Pleidooi voor de onaffe blik
Toen ik aan deze tekst begon, ik bedoel thuis, staande voor het raam in mijn werkkamer, zweefde me helder voor de geest waar hij over moest gaan. Zo helder dat ik de woorden er nog niet voor had. Het uitzicht op het inzicht verblindde mij vooralsnog.
Wat ik heb, als ik begin, is een mogelijkheid, iets wat nog geen vaste vorm heeft aangenomen. Die vorm moet ik al schrijvende zien waar te maken. Maar zoals zo vaak gebeurt er tijdens het werken iets geks: hoe dichter ik mijn onderwerp nader – woord voor woord, zin voor zin – des te minder ik het als mijn onderwerp herken. Het wordt, zoals elke keer, iets anders.
Deze vervreemding is onvermijdelijk, heb ik in de loop der jaren ervaren. Iets maken houdt kennelijk in: er iets anders van maken. Niets is wat het is, het is steeds bezig iets anders te worden. Een tekst die ik schrijf, wordt altijd de tekst van een onbekende, een fantastisch ontwerp van woorden en zinnen waar ik verbouwereerd in ronddwaal. Ik maak mij de tekst eigen, zo goed en zo kwaad als dat gaat, maar ik kan niet geloven dat-ie van mij is. Ik heb even met wat woorden mogen schuiven en dat was het.
Daar staan we dan: vreemden voor elkaar en vreemden ten opzichte van deze tekst tussen ons in.
Deze vreemdheid is voorwaarde voor wat soms ook wel literatuur wordt genoemd. Ik als spreker, als schrijver, u als luisteraar, als lezer, beiden met slechts een vaag gevoel over waar dit allemaal heen zou kunnen gaan. Verdwaald in de tijd, die nu opgehouden lijkt, rondwarend in een ruimte die op geen tomtom is terug te vinden. Maar allebei met een belofte in ons hoofd die we nog niet onder woorden kunnen brengen. En dat is wat wij hier doen: wachten op de juiste woorden – nieuwsgierig naar wat ons vagelijk is beloofd.
Zwaaien naar elkaar
Nu ik het zo formuleer, lijkt het of ons allen hetzelfde in het vooruitzicht is gesteld. Dit is natuurlijk geenszins het geval. Het is zelfs buitengewoon misleidend van mij om over ‘wij’ en ‘ons’ te spreken, terwijl het enige wat ons bindt, is dat we ons toevallig terzelfder tijd op dezelfde plaats bevinden. Hier dus. En nu. En zelfs dat is nog maar de vraag. Misschien dat u er feitelijk nog bent, maar in werkelijkheid zijn uw gedachten ongetwijfeld allang afgedwaald en bent u terechtgekomen in een verhaal waar ik weinig tot niets mee te maken heb.
In feite gebeurt deze lezing zonder dat we erbij kunnen. U niet, maar ik ook niet, zeg ik er eerlijk bij. Ook ik volg in verbazing de woorden die in me opkomen. We maken er ieder op onze eigen manier iets van, we maken er ieder iets eigens van, maar de lezing zelf ontgaat ons. We hebben alleen onze eigen vertaling van wat hier aan de orde wordt gesteld. Iedereen zet wat hij ervaart om in zijn eigen verhaal, zijn eigen woorden. Dat heet begrijpen. Begrijpen is andermans gedachten bevattelijk maken voor persoonlijk gebruik. Dat doe je in je eigen woorden, niet in die van een ander. Je breekt het bouwwerk eigenhandig af en bouwt het naar eigen inzicht weer op.
De taal die je gebruikt, stapelt zich rondom je op als een hoogstpersoonlijke Toren van Babel. Je kunt vanaf de transen zwaaien naar elkaar, maar je bereikt elkaar nooit. We doen ons best iets van elkaar te maken, maar wat dat is, kan iedereen alleen in zijn eigen woorden uitleggen.
Pratende vrouwen in een trein
Wat doe je als je een lezing hoort, of een tekst leest, van iemand die beweert niet verstaan te kunnen worden? Je zoekt je eigen versie van zijn verhaal, zelfs al gebruik je er gelijke woorden voor. Je zoekt plekken in de tekst en probeert die bewoonbaar te maken, in te richten voor eigen gebruik. Want het gaat er niet bij je in dat je iemand die op een spreekgestoelte zijn best staat te doen en correct Nederlands bezigt, niet zou kunnen volgen. Zoals ik er, op mijn spreekgestoelte, geen genoegen mee neem dat mijn woorden niet bij u overkomen. Zo doen wij beiden ons uiterste best om elkaar te verstaan. Deze houding heet, met een versleten woord, communicatie.
