‘Dit land haat de Koerden. dat besef doet pijn’

Redactie Vrij Nederland
Illustratie: Gijs Kast
Terwijl president Erdogan de media onderdrukt en deals sluit met Europa, pakt hij de Koerden onverminderd hard aan. Journalist Fréderike Geerdink werd vorig jaar Turkije uitgezet. Hoe vergaat het haar achtergebleven Koerdische vrienden en kennissen?

Een politieman met bivakmuts en mitrailleur installeerde zich op de bijrijdersstoel van het minibusje waar ik in zat, zijn wapen op de inzittenden gericht. Het busje zat vol met mannen en vrouwen van een zogeheten ‘menselijk-schildgroep’, een groep burgers die probeerden de gevechten tussen het Turkse leger en de Koerdische PKK te stoppen. Ik was met ze mee voor een reportage. Het was begin september vorig jaar en al donker. Toen een tweede politieman een zaklamp op mij richtte en me vroeg wie ik was, dacht ik nog dat mijn antwoord ‘Geerdink, buitenlands journalist’ de groep enige bescherming zou geven. Misschien deed het dat ook wel – wie weet was er anders geschoten. Mij hielp mijn status als buitenlands journalist in ieder geval niet. Ik belandde achter de tralies, wat leidde tot internationale druk op Turkije om me te laten gaan. Drie dagen bracht ik met de groep door in het cellencomplex in de kelder van het politiebureau in Yüksekova. Daarna werd ik op het vliegtuig naar Amsterdam gezet.

De Turkse staat trekt zich steeds minder aan van wat de EU vindt van mensenrechtenschendingen in Turkije. Buitenlandse journalisten moeten in Turkije elk jaar hun perskaart vernieuwen, waarmee de verblijfsvergunning kan worden verlengd. Dat was bij mij de afgelopen jaren telkens problematisch, en telkens werd ik weer uit de brand geholpen door Nederlandse politici in het Europarlement. Zeker sinds ik met mijn artikelen over de Koerdische kwestie steeds meer de aandacht op mij vestigde.
Dit keer konden Europese politici mij niet redden. Ik had het moeten zien aankomen, na de rechtszaak die de staat begin 2015 tegen mij voerde wegens ‘propaganda voor een terroristische organisatie’. Toen werd ik vrijgesproken en ging ik gewoon verder met mijn werk. Welke andere optie had ik? Terug naar Nederland wilde ik niet. Maar in september 2015 moest ik wel. En nu ik gedwongen terug ben en in Nederland van logeeradres naar logeeradres zwerf, blijf ik de ontwikkelingen in Turkije en Koerdistan op de voet volgen. De rel rond de televisiekomiek in Duitsland, de veroordeling van twee Turkse journalisten wegens het publiceren van Charlie Hebdo-cartoons, het aftreden van premier Davutoglu. Hoe ernstig ook, mijn blik was en is vooral gericht op de regio waar je in westerse media het minste over hoort: Turks Koerdistan, het gebied waar de ijzeren vuist van president Erdogan op dit moment het hardst wordt gevoeld. Hoe vergaat het mijn vrienden, de mensen met wie ik tot mijn gedwongen vertrek werkte en leefde? Voor dit stuk belde ik er een paar.

Allemaal dood

Het gaat met niemand goed. Niet met Agit, een jonge computerprogrammeur uit de stad Sirnak in het uiterste zuidoosten van Turkije. Een paar jaar geleden leerde ik hem kennen toen ik in contact kwam met activistische jongeren. Hij stuurde me onlangs via Twitter foto’s van zijn wijk. Het zijn beelden van totaal verwoeste straten na de gevechten tussen PKK-militanten en Turkse veiligheidstroepen. ‘Er staat nauwelijks nog iets overeind,’ zegt hij. Met zijn familie is hij uitgeweken naar een dorp in de buurt, waar ze bij familie bivakkeren tot ze terug kunnen naar wat er niet meer is. ‘Vrienden en buurjongens vochten mee. Die zijn nu allemaal dood. Hun half vergane lijken liggen op straat. Het leger geeft geen toestemming ze op te halen.’

