Abortus

Progressief en feministisch Nederland maken zich op voor een nieuwe bedreiging: het komend christelijk-sociale kabinet zou weleens kunnen gaan morrelen aan de abortuswetgeving. ChristenUnie-leider André Rouvoet pleit voor een inperking van het begrip ‘noodsituatie’, een voorstel dat bij onze aankomende premier in vruchtbare aarde kan vallen. Jan Peter Balkenende en zijn partij suggereren regelmatig dat in ons land ‘de hand wordt gelicht’ met de abortuspraktijk.

Het actiecomité Wij Vrouwen Eisen, opgericht in 1974, heeft inmiddels een open brief aan de PvdA geschreven waarin de sociaal-­democraten worden herinnerd aan hun oude standpunten: abortus uit het Wetboek van Strafrecht, en de vrouw beslist. De ondertekenaars willen niet dat er aan het begrip noodsituatie wordt getornd. Maken ze zich terecht zorgen?

Het in werking treden van de Wet afbreking zwangerschap (Waz, zie kader Abortuswetgeving) in 1984 heeft er niet voor gezorgd dat abortus van de politieke agenda verdween. Door de jaren heen zijn incidenten – met name de Evangelische Omroep stelt graag ‘misstanden’ aan de kaak – reden geweest voor de kleine christelijke partijen en het CDA om de huidige abortuspraktijk te bekritiseren. Het beeld dat de buitenwacht op basis van deze incidenten krijgt voorgeschoteld, is dat abortusartsen bijna volgroeide, gezonde kinderen het leven benemen omdat de aanstaande moeder op wintersportvakantie wil.

Zeker iets om je druk over te maken als het waar zou zijn. Maar het op het verzoek van Balkenendes eigen kabinet opgestelde rapport ‘Evaluatie Wet afbreking zwangerschap’ dat september 2005 is verschenen, laat van dat beeld niets over (zie kader Evaluatie Waz). Aan de Nederlandse abortuspraktijk valt slechts marginaal iets te verbeteren, zo blijkt uit de conclusies en aanbevelingen van de commissie die het schreef.

Het kabinet, zo meldt een brief van 28 april 2006, sluit zich op vrijwel alle punten bij de commissie aan. Wat het begrip ‘noodsituatie’ betreft, schrijft staatssecretaris va n Volksgezondheid Ross-van Dorp: ‘De ernst van de situatie zoals ervaren door de vrouw is het uitgangspunt voor artsen om te bepalen of er sprake is van een noodsituatie. Hiermee voldoet de praktijk dus aan een van de belangrijkste bepalingen uit de wet.’

Waarom zou die conclusie een half jaar later weer op de helling gaan?

Vierentwintig weken

Joyce Outshoorn, hoogleraar vrouwenstudies (Universiteit Leiden) en gepromoveerd op de politieke strijd rondom de abortuswetgeving, is er toch niet gerust op. Zij heeft de open brief aan de PvdA mede ondertekend. ‘Zo’n vijftien procent van de bevolking vindt dat abortus alleen mag als de vrouw in levensgevaar verkeert. Zij gebruiken nieuwe ontwikkelingen in prenataal onderzoek en medische technologie om de discussie steeds te actualiseren.

Rouvoet is met zijn partij in sociaal opzicht naar links opgeschoven, en moet daarom wel iets binnenhalen op de traditionele punten van de ChristenUnie. Dat kan hij doen door de noodsituatie ter discussie te stellen. Ik denk dat hij op dat punt aansluiting vindt bij het CDA. De rechtervleugel heeft nog altijd moeite met het compromis dat in 1980 is gesloten.’

Margo Trappenburg (Universiteit Utrecht), bijzonder hoogleraar patiëntenperspectief en publicist op het gebied van medisch-ethische vraagstukken, bevestigt de rol van nieuwe prenatale diagnostiek in de discussie over abortus: ‘Het veroorzaakt altijd opschudding in de media als met behulp van bijvoorbeeld bloedonderzoek of een echo­scopie een aandoening wordt gevonden die voor de een wel reden is om te aborteren, en voor de ander niet: blindheid, een syndroom waardoor een kind heel klein blijft, of abortus op dragerschap van bijvoorbeeld hemofilie. Tegenstanders grijpen dat aan om te zeggen dat de wet daarvoor niet is bedoeld. Maar waarom mag je wél een volstrekt gezonde vrucht aborteren als je in een noodsituatie verkeert, en niet een vrucht met een afwijking, alleen maar omdat je toevallig een kinderwens hebt?’

Couveuse

Een ander probleem is de grens van levensvatbaarheid, die steeds dichter in de buurt komt van het moment waarop neonatologen een veel te vroeg geboren kind in leven kunnen houden. Daardoor lijkt het alsof even oude foetussen geaborteerd worden als in de couveuse gelegd. Maar dat is een misverstand. ‘De wet verbiedt abortus op een levensvatbare vrucht. Abortus op foetussen van vierentwintig weken en ouder is dan ook uitzonderlijk, en heeft altijd een specifieke reden,’ zegt hoogleraar gezondheidsrecht Sjef Gevers (Universiteit van Amsterdam), voorzitter van de commissie die de Evaluatie schreef. ‘Het gaat dan óf om kinderen die zodanig zijn aangedaan dat ze tijdens, of onmiddellijk na de geboorte zullen overlijden. Óf het zijn kinderen met een zodanige handicap en zulke medische problemen, dat te verwachten is dat na de geboorte van medisch ingrijpen wordt afgezien omdat sprake is van een uitzichtloze situatie.’ Sommige aandoeningen zijn, helaas, pas in een heel laat stadium aantoonbaar. Waarom zou het bij uitstek christelijk-sociaal zijn om een vrouw te dwingen zo’n zwangerschap te voldragen?

