Als ik een stoeltje zou willen in mijn eigen huis, dacht Maarten Baas, dan wil ik niet het zoveelste prestigieuze dingetje. Dus deed hij het zelf. Met Smoke en Clay had hij op zijn dertigste twee designklassiekers op zijn naam staan.

De stem van Maarten Baas (1978) is heel anders dan zijn ogen. De stem, stug, past bij de man die soms een paar jaar de luwte opzoekt; die tot zijn succes ‘een zekere afstand probeert te bewaren’; die zijn naam niet noemt als hij de telefoon opneemt, maar kortaf vraagt: ‘Hallo?’

Iets van de grond heeft die stem, van het land rondom de boerderij van de studio net buiten Den Bosch, van de Zeeuwse klei en de Gelderse zandbodem rondom de pastorieën waar hij opgroeide – zijn vader was een hervormd dominee. Het is de stem van iemand die tegen zijn vrienden zegt: ‘Ik ben niet zo’n mensenmens.’ Die er tussenuit gaat als het feest in volle gang is. Weerstand.

De ogen zijn groen en verleidelijk, passen boven de kraag van een smoking op een glamoureuze vernissage van een solo-expositie in een New Yorkse galerie waar de stukken voor exorbitante bedragen worden verkocht. Horen bij de sterdesigner die stoelen ontwerpt voor Louis Vuitton. Bij de designclown die tijdens een Italiaanse meubelbeurs zwaaiend met een toeter de polonaise loopt in zijn als circus ingerichte expositieruimte na het bericht dat hij de grote prijs heeft gewonnen met een show die de jaarlijkse santenkraam juist op de korrel had willen nemen.

Baas wordt door mensen die hem kennen omschreven als tegelijk een einzelgänger en een performer. Die mix van melancholie en lichtzinnigheid kenmerkt ook zijn ontwerpen. De serie Smoke, die in 2002 het begin van zijn succes betekende, bestaat uit in de fik gezette meubelen, afgemaakt met een epoxylaag. Het leverde een reeks donkere stoelen op met een haast barokke vrolijkheid, opgenomen in de Moooi-collectie van Marcel Wanders. Clay is de serie uit synthetische klei opgetrokken stoelen, lampen, kasten en ventilatoren die eruit zien alsof ze door een kind geboetseerd zijn. De bekendste galerie van Milaan, die van Rosanna Orlandi, toont er volgende week op de internationale meubelbeurs een tienjarig overzicht van.

Clay, van Maarten Baas.
Iets lichters

Als ik een stoeltje zou willen in mijn eigen huis, dacht Baas in 2006, dan wil ik niet het zoveelste prestigieuze dingetje dat helemaal uitgedesigned is en helemaal perfect, er zit zo weinig expressie in een doorontwikkeld meubel. Hij zocht naar iets lichters, naar hoe spontaniteit in een meubel kon worden vertaald. Verlangend: ‘In andere disciplines is zoveel meer vrijheid. Mode: daarin knalt het alle kanten op. Animatie: the sky is the limit, die disciplines zijn supervrij, en dat ligt natuurlijk ook aan de technische voorwaarden: met animatie kan je veel meer doen dan wanneer je een stoel geproduceerd wil hebben, machines kunnen maar zoveel, maar toch, god hé, je kunt toch iets meer van díé wereld brengen in het ontwerp? Daar ben ik naar op zoek gegaan, en dat doe ik nog steeds.’
Later: ‘Die gekleide meubeltjes, zo kwetsbaar als ze zijn, dat is echt een thema voor mij. Als je kijkt naar de ontwerpwereld in het algemeen, dan zie je veel sterk en weinig kwetsbaar, die stoeltjes, die daar zo ontwapenend tussen staan, nou ja…’ (Even in gedachten verzonken) ‘In hoeverre toon je je kwetsbaar? In hoeverre ga je in die machowereld mee of niet?’

