Non-fictie / Poëzie als oorlogsmisdaad
Van het volgende gedicht, dat misschien niet zou misstaan in een bloemlezing van gedichten over de Eerste Wereldoorlog, zullen niet velen de auteur weten te noemen:
Blauweiss und schwarzweissrot
Ringsum der feinde heer,
zahllos wie sand am meer
der Franzmann, Russ und Britt,
die kleinen kläffer mit.
Und wir-in heisser schlacht
wir gehalten fahnenwacht
getreu bis in den tod
blauweiss und schwarzweissrot.
Millionen laufen sturm,
und stürzen nich den turm
sie schleppten helfer her,
vom roten, gelben meer.
Doch herrlich trotz und stark,
die wacht an unserer mark,
getreu bis in den tod
blauweiss und schwarzweissrot
Het is een in 1917 geschreven vers van de hand van Adolf Hitler, die niet alleen een vergeefse carrière als kunstschilder najoeg, maar zich ook bij tijd en wijle dichter waande.
Opvallend hoeveel dictators zich tot de poëzie geroepen voelen. Het rijtje spreekt tot de verbeelding: Hitler, Mao Zedong, Deng Xiao Ping, Stalin, Pol Pot, Saddam Hoessein, Kadaffi. Zij allen traden in zekere zin in de voetsporen van koning Salomon, die zich behalve als alleenheerser immers ook manifesteerde als dichter.
Dat poëzie en macht meer met elkaar te maken hebben dan de onschuldige lezer van sonnetten en haiku’s allicht vermoedt, leert ons de Duitse uitspraak dat het dichters nu eenmaal te doen is om ‘Lorbeer’ en ‘Frauen’, om aanzien en macht dus. Dichtende dictators zijn lieden die anderen de mond snoeren om zelf het woord te nemen. Vaak pathologische mythenbouwers, gebruiken ze de taal, of het nu om redevoeringen of poëzie gaat, om hun eigen woordenrijk te vestigen.
Het meest in het oog springende lid van deze gemeenschap van poëtische politici treedt deze dagen op in Den Haag: Radovan Karadzic, voormalig president van de Republika Srpska, daarnaast psychiater, alternatief arts en gepubliceerd en bekroond dichter. O ja, en oorlogsmisdadiger.
Al tijdens de dagen van zijn actieve presidentschap drong de roep van zijn dichterschap tot de buitenwereld door. Volgens mensen uit zijn omgeving is het zelfs min of meer de kern van zijn loopbaan. Hij beroemt zich dan ook graag op zijn toevallige naamsverwantschap met de grote negentiende-eeuwse Servische taalgeleerde Vuk Karadzic (geen familie dus).
Al in zijn vroegste gedichten voorzag hij een mythisch, haast goddelijk bestaan als een soort groot-Servische vorst:
Ik ben geboren om zonder graf te leven
Dit menselijk leven zal nooit sterven
Het is niet alleen geboren om de bloemen te ruiken
Maar ook om in brand te steken
Te doden en alles tot stof te herleiden
Het verontrustende, goddelijke gemak om schoonheid en verderf met elkaar te verbinden, is natuurlijk niet nieuw in de dichtkunst, denk maar aan Baudelaires De bloemen van het kwaad, maar als de maker ook nog een gezocht oorlogsmisdadiger is, is er natuurlijk wel sprake van een belastende dimensie.
Dat Radovan Karadzic niet in het archief van Poetry International zit of tussen Kal en Kavafis in onze boekenkast staat, zegt niks. Al veertig jaar publiceert hij in Servië gedichten; zijn eerste bundel De dolle speer, uit het ook in toenmalig Joegoslavië roemruchte jaar 1968, stuurde hij naar Belgrado met een verzoekje aan Tito: ‘Geliefde en gerespecteerde kameraad Tito, ik zou zeer gelukkig zijn als deze bundel in uw handen zou eindigen.’ Quod non, want een groot dichter was en werd Karadzic nooit in de ogen van de kenners, al ontving hij later wel Servische prijzen en prijsjes en zelfs uit Rusland de min of meer prestigieuze Sokolov-prijs. Wie zijn werk onder ogen krijgt, ziet vooral zwaar ronkende retoriek vol kitscherige beelden, die aan oorlogsstrips doen denken.