Frivole redenen

Het ligt dan ook voor de hand dat Rouvoet c.s. zich niet op deze late abortussen zullen richten, maar juist op de vroege. ‘Daarbij zullen ze een onderscheid willen maken tussen zogenaamde frivole redenen om een zwangerschap af te breken, en serieuze,’ denkt Outshoorn. Bij frivool moet je dan bijvoorbeeld denken aan (zeer weinig voorkomende) abortussen vanwege wintersportvakantie of hazelip.

Maar waar ligt de grens? Een vakantie, omdat je een burn-out hebt en helemaal óp bent? Een hazelip, omdat je al een gehandicapt kind hebt en het ziekenhuis al genoeg van binnen ziet? Wie kan bepalen wat voor iemand in welke omstandigheden draaglijk is, om van wenselijk nog maar te zwijgen?

Maar zelfs als een commissie na uitgebreid onderzoek een uitputtende lijst criteria zou kunnen vaststellen, kan dat het probleem niet oplossen. Want hoe kun je een vrouw dwingen een door haar (om welke redenen dan ook) ongewenste zwangerschap uit te dragen? Hoe ziet dat er concreet uit? Vierentwintig uur per dag toezicht in een gevangenis? En stel dat het lukt, wat betekent dat dan voor het leven van het ongewenste kind?

Onthouding

Het ligt niet voor de hand dat de leider van de ChristenUnie zijn vingers hieraan gaat branden. Wat gebeurt er dan wél?

Het begrip ‘noodsituatie’ komt aan de orde, en wellicht komt er een commissie. Die zal na uitgebreide ethische reflectie en consultatie van het hele veld concluderen dat voorlichting en preventie topprioriteit hebben. Voorkomen is, ook in dit geval, het beste. Om het streng christelijke volksdeel een plezier te doen, wordt seksuele onthouding daarbij uitdrukkelijk genoemd. Daarnaast zijn gratis voorbehoedmiddelen en voorlichting gericht op specifieke risicogroepen als jongeren en allochtone vrouwen (zie kader Evaluatie Waz) van essentieel belang.

Een voorstel om elke abortusvraag verplicht langs externe, onafhankelijke toetsingscommissies te laten gaan, zal afketsen op uitvoeringsproblemen. De wachttijd voor de commissies bedraagt ettelijke weken tot maanden, en dat kan natuurlijk helemaal niet. Wel wordt er een protocol ontwikkeld voor het gesprek tussen arts en vrouw, waarin artsen onder meer de verplichting krijgen op alternatieven als adoptie te wijzen. Ook moet een arts in geval van twijfel een psycholoog of maatschappelijk werker raadplegen. De artsen zullen hiertegen protesteren, zich schikken, en in de praktijk te werk gaan zoals ze dat al ruim dertig jaar doen: uitgaan van het principe ‘de vrouw beslist’.

Intussen zal de maatschappelijke discussie bij elke nieuwe technologische ontwikkeling blijven oplaaien. En dat is ook niet erg. Want, zoals Sjef Gevers zegt: ‘Abortus is geen gewone medische ingreep, zoals een blindedarmoperatie. Het gaat om menselijk leven, al is het in nog zo’n prille vorm.’

Abortuswetgeving

De Wet afbreking zwangerschap (Waz), in werking getreden op 1 november 1984, is het resultaat van een moeizaam verkregen compromis tussen CDA en VVD. De wet werd in 1980/81 zowel in de Tweede als in de Eerste Kamer met één stem verschil aangenomen. De eerste Nederlandse abortusklinieken bestonden toen al bijna tien jaar. Formeel was abortus alleen op medische indicatie toegestaan, dus als een vrouw in levensgevaar verkeerde. Maar volgens gerechtelijke vonnissen vielen ook de geestelijke gezondheid van een vrouw (1949) en iemands sociale omstandigheden (1976) onder medische indicatie. Deze ruime interpretatie maakte toezicht en handhaving op basis van het Wetboek van Strafrecht bijna onmogelijk. Vanaf 1970 zijn wetsvoorstellen gedaan om abortus te regelen. Daarbij stond de vrouwenbeweging pal tegenover het christelijk deel van Kamer en kabinet. Toenmalig minister van Justitie Dries van Agt probeerde zelfs tot tweemaal toe abortuskliniek Bloemenhove te sluiten (in 1974 en 1976), zonder succes. Abortus staat nog altijd in het Wetboek van Strafrecht, maar artsen en klinieken die zich aan de regels houden, worden niet vervolgd.

Evaluatie Waz: enkele cijfers

• Vijftig procent van de abortussen is op embryo’s jonger dan zes weken

• Vijftien procent van de abortussen vindt plaats bij vrouwen die vijftien tot twintig weken zwanger zijn, tweederde van hen komt uit het buitenland

• Ongeveer twee procent van de abortussen is het gevolg van prenatale diagnostiek

• Per duizend vrouwen vragen allochtone vrouwen tweeënhalf (Turkse) tot ruim negen (Antilliaanse) keer vaker om een abortus dan autochtone Nederlandse vrouwen (4,7 per duizend vrouwen). Bij asielzoekers gaat het om zestig per duizend vrouwen

• Vierentwintig procent van de abortussen vindt plaats bij vrouwen van twintig tot vierentwintig jaar.

Het aantal abortussen onder zwangere vijfendertigplussers neemt iets toe, maar niet meer dan onder andere leeftijdscategorieën

• Vanaf 1990 stijgt het aantal abortussen in Nederland. Die stijging hangt samen met het aantal allochtone vrouwen dat om een abortus vraagt

• In 2004 vonden in Nederland dertigduizend abortussen plaats (exclusief die bij vrouwen die uit het buitenland hiernaartoe kwamen voor een abortus)