Met Smoke en Clay had Baas op zijn dertigste twee designklassiekers op zijn naam staan. Twee jaar later kreeg hij in de internationale designwereld opnieuw succes met de Real Time klokken, aangekocht door onder meer het Museum of Modern Art (MoMA) en het Rijksmuseum. De staande klokken zijn opgetrokken in de voor Baas kenmerkende cartooneske stijl, maar de wijzerplaten zijn video’s van twaalf uur waarop iemand de tijd ‘maakt’ door in real time de wijzers op de glasplaat te schrijven.

Advertentie

Advertentie

Één been in de mainstream

Het werk van Maarten Baas past in de traditie van de artistieke ontwerpers, de author-designers, zoals die de laatste twintig jaar van de Eindhovense Design Academy afkomen. Studio Wieki Somers, Studio Job, Kiki & Joost, Joris Laarman; ze maken ontwerpen die niet in de eerste plaats gericht zijn op functionele oplossingen, maar het midden houden tussen kunst en design. De naamswijziging van de in 1947 opgerichte ‘Akademie voor Industriële Vormgeving’, naar ‘Design Academy Eindhoven’ vijftig jaar later is veelzeggend. Studenten worden geacht vorm te geven vanuit een persoonlijke fascinatie. ‘Intuïtie’ vormt volgens de visie van de opleiding ‘de kern van je authenticiteit’. De Academy hoopt haar studenten tot ‘betrokken outsiders’op te leiden, die in staat zijn met wat ze maken iets van een mentaliteitsverandering op gang te brengen.

Milaan, dat is gewoon één groot entertainmentgedoe. Zolang het maar licht geeft of draait of wiebelt.

Maarten Baas, na zijn afstuderen op de schouders genomen door de toenmalige directeur Li Edelkoort, is een succesvolle exponent en perfecte illustratie van die traditie. Baas verhoudt zich kritisch tot zijn vakgebied. Zo richtte hij zijn expositie in Milaan in 2014 in als een circus. ‘Milaan, dat is gewoon één groot entertainmentgedoe,’ zegt hij, ‘zolang het maar licht geeft of draait of wiebelt, dus ik heb er een groot gedoe van gemaakt met lachspiegels en draaimolens en wiebelende dingen, alles kon daar, als het maar leuk was en lollig. Dure stukken naast stoelen van ballonnen, hoppakee doe maar, leuk, gooi het er maar in!’ Hij zorgt er echter wel voor dat zijn ‘statements’ nooit zo scherp worden dat hij de sector beledigt. Het zijn eerder plaagstootjes. ‘Je moet altijd met één been in de mainstream blijven staan,’ was de les die hij leerde op de academie.

In het artistieke design speelt de ‘innerlijke noodzaak’ tot expressie een belangrijke rol. ‘Als je iets honderd procent kunt uitleggen,’ zei voormalig student Bertjan Pot in een documentaire over Dutch Design in 2012, ‘dan hoef je het niet meer te maken.’ ‘Er is,’ zei hij, ‘de noodzaak iets te delen, maar je kunt het niet in een boek kwijt, of een foto, je moet het doen in een stoel, of een lamp. Je hoort wel eens “dat een foto meer zegt dan duizend woorden”; een stoel kan meer zeggen dan vijf foto’s bij elkaar.’

Gezien de rijkdom aan contrasten die zijn persoonlijkheid kenmerkt, was naar die ‘eigen kern’ op zoek gaan voor Baas geen sinecure. De academiejaren waren de moeilijkste van zijn leven. Tot op de dag van vandaag hoor je de irritatie in zijn stem als hij het over die periode heeft. ‘Ik vond het moeilijk om te zoeken naar: wat heb ík nu eigenlijk te zeggen en in hoeverre laat ik me leiden door de docenten? In hoeverre is wat ik te vertellen heb sterker dan wat zij te vertellen hebben? Het kost tijd om daar een vorm in te vinden, en tot die tijd was het heel vaak: ik wil eigenlijk deze kant op, maar de docent zegt wat anders, dus doe ik dat maar, en dan komt er dus vlees noch vis achter weg. Die docenten moeten je ook beoordelen, dus de hand die je meeneemt, kan je ook terugmeppen.’ Het waren uiteindelijk ouderejaarsstudent Bertjan Pot en docent Jurgen Bey die Baas richting en zelfvertrouwen gaven.