Communicatie is het negeren van het misverstand. Toverwoord der beleidsmakers is het, de mythe van deze tijd. Het maakt meer kapot dan je lief is. Denk aan de eerste westerse ontdekkingsreizigers en de handelsmissies die in hun kielzog meevoeren: zij communiceerden met kraaltjes en spiegeltjes en beroofden de inheemse bevolkingen van hun schatten. Denk aan pratende vrouwen in een trein. Op zijn best praten ze gewoon door elkaar heen, iets voortbrengend dat je, als je welwillend bent, geluid zou kunnen noemen. Maar meestal voert er een de boventoon en dwingt de anderen tot slaafs meeknikken. Denk aan de reclame die van dergelijke machtsverhoudingen dankbaar lering heeft getrokken en ons al kakelend kraaltjes en spiegeltjes aansmeert, die wij gemagnetiseerd in ontvangst nemen omdat we niet beter meer weten en denken dat het zo hoort.
Als je er zo naar kijkt, lijkt communicatie, wanneer deze geslaagd mag heten, bedrieglijk veel op bedrog. Het is eenrichtingsverkeer – in de richting van de consument, de ontvanger, het slachtoffer – dat verkocht wordt als wederkerigheid. In de hoofdkantoren van onze prachtige, nieuwe wereld wordt echter zelden de telefoon opgenomen.
Wij – u aan de ene, ik aan de andere kant, enfin, we kennen de situatie – mogen van geluk spreken dat deze tekst zich tussen ons in bevindt. Verdeeld in wat ons verenigt, verenigd in wat ons verdeelt. Ik probeer u geen kraaltjes of spiegeltjes te verkopen, ik verkoop u helemaal niks. In de tekst die ik tussen ons in plaats, bent u helemaal alleen en op uzelf aangewezen. In een tekst besta je alleen zelf, er is daar geen ander. Ik, die hier zo doorzichtig mijzelf probeer te imiteren, ben er in werkelijkheid niet, niet in deze tekst althans. Daar ben ik allang weer uit vertrokken. Ik geef alleen woorden door. De betekenissen haalt u er zelf uit, als u er al iets uithaalt. Mogelijk hebben die de waarde van kraaltjes en spiegeltjes, daar ga ik niet over. Dat is uw zaak. Ik geef u goud en als u daar modder van maakt, is dat uw eigen gedachtegang. Het kan ook zijn dat ik u modder geef en dat u daar zelf goud van maakt. Het staat u vrij een tekst mooier te maken dan hij is. U immers bepaalt de waarde.
Iedere lezer leest zichzelf. Een boek is een spiegellabyrint waar het soms verdomd druk bevolkt kan lijken met personages die maar blijven binnenwandelen, maar je bent in werkelijkheid altijd nog gewoon in je eentje. Wie denkt lekker te communiceren, staat in werkelijkheid gewoon heel hard in een spiegel te schreeuwen. Hij denkt dat hij het tegen een ander heeft, maar er is geen ander, tenminste niet daar waar je hem verwacht en zeker niet in de gedaante die je voor je ziet, want wat je voor je ziet, is wat je al kent en wat je al weet.
Alles overal identiek
Om ons heen is een internationaal communicatieweb geweven dat ons de illusie verschaft dat wij continu in verbinding staan met de wereld om ons heen – zoals de woorden luiden. Het is belangrijk dat ik deze woorden gebruik, want communicatie, en zeker wereldwijde, staat of valt met de gebruikte formuleringen. Het communicatiegeloof stoelt op rituele, door eindeloze herhaling afgestompte formuleringen die als informatie-eenheden, ook wel bits of content genoemd, tussen de deelnemers worden rondgepompt. Een deelnemer aan het communicatieritueel krijgt dus per se iets voorgeschoteld wat hij al kent. Vergelijkbaar met de esthetiek van het internationale hotelwezen, waar alles overal identiek is ingericht. Zoals de reiziger steeds in hetzelfde hotel terechtkomt, zo kan de veel bejubelde communicatie ook enkel ontstaan als de deelnemers bij voorbaat weten waarover zij het zullen hebben.