Zijn dichtende vriendenkring ontwaarde van meet af aan een pijnlijk gebrek aan persoonlijkheid en eigen stijl: ‘Hij was een man van klei, zonder karakter, die gemodelleerd kon worden door wie dat maar wilde.’ Maar gespierd en heroïsch is het allemaal wel, geheel volgens de poëtica die Karadzic ooit in het Servische blad Intervju prijsgaf: ‘Herinner u hoeveel dichters ook krijgsheren en politici waren. De ziel van de dichter is niet zacht. Volgens Freud is literatuur de sublimatie van het vernietigingsinstinct. Omdat ik dichter ben kan ik niet zeggen: we zullen aardig zijn en de andere wang toekeren.’
Met de titels van zijn bundels zaagt Karadzic graag van dik hout planken: Plant een roos, Gevaarlijke droom, Zwart sprookje. En in de teksten zelf smeult en brandt het van krijgshaftige passie. Neem dit gedicht met de beginregels ‘Naslucujem sunce da mi pravi ranu’ (‘Ik denk dat de zon me verwondt’):
Ik schiep de wereld om mijn hoofd af te rukken
Rechters folteren me voor onbeduidende daden
Ik walg van zielen die niets uitstralen
Als een klein vies hondje
Nadert van ver de miezerige dood
Ik weet niet wat ik van deze dingen moet maken
Maar ik kan het gezicht niet verdragen van jullie,
Jullie stoet van ongedierte
Het is maar een veelzeggend glimpje uit Karadzics literaire oorlog tegen de ‘Turken’. Verboden is het natuurlijk niet. Ook Lord Byron verheerlijkte de Griekse vrijheidsstrijd en peinsde groots en met ostentatief tragische blik over de ermee gepaard gaande gruwelen.
Paramilitair surrealisme
Toch ziet Jay Surdukowski, een Amerikaanse internationaal jurist, in een doortimmerd artikel over de poëtische zaak van Karadzic, getiteld ‘Is Poetry a War-crime?’, wel kansen om ’s mans poëzie tegen hem te laten getuigen. Hij wijst daarbij onder meer op een BBC-documentaire uit 1992, die deel uitmaakt van de bewijslast, waarin we de krijgsheer/dichter op een heuvel zien staan, terwijl hij het brandende Sarajevo in ogenschouw neemt. Naast hem staat de Russische nationalistische dichter Eduard Limonov. Beide heren citeren gedichten bij de ondergang van de stad. Een quasi-mythische scene, die doet denken aan Vondel en Milton. We horen Karadzic uit een eigen profetie van twintig jaar eerder declameren: Ik hoor de rampspoed gaan. / De stad brandt.’
Surdukowski denkt dat sommige elementen in het werk van Karadzic, dat hij omschrijft als ‘paramilitair surrealisme’, als oorlogsmisdaden kunnen worden beschouwd. Het gaat dan niet zozeer om zijn malle verheerlijking van kogels en granaten, maar om de voorspellingen die hij lijkt te doen omtrent het lot van onschuldige burgers, regels als: De aorta’s van de nette burgers zullen gutsen zonder mij. / De laatste kans om met bloed bezoedeld te raken / laat ik passeren.
Hoe je het bewijs van de dichterlijke bijdrage aan de genocide rondkrijgt, is trouwens niet zo een, twee, drie duidelijk. Het is in de literatuur immers goed gebruik om de protagonist in het werk te onderscheiden van de schrijver zelf. Als Jan Arends schrijft: Ik breng / waar ik kom / ellende. // Misschien / kom ik morgen / bij u / met een bijl is dat nog geen reden om hem van de straat te halen. Anderzijds kan poëzie ook dienen om iemands ontoerekeningsvatbaarheid te onderstrepen. De psychiater die Achterberg onderzocht, noemde zijn gedichten Wortsalat, wartaal.
Het geeft aan dat de aanklagers nog een hele kluif zullen hebben aan de bewijslast uit Karadzics bloeddorstige dichtader.
Uit poëtisch oogpunt zal aandacht voor de benedenmodale regels van de dichter Radovan Karadzic zonder twijfel te veel eer betekenen, maar aan esthetische overwegingen doen oorlogstribunalen nu eenmaal niet. Wie weet zal daarom in Den Haag binnenkort zijn poëzie weerklinken.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.