De Turkse staat trekt zich steeds minder aan van wat de EU vindt van mensenrechtenschendingen in Turkije

Ook met Nurcan Baysal gaat het niet goed. Ze werkt als onderzoekster voor verschillende lokale ngo’s en publiceert boeken, onder andere over de Armeense geschiedenis en over het lot van Yezidische Koerden in gebieden die onder IS-controle staan. Laatst barstte ze in huilen uit toen ze tomaten kocht op de markt en steeds het artillerievuur hoorde dat werd afgeschoten op Sur, de oude stad van Diyarbakir. Sur was hermetisch afgesloten, net als Sirnak nu, en hoewel de gevechten nu voorbij zijn, zijn nog steeds niet alle straten toegankelijk. ‘Mijn kantoor is niet ver van Sur,’ zegt ze. ‘Het werk gaat door, de kinderen gaan naar school, ik maak eten klaar, ik doe de boodschappen, maar terwijl ik leef en eet, gaan er tien minuten verderop mensen dood. Precies op die plekken waar wij vorig jaar nog koffie dronken.’

Ook met Vecdi Erbay gaat het niet best. Hij woont in Diyarbakir maar bivakkeert een tijdje in Kiziltepe, pal aan de grens met Syrië, waar zijn familie woont. ‘Ik heb weer eens geen werk,’ zegt mijn goede vriend en collega-journalist, met een moedeloze lach. Vecdi heeft meestal geen werk maar schrijft zich een slag in de rondte voor publicaties die niet of nauwelijks betalen, want hij kan net als ik niet zonder schrijven om greep te krijgen op de tragedies om hem heen. Hoewel het hem vooral in de stad Cizre zwaar viel. ‘Ik sprak met mensen die hun kind, hun huis, hun toekomst hadden verloren en kon geen woorden vinden voor wat ik in hun ogen zag.’

Cizre, een stad van oorspronkelijk 130.000 mensen, werd vanaf half december vorig jaar wekenlang belegerd. De strijd tussen jonge bewapende PKK-sympathisanten en het Turkse leger was er keihard. Groepen burgers raakten met nauwelijks water en voedsel opgesloten in kelders van half verwoeste gebouwen, vaak gewond en zonder dat ambulances toestemming kregen ze naar het ziekenhuis te brengen – een verhaal dat nauwelijks in de Nederlandse media is doorgedrongen. Advocaten voerden spoedprocedures tot aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens om de bevolking te ontzetten. Koerdische politici hadden telefonisch contact met mensen in de kelders en probeerden de minister van Binnenlandse Zaken ertoe te bewegen in te grijpen, maar het mocht niet baten: de kelders werden in lichterlaaie gezet. Video’s van na de belegering lieten burgers, politici en journalisten in de kelders zien, de gezichten vol afschuw door de vondst van verkoolde menselijke resten en de geur van rottend vlees. Ook Vecdi was daarbij.


Illustratie: Gijs Kast

En ikzelf? Ik ben gezond, ik werk, vrienden en familie verschaffen mij een dak boven mijn hoofd maar toch gaat het niet echt goed. Mijn uitzetting vorig jaar is onlosmakelijk verbonden met de ontwikkelingen in Diyarbakir en heel Zuidoost-Turkije. Ik wist nooit hoe het voelde als je stad, het gebied dat je als ‘thuis’ beschouwt, kapotgeschoten wordt en mensen met wie je je verbonden voelt het leven verliezen. Nu weet ik dat eigenlijk nog niet. Ik ben geen Koerd. Maar moet je kijken hoe ík me al voel als ik de destructie zie en het einde van de hoop bij een volk dat vrede wil. Boos, verbijsterd, wanhopig soms, verdrietig, half in paniek af en toe. Hoe voelt het dan wel niet voor mijn vrienden daar, de Koerden die er direct onderdeel en slachtoffer van zijn?

Turkijes nachtmerrie

Vredesjournalist zou ik worden, dacht ik een paar maanden nadat ik in augustus 2012 in Diyarbakir neerstreek als enige buitenlandse correspondent. Het vredesproces tussen de Turkse staat en de Koerdische gewapende beweging PKK stond op het punt van beginnen. Het idee dat het proces werkelijk zou kunnen leiden tot de oplossing van het probleem dat al ruim honderd jaar etterde, inspireerde me. Normaal vertrekken journalisten als de vrede uitbreekt, maar ik zou blijven. Om te schrijven over het komende Koerdische zelfbestuur, dat onvermijdelijk onderdeel zou gaan uitmaken van een vredesakkoord. En hoe daarin met minderheden omgegaan zou worden. Hoe een amnestieregeling voor PKK-strijders er precies uit zou zien en voor welke misdaden de staat én de leiding van de PKK zouden moeten boeten, en hoe dan. Maar het vredesproces liep op niets uit. De gebaren die Erdogan naar de Koerden maakte, bleken niet meer dan politieke spelletjes. Een grondwetshervorming waardoor Koerden hun politieke en culturele rechten zouden krijgen, bleef uit. Ondertussen bleef een staakt-het-vuren van kracht. Totdat in september 2014 de strijd rond de Syrische grensstad Kobani losbarstte. Daar verdedigden door de Amerikanen gesteunde Koerdische strijders van de aan de PKK gelieerde Volksbeschermingseenheden (YPG) de stad tegen de oprukkende troepen van IS. Maar zij werden neergeslagen, de Koerden waren de grote overwinnaars. Turkije’s nachtmerrie werd werkelijkheid: er kwam aan de grens een Koerdische buffer, die tevens een goede uitwijkmogelijkheid is voor de PKK. De Turkse regering had ervoor kunnen kiezen zich onomwonden aan te sluiten bij de alliantie die de Amerikanen en een aantal West-Europese landen aangingen met de YPG om IS te bestrijden, maar daarvoor zit bij de Turken de afkeer tegen alles wat riekt naar PKK te diep. De Koerdische beweging, gewapend en ongewapend en zowel in Turkije als in Syrië, moest kapot. En daarvoor moest het staakt-het-vuren om zeep.