Bio slow design

‘Tijd’ is een van Baas’ grootste thema’s. Op de aankomende Salone del Mobile presenteert hij New Newer Newest: het ontwerp van een bos met honderden bomen dat uit de lucht gezien door de kleurverandering van de bladeren steeds opnieuw het woord ‘NEW’ vormt, in de vorm van een schreeuwerige sticker. De installatie die in Milaan te zien zal zijn, een maquette waarop een beamer gericht staat, is geen uiting van het tegenwoordig modieuze design fiction, waarbij het ontwerp beperkt blijft tot de kracht van een mogelijkheid; het is de bedoeling dat het bosontwerp echt wordt gerealiseerd in de Flevopolder, waar de komende jaren meer bossen worden geplant in verband met de realisering van de Europese ecologische hoofdstructuur. Baas is in onderhandeling over een oppervlakte van tweehonderd voetbalvelden die hij wil laten beplanten met bomen die op een bepaalde manier verkleuren, groen in de lente en geel of rood in de herfst, zodat je steeds in andere kleuren het woord ‘new’ ziet staan, ‘een heel langzame neon flashy reclame’ – alleen zal hijzelf noch zijn tijdgenoten dat ontwerp in het echt zien. ‘De productietijd is meer dan een eeuw,’ stelt Baas nonchalant, ‘dus dat gaat ons overleven.’

Hij ziet het als een schop tegen de ‘meteen-willen-hebben-mentaliteit’. De nadruk op ‘nieuw!’ is volgens hem typisch voor deze tijd, ‘ik weet helemaal niet hoe mensen er over tweehonderd jaar over denken, of ze dan nog verslaafd zijn aan het nieuwe, maar op deze manier stop je dat idee in een tijdmachine en breng je het één, twee eeuwen verder.’

Baas’ andere presentatie is een film van stoelen die in de mal van echte bomen groeien. Ook die ontwerpen zullen honderdvijftig jaar in beslag nemen. Het Groninger Museum, dat in januari een solotentoonstelling van Baas verzorgt, onderzoekt of ze dit bio slow design kunnen realiseren op het bij het museum horende landgoed Menkemaborg. Om het contrast tussen het onverschillig tijdloze en het dwingende heden helemaal te omarmen, presenteert Baas zijn ontwerpen dit jaar met opzet in het meest hyperige deel van de Milanese beurs, de Zona Tortona.

Maarten Baas. Foto: Jasper Zwartjes
Alles is ijdelheid

‘Overgeleverd zijn aan wat op je afkomt versus controle proberen te houden, dat zit in veel van mijn werk,’ zegt Baas. ‘De grilligheid van de natuur versus de inspanningen iets tot stand te brengen.’

Door Baas’ werk heen waart een besef van de zinloosheid van het menselijk handelen in het licht van de onverschillige krachten van de tijd. Prediker 1-5: Alles is ijdelheid en het najagen van de wind. ‘Lucht en leegte, alles is leegte. Welk voordeel heeft de mens van alles wat hij heeft verworven, al zijn moeizaam gezwoeg? Generaties gaan, generaties komen, maar de aarde zal altijd blijven bestaan. De vroegere generaties zijn vergeten, en ook de komende zullen weer worden vergeten.’

Curator Sue-an van der Zijpp van het Groninger Museum wijst erop dat het thema van vergankelijkheid een lange traditie heeft in de kunsten, de vanitas-stillevens, het memento mori, ook bij designers, waarom niet? Neem de schedels, zegt ze, in het werk van Studio Job.

Bij Baas zit de melancholie ’m in de onschuldige, kinderlijke vormentaal, een esthetisch narratief dat een levensstadium oproept dat nog geen bezwaard gemoed kent, vol optimisme, nog vóór de klok het onschuldige geluk door scheiding, ziekte en dood heeft weggetikt. Door dat kinderlijke handschrift wordt Baas’ boodschap niet: ‘gedenk te sterven’, maar eerder ‘gedenk te leven’.