Door velen wordt deze situatie geruststellend gevonden. Het geeft hun de illusie dat er zoiets bestaat als een evidente werkelijkheid, door hen ook wel kortweg als de werkelijkheid betiteld, de enige welteverstaan.
Op mij is het standaardiseren van één enkele, één en dezelfde, evidente werkelijkheid altijd als armzalig en leugenachtig overgekomen.
Regen is nat
De werkelijkheid – die ene dus – is een simplificatie. Iets wat oneindig veel betekenissen belooft, wordt gesimplificeerd tot iets alledaags, tot routine en conventionalisme, tot de grootste gemene deler, met als gevolg een vaste verzameling platitudes en gemeenplaatsen waaraan iedereen zich ‘hoort’ te onderwerpen. Daarbuiten heerst rarigheid: waan, aanstellerij, fictie, kunst – allemaal afwijkingen van de normale gang van zaken en vanzelfsprekend inferieur aan de werkelijkheid.
Maar – hoor ik iemand protesteren op de achterste rij van mijn gedachten – als het regent, worden we toch allemaal nat?
Ik begrijp waar het gezonde verstand heen wil. Regen is nat, inderdaad. Dat is een feit, zoals wordt gezegd. Maar is het ook de werkelijkheid? Of een werkelijkheid? De spraakverwarring ontstaat doordat de werkelijkheid steeds wordt gesitueerd in het domein van het objectieve, terwijl ze wordt ervaren vanuit het subjectieve. Word je nat als het regent of word je pas nat wanneer je de nattigheid voelt? In het objectieve is de natheid van de regen een feit, in het subjectieve is het een mogelijkheid.
Een vorm die zich waarmaakt
Het geheim van de schrijver heeft te maken met de ontdekking van de mogelijkheden. De werkelijkheid is steeds de realisering van één enkele mogelijkheid. Terwijl die talloze andere er nog steeds zijn, wachtend op een nieuwe kans zich waar te maken.
Een ge(s)laagde tekst onthult steeds nieuwe mogelijkheden.
‘Schoonheid is niet een soort volmaakte versie van wat we ons voorstellen, een soort abstracte vorm die we voor ogen hebben, maar integendeel een nieuwe, onmogelijk voorstelbare vorm die de werkelijkheid ons aanreikt,’ schrijft Marcel Proust in Tegen Sainte-Beuve.
De werkelijkheid is een vorm die zich waarmaakt. Je neemt haar pas waar zodra je weet wát je moet waarnemen. Zij doet zich in vormen aan ons voor. Maar die vormen zijn er niet. We moeten ze eerst zien. Het is de blik die schept.
We zien de werkelijkheid zoals we haar interpreteren: Wittgenstein geeft in zijn Filosofische onderzoekingen het plaatje dat zowel haas als eend kan uitbeelden, maar nooit tegelijk. ‘We interpreteren haar dus, en zien haar zoals we haar interpreteren.’
Pleurt op met je cadeaus
Leren kijken – ons hele leven krijgen we geleerd hoe we moeten kijken. Door onze ouders, op school door onze leraren geschiedenis, natuurkunde et cetera, op ons werk, door de reclame, de journalistiek, noem maar op. Leren kijken houdt in: verbanden leren zien, verhoudingen aanbrengen, zich een oordeel vormen, causaliteiten onderzoeken, volgordes kiezen, hiërarchieën opstellen. ‘Stel je eens voor…’ En meteen probeer je iets voor je te zien. Iets. Een vorm.
Je leert dat er talloos veel soorten werkelijkheid bestaan. Sommige kan je aanraken, andere beredeneren, sommige moet je op gezag van iemand aannemen, er zijn er waarover alleen nog vermoedens bestaan, en soms zijn de prachtigste werkelijkheden zomaar verdwenen, de sporen onvindbaar in de ondoordringbare leegte van het heelal.
Je leert je van al die werkelijkheden een voorstelling te maken, je leert dus dat werkelijkheid iets is wat je construeert, wat je reconstrueert en wat je deconstrueert.
