De diepste haat keert zich tegen mensen die ogenschijnlijk tot jouw kudde behoren, maar zich geniepig aan het gezag daarvan onttrekken. Eerst moeten ze monddood, dan verdwijnen.

Dan heb je eindelijk een eigen kring gevormd, die hecht is en stevig en die de talloze vijanden om je heen kan weerstaan (vijanden van het geloof, racistische, politieke vijanden), duikt vervolgens de meest geniepige vijand op. De vijand in eigen gelederen. De vijand die op het eerste gezicht ook moslim is, ‘mens van kleur’, Brits, een gewoon Turks of Indonesisch staatsburger; de vijand die lijkt op één van de jouwen, maar die uiteindelijk tot het verkeerde kamp behoort.

Een kleine week geleden werd het eethuisje van Ibu Saeni in Serang, Indonesië door politiemensen bestormd. Alle etenswaar werd in beslag genomen. Vastenmaand, ramadan, en dan geeft het geen pas openlijk voedsel uit te stallen. De burgemeester van Serang wilde laten zien wat een betrouwbare en diep gelovige bestuurder hij is; hij liet de ontruiming dan ook filmen, zodat zijn burgers geen moment zouden twijfelen aan zijn hoogstaande moraal en daadkracht. De actie was live te volgen op de tv, en wat de kijkers onbedoeld ook zagen, behalve manhaftige politie die illegale nasi goreng confisqueerde, was de 53-jarige eigenaresse Saeni, die achterbleef in haar vernielde warung. Een huilende vrouw die nu geen bron van inkomsten meer had – dat was toch niet de opsteker die men er van had verwacht. Er werd schande van gesproken, korangeleerden bogen zich over het geval, er werd spontaan geld ingezameld voor het slachtoffer en de vicepresident van Indonesië stelde vast dat er geen wet bestaat die mensen verbiedt tijdens de vastenmaand eten te verkopen: ‘Waar moeten anders al die mensen die niet vasten gaan eten?’

Een pragmatische vraag, die door scherpslijpers niet snel gesteld zal worden. Want de mensen die niet vasten, zijn geen goede moslims. Die moet je wegdenken uit het straatbeeld, wegdenken uit het reële leven, simpelweg omdat ze er niet horen te zijn. En zijn ze er toch, dan is dat jammer voor de feiten en dienen die feiten zich verdekt op te stellen.

Istanboel, nog korter geleden: in een platenwinkel komen fans van de Engelse rockband Radiohead bijeen om een nieuwe release te vieren. Er wordt bier gedronken ‘in besloten kring’ zoals dat heet, maar het is ook ramadan, en dan verschijnen er twintig mannen, die flessen kapotslaan op de hoofden van de muziekfans om ze aan hun religieuze verplichtingen te herinneren. Je kunt moeilijk zeggen dat de bierdrinkers de openbare eerbaarheid schenden, de platenwinkel is zo’n lekker alternatieve, kelderachtige ruimte. Maar de gedachte alleen al dat ergens mannen zich aan alcohol tegoed doen, gewone Turkse mannen met Turkse paspoorten die weten wat er van ze wordt verwacht, maakt de razernij nog groter. Britse toeristen, oké, maar Turken die niet geloven? Turken, die van binnenuit dit ene ondeelbare lichaam van de Turkse natie een alcoholvergiftiging bezorgen?

Thomas Mair, de moordenaar van Jo Cox, stelde zich voor als: ‘Mijn naam is dood aan de verraders, vrijheid voor Groot-Brittannië.’ Geen God, deze keer, maar evengoed: nietsontziend. Het lastige blijft dat Jo Cox ook zeer Brits was. Ik geloof niet dat ze enig pertinent bezwaar had tegen vrijheid, al hoorde ze dan tot de zogenaamde ‘Blijvers’.

Wat de uitslag ook is van het referendum, de grote lijn is deze: er zijn dus mensen die ogenschijnlijk tot jouw kudde behoren, maar zich geniepig aan het gezag daarvan onttrekken. Eerst zijn het tegenstanders, dan worden het vijanden.

Ze hoeven niet per se dood, maar monddood is fase één: je wilt ze niet langer meer horen, lezen of gepubliceerd zien.

Fase twee: ze moeten uitgegumd, weggepoetst, opgelost worden als een vlek.
Droomfase drie: er is niets meer van te zien, er is nooit een vlek geweest.