Die urgentie werd nog groter na de parlementsverkiezingen van juni vorig jaar. De HDP, de linkse partij die voortkomt uit de Koerdische politieke beweging, deed het zo goed dat de AKP de meerderheid in het parlement verloor. Erdogan stuurde in de zomer die volgde achter de schermen aan op het mislukken van de coalitiebesprekingen en dus op nieuwe verkiezingen.

Vrienden en buurjongens vochten mee. Die zijn nu allemaal dood. Hun half vergane lijken liggen op straat. Het leger geeft geen toestemming ze op te halen

De nationalistische kiezers, die uit onvrede over de gesprekken van de staat met de PKK naar de ultranationalistische partij MHP waren overgestoken, moesten terug op het AKP-nest. De enige manier om dat te bereiken, was de Koerdische kwestie te reduceren van mensenrechtenprobleem tot terrorismeprobleem, met bijbehorende aanpak.
De eerste tekenen dat de AKP klaar was met de geweldloze jaren waren al voor de juni-verkiezingen zichtbaar. Eind februari 2015 werd door vertegenwoordigers van AKP en HDP een akkoord gepresenteerd, een soort roadmap van tien punten waarlangs het politieke proces tot vrede vlotgetrokken zou moeten worden. Die roadmap werd opgesteld in nauwe samenspraak met PKK-leider Öcalan, die al jaren op gevangeniseiland Imrali vastzit en waar om de haverklap bootjes naartoe gingen voor overleg. In maart begon Erdogan te morren en zei hij tegen journalisten dat hij het akkoord niet juist vond. Begin april voer de boot naar Imrali ineens niet meer. In juli, dus na de verkiezingen, bracht Erdogan het akkoord de definitieve doodsteek toe door te zeggen dat hij het nooit zou accepteren. Rond dezelfde tijd verklaarde de PKK dat wat hen betreft het staakt-het-vuren voorbij was.

In de zomer van 2015 riep een aantal Koerdische burgemeesters van de DBP (het regionale zusje van de HDP) autonome zones uit in hun steden. Jongeren van de aan de PKK gelieerde Pattriotristische Revolutionaire Jeugdbeweging (YDGH) vormden zichzelf om tot Civiele Verdedigingsunits (YPS). Er verschenen barricades. Het PKK-leiderschap ontkende het, maar niemand twijfelde eraan dat de PKK de jongeren in de steden had bewapend. De molotovcocktails werden ingeruild voor kalasjnikovs en er werden strijders gesignaleerd met raketwerpers op de schouders. In de nieuw ontstane ‘autonome gebieden’ hadden Turkse veiligheidstroepen niets meer te zoeken, vond de YPS. Ze verschansten zich in de wijken. In de dagen voor ik Turkije werd uitgezet, zag ik die barricades in Yüksekova, een stadje waar nu een permanent uitgaansverbod geldt en flink wordt gevochten. Maar wat ik toen, begin september, zag, was niets vergeleken bij de barricades die de YPS-kaders nu bouwen: ze zijn hoger en steviger, en vaak volgestopt met explosieven.

Aan hun lot overgelaten

Van Agit heb ik me vaak afgevraagd of hij niet stiekem actief was binnen de YDGH. Hij bezwoer me altijd van niet. Hij droeg met zijn werk als freelance computerprogrammeur en ontwerper bij aan het familie-inkomen. Maar dat zegt weinig over wat je in de avonduren uitspookt. Nu ik contact met hem opneem en hij bij familie in een dorpje blijkt te zitten, weet ik zeker dat hij altijd eerlijk is geweest. Een jonge militant verlaat het strijdtoneel slechts dood.