Het verbaast me daarom dat vorm zo’n ondergeschikte rol speelt in het denken. Het heeft zijn reservaat gekregen in de esthetica, een onaanzienlijke tak van de academische wijsbegeerte. En als ‘kunst’ of ‘design’ mag het vormbewustzijn een ceremoniële en ornamentele rol vervullen in de maatschappij. De kunst die mag opdraven wanneer er iets te vieren valt. De belangrijkste bijzaak in het leven – na het voetbal. Het trompetgeschal dat de feestelijke gelegenheid opluistert, het boek of de cd die op de verjaardag cadeau wordt gedaan. Maar een dergelijke functie is al te bescheiden, wat zeg ik, het is een belediging voor dat deel van het verstand dat ik de esthetische intelligentie zou willen noemen. Pleurt op met je cadeaus en je feestversiering – om het eens poëtisch uit te drukken.
Vorm is niet de buitenkant, de verpakking. Immers, een inhoud heeft altijd een vorm. Ga eens op de wc zitten, zou ik zeggen, bak er een en kijk dan achterom. Zonder vorm gaat het niet, zelfs als wij over de vorm van die vorm weinig in te brengen hebben.
Zo is het evenmin mogelijk om over een gebeurtenis na te denken zonder er een verhaal van te maken. Anders kun je er niet over vertellen. Om een ervaring onder woorden te brengen, zal men die ervaring achter zijn schrijftafel opnieuw moeten verzinnen. Een replica gemaakt van taal. Herinneringen, verzinsels, het is maar hoe je het noemt, in elk geval worden ze gefabriceerd van woorden en zinnen.
We bestaan uit vormen en zitten gevangen in taal.
De hardnekkige dichotomie tussen buitenkant en binnenkant heeft voor veel versimpeling gezorgd. Je vindt haar in allerlei schijntegenstellingen terug: vorm en inhoud, oppervlak en diepte, schijn en wezen, fictie en non-fictie. Gelijkwaardig zijn de samenstellende delen allerminst. De boodschap luidt steeds: de vorm is de oppervlakte, de schijn, de fictie – kortom, een verhulling.
Dat is een misverstand. Alles heeft immers een vorm, zoals wij hebben vastgesteld. Een wolk heeft een vorm, zelfs de wind heeft een vorm, een tekst heeft een vorm, een situatie heeft een vorm, het heelal heeft een vorm, je eigen gedachten hebben een vorm, een zandkorrel, vanzelfsprekend, een berg, pijn, eenzaamheid, een leegte, er is niets dat zich niet in een vorm aan ons voordoet, al is het maar in de vorm van een woord. Het enige is dat die vorm zich niet altijd laat vaststellen. Het ervaren van en nadenken hierover – over de vormen en gedaanten van de werkelijkheid – valt allemaal onder de esthetische benadering.
Kunst als een betere wereld
Het is de kunst zelf, en dan met name de zogenoemde vrije kunst, die de esthetiek naar ongevaarlijk terrein heeft geleid. Dat heeft alles te maken met de onlosmakelijke verbondenheid van kunst met het begrip schoonheid.
We komen hier bij het beruchte kantiaanse leerstuk van het ‘belangeloze welbehagen’, dat de kunst met zijn aura van verfijnde vrijblijvendheid heeft opgezadeld.
Kunst die gevrijwaard is van elk belang, elk nut, elke binding, elk doel, kan – als een godheid – enkel nog aanbeden worden. ‘Die sinnliche Darstellung der absoluten Idee als Ideal’ heet het dan bij Hegel. Met gewone dagelijkse dingen heeft het in elk geval niets van doen.
‘Daarom houd ik van Kunst. Want daar, in die fantasiewereld, is tenminste alles vrijheid. Je kunt er al je begeertes bevredigen, alles doen, en je bent er tegelijk koning en volk, actief en passief, offerdier en priester. Er bestaan geen grenzen; de mensheid is voor jou een marionet met belletjes, die je met je zinnen laat rinkelen, zoals een potsenmaker ze laat rinkelen met zijn voeten,’ schreef Gustave Flaubert in een brief aan Louise Colet.
Escapisme, vlucht in de anti-werkelijkheid van de verbeelding, waar alles precies omgekeerd is, waar de dromers aan de touwtjes trekken en de dingen zich gedragen als woorden die door de dichter op de juiste plek worden gezet.
Dat is dan ook heel lang de functie geweest van de Kunst (met een hoofdletter) in onze samenleving: een geaccepteerde ontsnappingsclausule. De omgekeerde wereld, de andere kant, de bohème, de wild side, een geloof voor de goddelozen, een werkverschaffing voor de nuttelozen, een schijnrevolutie voor de opstandigen, een élan vital voor de nihilisten.
