Maandboek poëzie
De poëzie van Peter Verhelst vormt, net als zijn proza, nooit een gemakkelijke kluif. Ik merk dat ik steevast enigszins argwanend aan zijn werk begin. Is het wat? Doet het me iets en wat dan precies? In eigen land, België, heeft Verhelsts werk een cultstatus: romans als Tongkat en Zwerm zijn er de hemel in geprezen, zijn dichtwerk is een speerpunt van het postmodernisme. Als ik me niet vergis, is het Noord-Nederlandse enthousiasme wat minder. Wij hebben nu eenmaal meer speelse, minder afwerende postmodernisten, Tonnus Oosterhoff, Nachoem Wijnberg.
Verhelsts onbehaaglijke dichtkunst lijkt me verband te houden met zijn moeizame relatie tot de poëzie zelf. Hij heeft enige malen zijn ‘weerzin tegen een boekje als een dichtbundel’ uitgesproken en ‘de pathetiek die daarmee samengaat’. Die uitspraken zijn het uitgangspunt voor het verhelderende hoofdstuk over Verhelst in Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen door Thomas Vaessen en Jos Joosten Zij laten zien dat je in dit werk niet naar afheid, laat staan monumentaliteit moet zoeken, maar het beter als een act, misschien wel tot mislukken gedoemd schouwspel, kunt zien.
Het is wat ik zelf zou willen noemen ‘gebeurende’ poëzie, met alle gevolgen van dien: soms leidt het tot iets, vaak ook niet, maar hoe je er ook naar kijkt: er vindt iets plaats en Verhelst dwingt je het mee te maken. Zijn werk doet op een bepaalde manier denken aan de fameuze ervaring in de film A Clockwork Orange: je kunt er niet onderuit. Captive audience.
Eindigheid, destructie, apocalyptische ervaring zijn belangrijke motieven in Verhelst poëzie; rücksichtslos en zelfs met iets van wreed behagen drukt hij de lezer met zijn neus in de verwoestingen van deze tijd, het is dichtkunst van kneedbommen, ontbladering, instortende wolkenkrabbers. Maar daarmee is het nog niet politiek of maatschappelijk geëngageerd; eerder zie je een koel oog kijken, van een onafhankelijke instantie. Daardoor maakt Verhelsts werk vaak een uitgesproken sf-achtige indruk. Het gebruikelijke sentiment, de menselijke gevoeligheid, ontbreekt eraan.
Dat maakt bundels als De boom N en Verhemelte tegelijk afwerend en fascinerend. Ze wijzen omhoog naar de hemel, maar daar is het leeg en kil. Vergeleken met dat vroegere werk oogt Verhelsts jongste bundel, het ook ten hemel gerichte Nieuwe sterrenbeelden, evenwel een stuk toegankelijker. Ook de titel suggereert een wending, iets nieuws. Op de omslag worden we zelfs ‘welkom in de 21ste eeuw’ geheten.
Een nieuw geluid dus, misschien, maar geen nieuwe thematiek. Ook in Nieuwe sterrenbeelden bevindt de lezer zich in een tijdloos landschap, een woestenij met apocalyptische kantjes met daarin de mens als een eenzame aanwezigheid. Zelfs onder een plaid in zijn tuinstoel is hij niet veilig voor de eindeloze vergankelijkheden en veranderingen:
Continentendrift
We dwarrelen en dwarrelen, eindigen
onder de platanen. Weldra moet alles
en iedereen
op een hoop geveegd, maar trek de plaid
tot aan je kin,
streel de vacht, blijf voor één keer rustig. Geleidelijk
boetten we aan kracht in, werden we als
het klimaat
onberekenbaar – We zijn de heetste
herfstdag ooit.
Een stem heeft beterschap beloofd.
We leerden onszelf
te knielen en rode thee door te slikken.
Je goot het glas
over je arm leeg, in de hoop iets over
te houden
voor later, iets om glimlachend aan te denken
op de rand van een tuinstoel: weet je nog, toen we
uitkeken over de smeulende tuin dat jij
zomaar
je glas hete thee, god weet je nog, terwijl
de ander
antwoordt: we hebben het voor elkaar
gedaan, ja toch. Stil maar.
Stuifmeel brengt je aan het niezen.