Ik druk me uit in wat ik maak

‘Hmm hmm, even kijken,’ zegt Baas met een stem die de worsteling toont tussen tegenzin en de wens om beleefd te zijn. Vanwaar die fascinatie met de tijd? was de voor de hand liggende vraag. ‘Ik heb mezelf maar een beetje toegezegd dat ik het niet zo makkelijk in woorden zoek en ook niet kan uitdrukken. De meest filosofische vragen worden soms op me afgevuurd, maar ik acht me daartoe eigenlijk niet in staat, dan moet je bij een filosoof zijn – mijn vader, had hij nog geleefd, zou er prachtige dingen over hebben kunnen zeggen, maar ik druk me uit in wat ik maak en dat is het dan zo’n beetje.’
Baas, rode trui, zwart sjaaltje, grijze puntschoenen, is een bescheiden jongen die diep in de put kan raken als zijn ideeën geen werkelijkheid kunnen worden. In het kantoortje van vier vierkante meter boven in de Bossche studio wacht hij steeds geduldig op de volgende vraag en probeert die dan zo correct mogelijk te beantwoorden. (Journalisten zijn lasten geworden voor de mensen, misschien zijn we met te veel, misschien doen we ons werk niet goed, misschien verlangt iedereen tegenwoordig een kritiekloze vorm van public relations, misschien verzorgen ze hun pr liever zelf via hun sociale media).
Zelf stelt hij één vraag, aan het begin van het interview, als hij een uur te laat de studio binnen wandelt: ‘Elsevier, toch?’

Baas hoedt zich er voor te pretentieus over te komen. Toen hij laatst in één zinnetje moest zeggen waar zijn werk over ging, had hij gezegd: ‘Het zijn wat rek- en strekoefeningen in de designwereld, je probeert ’s dit, je probeert ’s dat.’

Vloeiende grenzen

Voor de artistieke designers die het grootste deel van hun inkomen uit de verkoop van hun ontwerpen in buitenlandse galerieën halen, is het onderscheid tussen ‘kunst’ en ‘design’ pijnlijk. ‘Het is geen kunst, en het is geen design,’ zei Job Smeets van Studio Job eens in een interview: ‘Tjak, twee keer je kop eraf.’

Het Groninger Museum heeft een traditie in het tonen van kunst, mode of design op het grensvlak van de eigen discipline. Wat curator Van der Zijpp bij designers als Iris van Herpen, Studio Job, Joris Laarman en Nacho Carbonell waardeert, zijn de vloeiende grenzen tussen design, kunst, ambacht en conceptuele verdieping. Baas neemt daarin volgens haar weer een andere route. ‘Hij reflecteert op het vakgebied door middel van satire: hij gebruikt design als een platform voor een theatrale performance. Het circus in Milaan was daar een voorbeeld van, net als de theaterdecors die hij ontwerpt.’
Die overlap is wat Baas in oktober gaat uitdragen als een van de twee ambassadeurs van de Dutch Design Week in Eindhoven: hij zal pleiten voor de samenkomst van kunst, design, theater, film, technologie. Baas ziet de designer als een holistische ondernemer die uit allerlei creatieve disciplines een begrijpelijk verhaal kan smeden. Hij ziet ‘design’ als ‘het cement dat al die shit tot een geheel maakt’, ‘een platform waar al het creatieve bij elkaar kan komen’. Hij zou het toejuichen als de blik op design breder werd.

Misschien kan er een ander woord voor komen, stelt hij voor, dat de rijkere lading beter dekt. ‘Etymologisch klopt het toch al niet meer: design komt van tekenen, je tekent dat wat je uiteindelijk geproduceerd wil hebben.’ Het begrip is daar volgens hem inmiddels ver bovenuit gestegen, ‘bovendien is het ook nog eens zo’n lelijk Engels woord. Er wordt heel veel in de kiem gesmoord, puur omdat er zo’n behoefte is om iets in een hoekje te plaatsen.’

Geen Efteling

Wat opvalt, is dat designers als Baas in hun eigen sector wereldberoemd zijn, maar daarbuiten nauwelijks bekend. Schiet de wereld iets op met galeriestukken die alleen op afspraak te bezichtigen zijn? In het kantoortje dat net plaats biedt aan twee stoelen aan een bureau schetst Baas zijn dilemma’s. Er blijft niet veel over van zijn handschrift in een industrieel proces dat ontwerp naar de massa brengt, betoogt hij. ‘Machines zijn niet gemaakt om dat soort fratsen uit te halen.’