Agit is gedesillusioneerd. Hij geloofde in de strijd van de PKK, stemde uit overtuiging op de HDP, deed naast zijn werk wat hij kon om de strijd te steunen. Via Facebook vraag ik hem wie hij verantwoordelijk houdt voor het huidige geweld. Dat de Turkse staat de eerstverantwoordelijke is, behoeft wat hem betreft geen betoog. Al sinds de oprichting van de Turkse staat worden Koerden onderdrukt en de Koerdische identiteit ontkend. ‘Maar ook de PKK heeft schuld,’ zegt Agit. ‘Waarom zijn ze in de bergen gebleven? Waarom zijn ze niet gekomen om de YPS te helpen? Ze hebben de jongeren bewapend maar aan hun lot overgelaten. Als de PKK massaal uit de bergen was gekomen, waren burgers niet gevlucht maar hadden zich bij hen aangesloten. Dan hadden we kunnen winnen.’

Het is de vraag of hij gelijk heeft. De kalasjnikovs, raketten en bermbommen van de PKK kunnen niet op tegen de tanks en gevechtshelikopters van het Turkse leger. Beide groepen bevechten elkaar al sinds de eerste PKK-aanslag in 1984 en geen van beide krijgt het voor elkaar de ander militair te verslaan. Dat is nu niet anders. Het wapentuig van het leger is sindsdien weliswaar flink gemoderniseerd, maar de PKK heeft aan aanhang gewonnen en is uitgegroeid tot een ware volksbeweging.

Hoe groot het geweld en de chaos zijn in de Koerdische provincies van Turkije, blijkt uit rapporten van verschillende mensenrechtenorganisaties, waaronder Human Rights Watch, Amnesty International en de Turkse Mensenrechten Associatie (TIHV). Vooral de TIHV houdt de verwikkelingen minutieus bij. In hun update van 20 april wordt becijferd dat er sinds het eerste uitgaansverbod, in augustus 2015, maar liefst 65 uitgaansverboden zijn uitgevaardigd in gebieden waar in totaal ruim 1,6 miljoen mensen wonen. Zeker 355.000 mensen hebben, zoals Agit en zijn familie, huis en haard moeten verlaten, en minstens 338 burgers zijn omgekomen in gevechten tussen jonge bewapende PKK-aanhangers en Turkse troepen, onder wie 78 minderjarigen, 69 vrouwen en dertig 60-plussers. Overigens is ‘uitgaansverbod’ niet het juiste woord. Het gaat om belegeringen: de straatverboden gelden vierentwintig uur per dag en voor onbepaalde tijd, en in Sur en Cizre duurden de belegeringen maanden.


Illustratie: Gijs Kast

Hoeveel strijders aan beide kanten het leven lieten, is moeilijk vast te stellen: de cijfers die beide zijden rapporteren, verschillen sterk en zijn niet te controleren. Onderzoekster Nurcan Baysal zegt: ‘Dit is geen oorlog met slechts tanks en wapens, het is ook een psychologische oorlog. Waarom anders wordt een filmpje verspreid van een straatkat die een lijk aanvreet?’ Ze doelt op filmpjes die op sociale media verschijnen. De video met de kat, eind maart opgenomen in de stad Yüksekova, werd veel gedeeld op Twitter. Begin oktober was er het filmpje waarin de 24-jarige Haci Lokman Birlik aan een touw achter een gepantserd voertuig door de straten van Sirnak werd gesleept nadat hij door het leger was doodgeschoten. En er waren de foto’s, begin maart, van de naakte opgepakte mannen in Diyarbakir, vernederd door politiemensen. Nota bene allemaal openbaar gemaakt door de daders zelf, de leden van de veiligheidsdiensten dus. Vaak volgt er wel een officieel onderzoek, maar dan naar het lek, niet naar de daad.

Aanvankelijk waren mensen kwaad op de PKK en de militante jongeren, zegt Nurcan, omdat ze de strijd bewust naar de stad haalden. ‘Maar dat betekent niet dat er méér sympathie is voor de staat. Integendeel, zeker toen steeds duidelijker werd hoe buitenproportioneel de veiligheidsdiensten tekeergingen. Toen burgers in kelders door het leger in lichterlaaie werden gezet, toen ook wijken werden aangepakt waar helemaal geen barricades waren, toen mensen werden beschoten die hun gewonden per handkar naar het ziekenhuis probeerden te vervoeren.’

Wil je al een eigen land?