Seizoenen blijven zich
van seizoen vergissen.
Zo veel vlinders
sneeuwend in april,
zo veel rozenbottels straks.
In plaats van de oude ijselijke toon klinkt er iets paradijselijks door in dit rozenbottelthee morsende paartje dat weet dat het door de kosmos dwarrelt en onder een boom zal eindigen, maar ook dat zijn sporen in de toekomst zullen ontbotten. Ondergang en voortgang, daarover gaat dit gedicht en gaat veel van Verhelsts poëzie, maar het lijkt erop dat de accenten ineens anders liggen, positiever: ‘Wie een berg sloopt bouwt een nieuwe berg.’ Verhelst zal toch niet ineens bekeerd zijn tot de menselijke poëzie? Ik merk dat ik het nog altijd met enig wantrouwen gadesla, deze toegankelijke taal. Alsof de dichter de lezers best eens aan het eind met een klap uit dit min of meer leefbare en veelbelovende universum te meppen. Maar nee, zelfs de laatste woorden in de bundel houden het heel: was zo graag samengevallen / maar iedereen viel apart / alleen wij / sprongen naar de sterren.
Het kan ook zijn dat Verhelst, ouder geworden, bevangen is geraakt door sterfelijkheid en voortbestaan. In ‘De fosforescerende poedel’ lees ik maar liefst ‘Niets gaat ooit verloren’. Op een bepaalde manier is dat onthutsender dan al die kille mechanische, postmoderne werelden waarin Verhelst ons vroeger voortleidde. Ben benieuwd wat de volgende schotel is die deze dichter ons voorzet. En kijk, houdt die duivelse Verhelst je toch weer gevangen met zijn act.
Onooglijke almacht
Het veelgeprezen en beprijsde werk van Toon Tellegen, waar ik in het begin mee wegliep, begon me na een aantal gelijkgestemde bundels te vervelen. Al die warm-menselijke, in kleine sprookjes vervatte wijsheden, die treffende maar nooit ontregelende wijsheden over leven en dood, over de zoekende mens, die leukige dialoogjes: ‘Zo zo God, zeiden zij, u hier?’ Maar nadat ik het me tegengegeten had en een tijdje op rantsoen ging, smaakt het nu toch wel weer. Hemels en vergeefs is niet heel anders dan vorig werk, maar wie een tijdje is weggeweest, ziet toch wat nieuws: het quasi-naïeve onder-ons-toontje heeft plaatsgemaakt voor een meer volwassen wijze van toespreken. De vraag is niet veranderd, de verpakking wel enigszins:
Vergissen
Is vergissen wel menselijk,
is het niet goddelijk?
En schaamte,
zou dat niet de enige ware goddelijke emotie zijn –
hemelse schaamte,
de reden waarom het goddelijke zich klein maakt,
zich verbergt
en in het donker de onsterfelijke haren
uit zijn grijze immanentie trekt,
terwijl wij ons hoofd buigen en fluisteren
dat wij het vergeven,
dat wij het niet kwalijk nemen –
hoe zouden wij dúrven –
en dat wij ons ook wel eens vergissen?
Maar wij vergissen ons niet.
Niet zo.
Over spijt, schaamte, kleiner wordend leven gaat deze bundel, en over je bij alle tekorten neerleggen. Zelfs God of almacht wordt hier tot het minieme gereduceerd: Dag almacht, / dag kleine onooglijke almacht van me, / naarstig scheppertje van illusies en duizelingen / met je grote kleine mond. Tellegen weet nog altijd hoe hij het grootse en geheimzinnige raadsel moet domesticeren, maar hij lijkt me iets minder lievig geworden, een beetje giftiger, het poëtische please-gedrag is afgenomen en dat bevalt me wel. Misschien ooit nog eens een naar, hard en egoïstisch gedicht, om met een bons de deur dicht te smijten voor de onthutste familieleden, dat zou mooi zijn.