Ongeschiktheid, overbodigheid, onaangepastheid: ze hadden ineens zin. Kunst bleek te kunnen worden ingezet als protest tegen de gang van zaken in een door verzakelijking verziekte maatschappij.
Deze denkwijze suggereert dat er een positie buiten de maatschappij mogelijk is. Het is de klassiek geworden rol van de kunst als een betere wereld dan de wereld zelf. Het herwonnen paradijs. De kunst als lichtend voorbeeld, als voorbeeld van zuiverheid en volmaaktheid. Onsterfelijk ook, vanzelfsprekend. Als je er oog in oog mee staat, is bewondering verplicht. Anders heb je als toeschouwer gefaald. Het is, kortom, dat soort kunstbeleving waar je op den duur vanzelf tegenaan gaat schoppen, als je een beetje guts hebt tenminste. Heiligheid vraagt nu eenmaal om ontheiliging.
Bedrieglijke verpakking
De afkondiging door Hegel, in zijn Vorlesungen über die Aesthetik (1828), van het einde van de kunst, is dan ook altijd een bruikbaar leerstuk geweest.
In onze eindeloos reflecterende en zich op zichzelf bezinnende wereld zal een kunstwerk zich steeds als zodanig moeten zien waar te maken. Vanzelfsprekend wordt het nooit, in onze eindeloos metamorfoserende maatschappij die permanent in crisis verkeert. De zuivere ervaring – geschikt om de klassieke schoonheid te savoureren – volstaat allang niet meer. Het is noodzakelijk onze esthetische ervaring telkens opnieuw te beredeneren en aldus – letterlijk – waar te maken.
Kunst, al dan niet tussen aanhalingstekens, moet zich steeds opnieuw uitvinden, zich steeds van de ondergang zien te redden.
Daarvoor blijkt engagement steeds het bekende paardenmiddel, dat wordt ingezet om de wankele, keer op keer onbestaanbare positie van de kunst in de maatschappij van een overtuigender fundament te voorzien.
De geëngageerde kunstenaar geeft zijn buitenstaanderspositie op en zet in op nut en doelmatigheid, niet meer op de vrijblijvendheid van de onvergetelijke esthetische ervaring. Hij wil iets in de maatschappij tot stand brengen.
Waar het autonome kunstwerk ‘een doel in zichzelf’ vindt (Hegels definitie), om zichzelfs wille bestaat, daar gebruikt de geëngageerde kunstenaar zijn werk om een ‘goed doel’ te bereiken. Nut gaat hier boven schoonheid, ethiek boven esthetiek. ‘All art’ moge dan ‘quite useless’ zijn, het geëngageerde kunstwerk wil zijn doelmatigheid bewijzen in de maatschappij. Zulke kunst heeft, zo heet het, een boodschap.
Het effect hiervan is dat de ethiek de esthetiek naar de achtergrond duwt. Het reduceert de kunst tot een ornamentele rol, bedrieglijke verpakking van een inhoud die bij voorbaat al gevormd was, die zonder het kunstwerk ook al bestond.
Wat je al wist
De bekendste boodschap is zonder twijfel de blijde boodschap. Het evangelie is de moeder aller boodschappen. Er zijn de prachtigste voorbeelden van kunstwerken die het geloof in Christus en het eeuwige leven hebben willen dienen. De hele kunstgeschiedenis zou er anders hebben uitgezien als God niet had bestaan. Maar uiteindelijk zijn al die meesterwerken een doel in zichzelf gebleken. Wat wij ervaren, is iets goddelijks dat door een mens is gemaakt. Je gaat in muziek geloven als je de Matthäus Passion hoort, als je het mij vraagt. Dat een ander die ervaring aan ‘God’ toeschrijft, is een kwestie van semantiek.
De waarheid die aan het kunstwerk voorafgaat en door het kunstwerk tot uitdrukking moet worden gebracht, ontneemt aan de maker zijn principiële vrijheid, die de vrijheid is om iets te maken wat hijzelf nog niet begrijpt – en waar hij dus versteld van zal staan. Een kunstenaar die de waarheid voor ogen heeft, verliest de vrijheid om zichzelf tegen te spreken, om te transcenderen en op onbekend terrein te komen, om waarheden aan het licht te brengen die duister en onwelgevallig zijn.
