De veiligheidsmythe

Bart de Koning
Foto: Bert Verhoeff/HH, bewerking Vrij Nederland
Nederland is veel veiliger dan media en politiek ons willen doen geloven. Tegelijk belooft de politiek ons een onhaalbaar veilige toekomst.

‘Wij wenschen een politie waarvan zo weinig mogelijk worde gezien en waarvan zo weinig mogelijk worde gehoord.’ Het zijn woorden van Johan Thorbecke, de grote liberale staatsman die het Nederlands staatsbestel ontwierp.

Tot ver in de negentiende eeuw koesterden liberale en conservatieve politici het ideaal van de nachtwakersstaat. De overheid moest voor een minimum aan regels en orde zorgen en een aantal essentiële publieke taken uitvoeren, maar verder moesten burgers zichzelf maar redden.

Vergelijk dat eens met het regeerakkoord van het kabinet-Rutte, een verre nazaat van Thorbecke: ‘Veiligheid is een kerntaak van de overheid. Randvoorwaarde voor vrijheid en vertrouwen is een omgeving die niet onveilig is en waar geen gevoelens van onveiligheid heersen.’ Dit is een zeer ambitieuze belofte. Een omgeving kan namelijk per definitie alleen maar ‘niet onveilig’ zijn als er geen misdadigers zijn. Alle criminelen van de straat halen is op zich al een zeer hoog gegrepen doelstelling die nog nooit ergens verwezenlijkt is. Zelfs niet bij benadering.

Maar het kabinet was daar niet tevreden mee en deed er nog een enorme schep bovenop. Er mogen zelfs ‘geen gevoelens van onveiligheid heersen’. De politie dient dus niet alleen te zorgen voor objectieve veiligheid (alle boeven van de straat), maar ook voor subjectieve veiligheid (niemand mag zich bang voelen). Dat is natuurlijk een fraai ideaal, maar een korte blik op de praktijk van het politiewerk maakt meteen duidelijk dat het volkomen onhaalbaar is.

Nauwelijks op de agenda
Nederland kent ongeveer evenveel criminaliteit als andere West-Europese landen – er worden hier alleen meer fietsen gejat. De kans vermoord te worden is ongeveer een op de honderdduizend: een Belg loopt iets meer risico, een Duitser iets minder. Ter vergelijking: in de Verenigde Staten – de grote inspiratiebron voor veel Nederlandse crimefighters – is de kans te worden vermoord vijf keer zo groot. Uit bevolkingsonderzoek blijkt ook dat Neder­landers zich op straat veel veiliger voelen dan de gemiddelde Europeaan. Nederland mag internationaal gezien dan al behoorlijk veilig zijn, het kabinet streefde naar een utopische honderd procent veiligheid. Nog een buitenlands voorbeeld maakt duidelijk waarom dat een mission impossible is. Japan geldt algemeen als een van de veiligste landen ter wereld: de kans om daar op straat te worden belaagd is verwaarloosbaar. Toch voelt maar liefst vijendertig procent van de Japanners zich ’s avonds onveilig op straat. Een deel van de burgers voelt zich nu eenmaal altijd onveilig, ook al is die angst niet gerechtvaardigd.

De Nederlandse politiek is, in de woorden van socioloog en filosoof Bas van Stokkom, doortrokken van ‘fantasieën over totale veiligheid’. Zo maakte minister Ivo Opstelten begin april 2012 bekend dat politie en justitie een flink aantal jeugdbendes hadden opgerold. Hij kondigde aan binnen een jaar alle negenentachtig bekende jeugdbendes te kunnen uitschakelen. Ook dit was een typisch staaltje utopisch veiligheidsdenken. ‘Een illusie’ en ‘dat gaat nooit lukken’, zo reageerden de verantwoordelijke officier van justitie en politiechef terecht op die uitspraken in EenVandaag.

Nederland is in de greep van een veiligheidsmythe. Die mythe heeft twee kanten. Aan de ene kant schilderen politici Nederland vaak af als veel onveiliger dan het in werkelijkheid is. Denk aan roemruchte kreten als ‘het land staat in brand!’ van Laetitia Griffith en ‘we gaan het land terugveroveren op de hufters’ van Mark Rutte. De andere kant van de mythe is dat politici ons een utopisch veilige toekomst beloven, veel veiliger dan in de praktijk ooit haalbaar zal zijn.