dichterlijk feestje
De gedichten van Astrid Lampe in haar vijfde bundel Park Slope hebben hetzelfde onverslijtbaar goede humeur als de voorgaande bundels. Dat proef je ook als je het weer niet goed kunt volgen en het gevoel hebt in een kamer naast die van de dichteres te zitten en haar geluid op te vangen zonder er chocola van te kunnen maken:
Baywatch brooklyn
doorgewinterd
hoe wij –
jij! (reddingsbrigadier Ie klas)
en ik…
doorgewin-
‘het ciseleren als handeling ook’
hoe
middels het trainen van de fijne motoriek
(je in dit slopend klimaat van een knellend laagje verlossen bijvoorbeeld)
hoe wij aldus … aan ons
Lyrische ik
lucht
De ondertitel van Park Slope luidt ‘K’nex studies’, naar het knutselspeelgoed voor kinderen en daar heeft dit werk wel wat van weg: taalknutsels. Hier bijvoorbeeld in het contrast tussen de zonnige strandwachten en hun doorge’winterde’ handelen. Maar het resultaat is meer dan knutselwerk: wat die bouwseltjes openbaren, is vooral emotie en temperament. Letterlijk zelfbewust en vol vaart komen deze gedichten aangedanst en -gehuppeld, nu eens in minimalistische omhulling, dan weer schots en scheef of collage-achtig, vol typografische afwijking en jolige kreten, ‘Dojng!’ ‘bedaar toch rozenknopje!’, ‘Bling bling’. Je zou het modernistisch of vitalistisch kunnen noemen, een beetje à la Van Ostaijen, maar het is toch in de eerste plaats leuk om naar te kijken en het aan te horen, een dichterlijk feestje. En onze hele wereld van nu, van bloggers, popliedjes en reclame veert erin op. Dit is nou poëzie waarvan je de inhoudsopgave ook rustig als een gedicht kunt lezen. Levendig, dus, en vermoeiend, dat ook soms, maar vooral onverwisselbaar Lampe.
Sidderend als puddingvlees
L.F. Rosen is niet wat je noemt een spectaculair dichter. Integendeel, ietwat traditioneel en stijfjes gaat hij zijn weg. Zijn zinnen lopen rechttoe rechtaan, ze zijn begrijpelijk en beeldend, en zo zet hij lijnen voort die beginnen bij Nijhoff en Achterberg. Maar wie even verder kijkt, ontwaart een tamelijk onthutsend heelal achter deze kalme, braaf ogende gedichten: De meeste engelen vliegen / aan ons voorbij. Zij slaan / geen acht op ons en stichten / slechts verwarring.
Of elders: Eindelijk alleen, sidderend / als puddingvlees op een bed.
Regels uit Rosens jongste bundel Droomvlees. Dit zijn gedichten van de nacht en van de slapeloosheid, welgevormd misschien maar met verontrustende kantjes: ‘Ik hou van het kind / om zijn speelgoed / haat het kind / om zijn spel.’ heet het in ‘De speelgoedverzamelaar’, en zo wordt de hoofdpersoon in deze verzen niet bekoord door het leven zelf, maar door wat het aan beelden oplevert. En evenzo is niet zijn stijl zijn sterke kant, maar het verhaal dat hij wil vertellen. Vaak hebben de taferelen iets demonisch: vreemde mannen komen zomaar langs, er verschijnt een insectendoder in een angstaanjagend pak, een vlekkerig meisje loopt over een brug. Droomvlees openbaart een donkere wereld, waarin vleselijkheid en lichamelijkheid nauwelijks opluchting bieden. Zelfs een goeie vrijpartij levert hier spookbeelden op en de dichter houdt, karakteristiek genoeg, meer van onverzonden dan verzonden liefdesbrieven ‘om hun rotsvast geloof in zichzelf’. Het lijkt sprekend op Rosens eigen poëtica; niet om contact te leggen, maar omdat hij in zichzelf gelooft, schrijft deze dichter. Daarom komen we hem niet al te vaak tegen, maar hij is er wel degelijk, ergens in een duister hoekje.
Peter Verhelst, ‘Nieuwe sterrenbeelden’, Prometheus, 130 pagina’s, € 22,05
Toon Tellegen, ‘Hemels en vergeefs’, Querido, 64 pagina’s, € 16,95
Astrid Lampe, ‘Park Slope’, Querido, 72 pagina’s, € 18,95
L.F. Rosen, ‘Droomvlees’, Wagner & van Santen, 64 pagina’s, € 15,95
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.