op straat spuugt wil ik kussen.’
Zo gaan voor wie er oog voor heeft, psychologische diepten onder deze gedichten schuil waar je dichters niet vaak vrijwillig in ziet afdalen. De schijn is die van jongetjes en meisjes, beesten, buren en rustieke huizen, maar daaronder voel je de aardwortels, de skeletten en de vuilnisbelten.
Woudsma doet er niet ingewikkeld of gewichtig over. Hij is in de eerste plaats een plastisch dichter die zijn eigen wereld oproept, die een flink eindje bezijden de actualiteit en de literaire modes ligt. Daarbij toont hij zich ook nog eens een echte vakman, met veel gevoel voor woordklanken, dubbele betekenissen en ritmische afwisseling. Niet iemand die zich er met een parlandistisch Jantje van Leiden vanaf maakt.
Co Woudsma schrijft niet veel, dit is pas zijn tweede bundel in meer dan zeven jaar. Maar wat hij schrijft, is keer op keer bijzonder; al het gewone krijgt bij hem een persoonlijke draai. Echt wat je noemt een Einzelgänger en voorzover het de kwaliteit van zijn werk betreft typisch het voorbeeld van een ‘kleine meester’.
Co Woudsma, Geluksinstructies, De Bezige Bij, 64 pagina’s, € 16,50
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.