Het eind van het geweld lijkt nog lang niet in zicht. Het aantal ‘uitgaansverboden’ wordt voortdurend uitgebreid en de AKP-regering en president Erdogan zweren de PKK voor eens en voor altijd uit te schakelen. Regeringskranten reppen over de uitbreiding van het aantal JÖH’s en PÖH’s, de afkortingen waarmee de speciale troepen van de gendarme en de politie worden aangeduid. Het aantal PKK-aanslagen in buitengebieden neemt toe nu de metershoge sneeuw in een groot deel van het zuidoosten is gesmolten. Meer PKK’ers verlaten de bergen om de strijd in de steden te coördineren. De isolatie van Öcalan, de nog altijd onbetwiste leider van de Koerden, duurt voort. Wordt die doorbroken, dan zou dat betekenen dat de regering overweegt terug te keren naar de onderhandelingstafel en heeft Öcalan reden het geweld aan Koerdische kant een halt toe te roepen.

Onder de achterban is de droom van een eigen Koerdische staat altijd blijven bestaan

Maar er speelt iets groters dan dat. Voor de Koerdische politieke beweging is het ideaal onveranderd: meer rechten voor Koerden binnen de Turkse staat. Maar onder de achterban is de droom van een eigen Koerdische staat altijd blijven bestaan. De afgelopen jaren bracht ik de vraag ‘wat wil je?’ ontelbare keren ter sprake. ‘Vrede’ was altijd het eerste antwoord van elke Koerd. ‘We willen in vrede samenleven met de Turken en alle andere bevolkingsgroepen in Turkije,’ klonk het daarna. En tot slot, na enig aandringen: een eigen land. Het geduld dat mensen daarbij tonen, raakte me telkens weer: ‘Misschien zullen mijn kleinkinderen dat beleven, of de kleinkinderen van mijn kleinkinderen. Ik niet.’

Raakt dat geduld nu op? Aan een van mijn beste vrienden in Diyarbakir, Ahmet, een vijftiger die met zijn familie een landbouwbedrijf en een tankstation heeft en daarnaast hand-en-spandiensten doet voor de DBP, is het vaak mijn eerste vraag als we Skypen. ‘Hey Ahmet, hoe is het? Wil je al een eigen land?’ Hij lacht altijd, en legt mij vervolgens nog eens geduldig uit hoe een natiestaat de problemen van de Koerden niet zal oplossen, dat de natiestaat een verouderd concept is, dat alle volken en alle religies in Turkije en in het hele Midden-Oosten het met elkaar moeten zien te rooien en een systeem van autonome regio’s, waarin ieders rechten gewaarborgd zijn en geen etniciteit of religie de boventoon voert, daarvoor het beste concept is.

Agit uit Sirnak zegt dat hij er eigenlijk nooit in heeft geloofd, dat ideaal. Hij voelt zich erdoor verraden, ook door de HDP. We Skypen en hij zegt: ‘Het is een puur Turkse partij geworden. Waarom hebben ze het parlement niet verlaten toen duidelijk werd hoeveel doden hier vallen, hoe de staat tekeergaat? Door in het parlement te blijven, legitimeren ze de staat die ons vermoordt.’

Nurcan Baysal antwoordt bedachtzaam op de vraag hoe ze nu denkt over een vreedzaam samenleven met de Turken. Ze zegt: ‘Misschien is het beter om goeie buren van Turkije te worden. Weet je, ik groeide op in de jaren negentig, toen we door een zelfde periode gingen als nu. Toen dacht ik: als onze Turkse vrienden, onze landgenoten, zouden wéten wat hier gebeurt, zouden ze het stoppen. Nu weten ze precies wat er gebeurt, ze kúnnen het weten, en ze doen niets. Dit land haat de Koerden, en het doet pijn dat keer op keer te beseffen.’

Turkije is onvoorspelbaar. In de zomer van 2012 wees nog nauwelijks iets op het op handen zijnde staakt-het-vuren. De kans dat er ook nu op korte termijn een ommezwaai naar minder geweld komt, is echter klein – de omstandigheden zijn zo anders. Maar hoe lang het ook duurt, op een dag eindigt de huidige oorlog onvermijdelijk aan de onderhandelingstafel. In dat klimaat kan ik terug naar Turkije, terug naar Koerdistan om er verslag van te doen.

Om veiligheidsredenen is de naam van Agit gefingeerd.

Sluit je nu aan voor slechts €4,99 per maand

Sorry, je hebt op het moment geen toegang tot dit artikel.

Waarschijnlijk heb je een abonnement zonder digitale toegang. Wil je deze content graag lezen, sluit dan snel een abonnement af.

Heb je wél een abonnement met digitale toegang, neem dan contact op met onze klantenservice: 020 – 5518701.