Voor meubelfabrikant Gispen is het met veel pijn en moeite gelukt de serie More or less te maken: een reeks zwarte stoeltjes die van elkaar verschillen omdat de standaard houten schelpen die voor zittingen worden gebruikt, allemaal net iets anders uitgeslepen zijn, wat in een vergaderruimte de aanblik oplevert van een zaal handgetekende stoeltjes. Maar dan heb je weer met de consument te maken die als hij er een paar bestelt graag precies wil weten hoe ze eruit komen te zien, en niet ‘ongeveer’. Baas: ‘Ik ben ook niet het slag ontwerper dat vindt dat mijn ontwerpen in elke huiskamer moeten kunnen staan onder het mom van democratisch design, ik denk altijd ja god, pfff’ – hij lacht een beetje schamper – ‘Als het maar in tien huiskamers staat, vind ik het ook best. Mijn producten liggen wel in heel veel huiskamers, namelijk geprint in tijdschriften.’

Mijn producten liggen wel in heel veel huiskamers, namelijk geprint in tijdschriften.

Baas vormt samen met Bas den Herder het Den Herder Production House (DH PH), gevestigd in een voormalige boerderij aan de Rosmalensedijk in Den Bosch – over de strontgoten is een paar jaar geleden een betonnen vloer gelegd – waar Baas’ ontwerpen en die van andere designers door een klein team met de hand worden gemaakt. Den Herder is de man die lastige ideeën hoogwaardig kan materialiseren; hij zorgt dat de laden van een kast die schots en scheef staat nog opengaan, hij overlegt met techneuten hoe een film van 24 uur in een handzaam kastje te projecteren, hij stuurt de werkplaats aan en zorgt ervoor dat Baas’ speelse ontwerpen genoeg ingetogenheid houden om ‘geen Efteling te worden’.

Voorafgaand aan ons gesprek had Maarten Baas in het keukentje van de werkplaats onmachtig naar het flikkerende lichtje op een koffiezetapparaat staan staren; hij had er een kop onder gezet, maar er was slechts een straaltje bruin water uitgekomen. Bas den Herder had te hulp moeten schieten om een kopje koffie te maken.

Je hebt op enig moment afstand genomen van de designwereld. ‘Ja ik heb wel een beetje afstand genomen. Wel fijn om effe in de luwte door te rommelen.’ Zoveel kritiek kreeg je niet, toch? Je ontwerpen zijn altijd geliefd geweest. ‘Geliefd of niet geliefd, dat maakt me niet veel uit; dat er sowieso heel snel een mening over je dingen wordt gegeven, daar had ik last van. Om iets moois te maken, iets te maken dat geliefd wordt, moet ik behoorlijk mijn best doen. En ik had effe niet zo’n zin om dingen steeds weer op een podium te moeten zetten. Om daartoe te komen, dat kost me veel kruim, dus ik vond het wel fijn om effetjes niet op het hoofdpodium van Milaan te staan en daar mijn trucje te laten zien, ik wilde altijd al reizen, dus ik ben een beetje gaan rondtoeren…’

Deze maand heeft Baas een solotentoonstelling in de Carpenters Workshop, aan 693 Fifth Avenue New York, waar hij een serie meubels laat zien met de naam Carapace die geïnspireerd zijn op de beschermende schilden van onder meer schildpadden en torren. De stukken, waaronder een dressoir, een leunstoel en een bureau, tonen aan de buitenkant een robuust patchwork van gepatineerde bronzen en stalen platen, de binnenkant is van walnotenhout.

‘Er is een stevige buitenkant nodig om iets gevoeligs te beschermen,’ stelt de ontwerper. ‘De sensiviteit van het werk, dat is waar mensen het voor doen en waarmee je succesvol wordt, maar op het moment dat je succesvol bent en op het hoogste podium staat, staat die sensitiviteit natuurlijk meer onder druk dan wanneer dan ook.’