De veiligheidsmythe is de afgelopen decennia geleidelijk ontstaan. We zijn als nieuwsconsumenten inmiddels gewend geraakt aan de constante stroom van berichten over misdaad en een al even constante stroom van harde, keiharde dan wel spijkerharde maatregelen om die misdaad aan te pakken.

Het voelt alsof het nooit anders is geweest. Toch stond veiligheid tot ver in de jaren tachtig niet of nauwelijks op de publieke agenda. De schade en overlast door harddruggebruikers was in de jaren tachtig veel groter dan wat hangjongeren nu aanrichten, maar er was minder maatschappelijke ophef. Molukse terroristen gijzelden treinen, ambassades en scholen, Duitse RAF-terroristen schoten agenten dood, maar dat leidde niet tot een roep om strengere maatregelen.

De afgelopen decennia is de westerse wereld in de greep geraakt van risicodenken. Er mag niets meer misgaan. We zijn op allerlei terreinen geobsedeerd geraakt door risico’s, niet alleen als het gaat om misdaad en terrorisme. Om één klein voorbeeldje te noemen: er zijn nu kniebeschermers op de markt om baby’s te leren kruipen. Op het gebied van strafrecht uit de roep om veiligheid zich in een veel hardere aanpak van misdaad, meer agenten, meer bevoegdheden en meer en langere celstraffen. De Romeinen noemden strafrecht het ultimum remedium – het laatste redmiddel. Thorbecke zag het ook zo. Tegenwoordig is strafrecht vaak het eerste wapen waar politici naar grijpen, of het nu gaat om hondenpoep, hangjongeren of boerka’s. Elk probleem wordt een politieprobleem. Dat past bij wat psycholoog en veiligheidsexpert Hans Boutellier de veiligheidsutopie noemt: ‘Het strafrecht is op die manier geen uiterste redmiddel meer, maar een centraal instrument in het utopische verlangen naar een schone, ordelijke en veilige samenleving.’

De politie kan niet zoveel doen aan het algehele criminaliteitspeil. Foto: Reyer Bocem/HH
De politie kan niet zoveel doen aan het algehele criminaliteitspeil. Foto: Reyer Bocem/HH

Overproductie van regels
Na de deregulering van de Paarse kabinetten zijn politici de laatste jaren gefascineerd geraakt door een nieuw soort maakbaarheidsdenken. In de woorden van filosoof René Boomkens: ‘Dit is echter geen maakbaarheid die, zoals in de jaren zestig en zeventig, in het teken staat van emancipatie, vooruitgang en solidariteit, maar een die in het teken staat van surveillance, controle, misdaad- en terreurpreventie, bewaking, zero tolerance, spreidingsbeleid, inperking van privacy, kortweg: het herstel van een autoritaire, gesloten samenleving.’

Er is veel retoriek over de terugtredende overheid, minder bemoeienis en minder bureaucratie, maar in werkelijkheid wordt de overheid steeds gulziger. De overheid spreekt met ‘gespleten tong’, zoals politie-expert Bob Hoogenboom het noemt. In plaats van de burgers los te laten, wil de overheid steeds meer over hen weten. Hoogenboom somt op: de uitwisseling van passagiersgegevens, telefoontaps, elektronisch patiëntendossier, OV-chip­kaart, vingerafdrukken voor paspoorten, het Elektronisch Kinddossier, kentekenscanners en de alomtegenwoordige camera’s. Die roep om veiligheid leidt tot een enorme overproductie van wetten en regels. Daardoor boet de overheid in aan gezag, zo betoogde socioloog Anton Zijderveld al in 2000 in een essay over het gezag van de politie. Er is wel macht, maar geen vanzelfsprekend gezag. Een beleid van: u vraagt, wij draaien.

Die roep om veiligheid leidt tot een enorme overproductie van wetten

De verwachtingen van burgers zijn groter geworden, ze verlangen naar die veiligheids­utopie. Tegelijk is ook het vertrouwen in de organisaties die die veiligheid moeten leveren gedaald: burgers zijn cynischer geworden over politiek, wetenschap, justitie, rechterlijke macht, kortom ‘de’ instanties. Het is een veelgehoord cliché dat er een kloof zou zijn tussen politiek en burger, maar met die kloof valt het in de praktijk wel mee. De politiek reageert razendsnel, ook op onrealistische wensen. Wil de burger honderd procent veiligheid? Dan belooft het kabinet een omgeving ‘waar geen gevoelens van onveiligheid heersen’. Of het binnen een jaar oprollen van alle jeugdbendes. De echte kloof zit dus niet tussen burger en politiek, maar tussen wat politici beloven en wat de overheid kan waarmaken. Hoe stoerder de beloften worden, hoe groter de teleurstelling als blijkt dat burgers tóch nog wel eens bang zijn op straat omdat er nog steeds misdaad blijkt te bestaan. Door alle nadruk op beleidsmodes en nieuwe maatregelen verliezen politici een simpele waarheid uit het oog: wat politie en justitie ook doen, het zal weinig effect hebben op de aard en omvang van de misdaad.