Het onaangename, het lelijke, het verachtelijke, het weerzinwekkende et cetera zijn ‘opbrengsten’ die een maker niet uit de weg kan gaan. Het begrip esthetica is ontleend aan het Griekse woord aisthèsis, dat zintuiglijke waarneming betekent. Het kan niet zo zijn dat onze ogen, oren, neus, mond en vingertoppen het gore en onaanzienlijke, het verderfelijke en het afzichtelijke, het stinkende en het krijsende qualitate qua negeren en alleen bij machte zijn het schone, goede en ware waar te nemen.
Lang zijn de zaken in de kunst zo voorgesteld, en kon de Kunst de mensen als lichtend voorbeeld dienen, waardoor zij een instrument werd van allerhande moralisme en ‘levenskunst’.
Kunst inzetten om van mensen betere mensen te maken, het is eeuwenlang de norm geweest – en ook tegenwoordig zijn er nog onbegrijpelijk veel mensen die denken dat het zo werkt.
Het is een belachelijke verschrompeling van de esthetische mogelijkheden. Het veroordeelt je tot kijken met een voorgevormde blik. Het is keer op keer uitdrukken wat je al weet. Het komt neer op mensen overtuigen van iets wat voor jou allang gesneden koek is. Het is, op de keper beschouwd, niets anders dan een fraaie verpakking fabriceren voor vooropgezet moralisme – die neiging om anderen te veroordelen die voortkomt uit de overtuiging dat iedereen hoort te zijn zoals jij.
Natuurlijk herken ook ik deze neiging om de werkelijkheid steeds terug te brengen tot wat je al wist. Zo werkt het nu eenmaal, ook als je voortjaagt over de ongebaande paden van het eigen schrijven. Ook literatuur is, net als alle kunsten en wetenschappen, een code die steeds verkokerd dreigt te raken. Dus als ik aan een boek werk – of een lezing zoals deze – probeer ik daaraan te ontsnappen. Als ik iets heb geschreven en het is weer eens literatuur geworden, moet ik concluderen dat de onderneming is mislukt. Tevreden ben ik pas als critici, literatuurhistorici en de gewone verdwaalde lezers zich met mijn boeken geen raad weten en ze niet goed weten te ‘plaatsen’. Missie geslaagd, zeg ik dan. Het is zaak de onzekerheid in stand te houden. Wat ik zoek, is het open terrein, waar de woorden de weg niet kennen.
Voor de moralist, mijn onzichtbare tegenstrever op het witte papier, liggen de betekenissen vast. Hij eist althans dat ze vastliggen. Dat gebeurt omdat hij is opgehouden met denken. Hij is precies daar opgehouden waar het onbegrijpelijk wordt.
Maar juist daar, in het ogenschijnlijk onbegrijpelijke, kan er iets gebeuren. Pas buiten de begrenzing van de voorgevormde begrippen kan er ontvankelijkheid ontluiken, gevoeligheid voor het over het hoofd geziene, voor wat al die tijd al ongeweten aanwezig moet zijn geweest.
Scheppende blik
In de esthetische denkruimte worden de vormen afgetast. Je volgt er de lijnen, de patronen, probeert er eens een betekenis op uit, die je vervolgens verwerpt. Het evidente bestaat hier niet, evenmin als een normale gang van zaken. Er heerst nog het onredelijke, het onbeheersbare, het wrede en het onverdraaglijke. Het is het sadistische universum waar Hermans het over had, maar het is ook het verloren paradijs van de herinneringen waarvan wij de toegangscode vergeten zijn en dat, zoals Proust ons liet zien, alleen te bereiken valt dankzij de onvoorspelbare grillen van het mémoire involontaire, het onvrijwillig geheugen. Het is de mogelijkheidszin van Der Mann ohne Eigenschaften. Het is kortom precies waar ik heen wil.
Niets is vluchtiger dan de esthetische ervaring. Ze verdwijnt en ze ontstaat, ze wordt vernietigd en je vindt haar weer terug. Juist die kwetsbaarheid zorgt voor ontroering. Het trotseren van de vergankelijkheid.
Dit is een pleidooi voor een onaf kijken, een scheppende blik. Je niet afvragen: wat is de werkelijkheid, maar: hoe doet de werkelijkheid zich aan ons voor? Niet: hoe moeten we kijken? Maar: hoe kunnen we kijken? Werkelijkheid als mogelijkheid, niet als voldongen feit. Je kunt overal naar binnen. Je moet alleen de ingang even zien te vinden.
Het esthetische is een ervaringswijze die in de kunst, de muziek en de literatuur wordt geoefend en verfijnd, maar die niet alleen daar thuishoort, in dat museale domein – waar het met zijn monumentale grafzerkformaat de werkelijkheid vaak al te gauw verplettert. Juist buiten de vaste kunstroutes kan het haar diensten bewijzen. Werkelijkheid ervaren alsof het een kunstwerk is. Daar zou de wereld een heel stuk van opknappen.
Weg met de doelmatigheid en het angstige moralisme, dat steeds uitsluit en buitensluit. Deel het bijzondere niet te gauw in bij het algemene, geef het een kans. Maak het speelveld weer zo groot mogelijk. Het zijn de mogelijkheden die de grootte van de wereld bepalen, niet de conclusies. Er zijn meer werkelijkheden dan je denkt, want je denkt al gauw te snel, te voorbarig. Te definitief.
Opnieuw te zien
Kunst betekent het aanraken van het onmogelijke. Onmogelijkheden bestaan niet, als je de kunst durft te geloven. Het onmogelijke is een mogelijkheid op zoek naar een vorm.
Waar het in de kunst, dat vreemde geloof waar we zelf de god van zijn, om gaat, is niet het onthullen van de werkelijkheid, maar juist het protest ertegen, tegen de gedeelde voorstelling van zaken. Tegen dé werkelijkheid, tegen de dingen waar ‘we’ hetzelfde over denken.
Het gaat erom de dingen eindelijk weer te ervaren. Aisthèsis. De dingen die wij steeds vergeten omdat we ze zogenaamd al kennen. Het gaat erom opnieuw te zien, en nu goed. Opnieuw te horen, te voelen. En nu pas echt, want het begint pas nu, nu we op scherp zijn gezet. Daarom is in de kunst het triviale al gauw interessant genoeg, want juist wat pal voor ons ligt kunnen we vaak niet bereiken, omdat we er in onze tevreden grootsprakigheid en neiging tot ‘visie’ al gauw overheen kijken. Het vanzelfsprekende van zijn vanzelfsprekendheid ontdoen, dat is de kunst, zodat het ons echt iets kan gaan zeggen. Het gaat er om het vaste spoor te verlaten en eindelijk aan ons leven te beginnen.
Zeg ik het echt, ‘ons’ leven?
In mijn enthousiasme ben ik er gaandeweg kennelijk van uit gegaan dat ik hier niet alleen sta, zoals ik in het begin met veel bravoure gepostuleerd heb. Nee, ik lijk mijn eigen uitgangspunt hier te logenstraffen. Ik lijk warempel te geloven dat mijn woorden bij u aankomen. Het is deze plotselinge sensatie mogelijkerwijs begrepen te worden, die mij kennelijk voortdreef, die mij de moed heeft gegeven u een eeuwigheid geboeid en geketend te houden aan een vertoog dat mij – en u – inmiddels alweer aan het ontglippen is. Dat is het gekke van schrijven: je schrijft en je schrijft en achter je rug wordt je broodkruimeltjesspoor van woorden door onzichtbare woudvogeltjes opgepeuzeld. Het was iets met ‘nieuw’, herinner ik me vagelijk, het had te maken met een houding die je in de kunst vindt, maar die ook buiten dat strikte domein van pas zou kunnen komen. Maar misschien heeft u iets heel anders gehoord. De onaffe blik, zo noemde ik het. Niet alleen de wereld, ook de werkelijkheid mag wel eens verbeterd worden. Laat de moralisten in hun blinde ijver de wereld maar vervolmaken, dan wijden wij estheten ons liever aan de werkelijkheid en de mogelijkheden die zij biedt. Vandaar natuurlijk de titel van deze lezing: De werkelijkheidsverbeteraar. En die verbetering – nu ben ik er eindelijk – begint bij beter kijken, beter luisteren. En beter zwijgen. n
Nee
P.F. Thomése was dit collegejaar ‘Vrije Schrijver’ aan de Vrije Universiteit. Dit is een ingekorte versie van de Abraham Kuyper Lezing die hij in dat kader op 24 april heeft gehouden in de Westerkerk in Amsterdam.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.