Eén magische oplossing
Er is een enorme kloof tussen wat politici, media en publiek van politie en justitie verwachten en wat de politie en justitie in werkelijkheid doen – en wat ze kúnnen doen. Politiewetenschappers en criminologen hebben in de loop van de jaren een indrukwekkende hoeveelheid kennis opgebouwd over wat werkt en wat niet werkt. Het frustrerende is dat die kennis grotendeels wordt genegeerd. Veiligheidsbeleid is zelden op wetenschappelijke inzichten of hard bewijs gebaseerd. Er is geen beleidsterrein waar de kloof tussen wetenschap en politiek zo groot is als dat voor veiligheid. Dat is raar, zeker gezien de enorme belangstelling die publiek en politiek ervoor hebben.

Politiewetenschappers werken al decennia aan evidencebased policing, een aanpak die is geïnspireerd op evidencebased medicine. De gedachte daarachter is dat artsen alleen behandelingen mogen toepassen waarvan de werking in goed opgezet wetenschappelijk onderzoek is bewezen. ‘Not opinion but facts’ is het motto.

Als het gaat om veiligheidsbeleid gelden er heel andere regels. Er is geen politicus die in het regeerakkoord deze passage zou opnemen: ‘Gezondheid is een kerntaak van de overheid. Randvoorwaarde voor vrijheid en vertrouwen is een omgeving die niet ongezond is en waar geen gevoelens van ongezondheid heersen.’ Geen minister van Volksgezondheid zal ooit beloven dat iedereen zich gezond zal voelen. Of dat een bepaalde ziekte volgend jaar uitgeroeid zal zijn. Iedereen weet dat er talloze ziekten zijn met verschillende oorzaken en dat het een illusie is om te denken dat iedereen met één wondermiddel beter wordt. Bij strafrecht bestaat die illusie wel. Het maakt niet uit om wat voor soort misdaad het gaat, wie de dader of wat de oorzaak is, er is één magische oplossing voor: strenger straffen!

Medici en beleidsmakers in de zorg berekenen al jaren hoe ze met een beperkt aantal euro’s zo veel mogelijk mensenlevens kunnen redden. Dodelijke ziekten krijgen meer budget dan onschuldige kwaaltjes. Die logica is er op veiligheidsterrein niet. Er sterven elk jaar twintigduizend mensen aan longkanker door roken, terwijl het rookverbod niet wordt gehandhaafd. Illegale drugs kosten nauwelijks mensenlevens, maar worden keihard bestreden. Op medisch gebied hebben we geleerd wetenschap boven volkswijsheden te plaatsen. Een politicus die zou oproepen tot een ‘oorlog tegen verkoudheid’ of het ‘spijkerhard aanpakken’ van verkoudheid door iedereen antibiotica te geven, zou niet serieus genomen worden. We weten al een halve eeuw dat het ‘spijkerhard aanpakken’ van drugs geen enkele zin heeft. Net als in de zorg hebben politie en justitie maar een beperkt budget. Gegeven het feit dat de politie hoogstens een fractie van alle wetsovertredingen kan opsporen, ligt het voor de hand de schaarse mensen en middelen zo goed mogelijk in te zetten. Het wordt tijd dat retoriek en bijgeloof plaatsmaken voor een rationele aanpak van criminaliteit.

'Geen gevoelens van onveiligheid'? Onhaalbaar. Foto: Roel Visser/HH
‘Geen gevoelens van onveiligheid’? Onhaalbaar. Foto: Roel Visser/HH

Een berg kakkerlakken
Nederland is, net als de rest van de westerse wereld, de laatste jaren objectief gezien een stuk veiliger geworden. Toch voelt het voor veel mensen niet zo. Dat ouderen bijvoorbeeld nauwelijks risico lopen te worden beroofd is een feit dat voor veel krantenlezers als een verrassing zal komen. Er staan immers regelmatig verhalen in de krant van bejaarden die overvallen worden? Dat klopt, maar het komt statistisch gezien erg weinig voor. We stuiten hier op een fundamentele psychologische eigenschap van mensen: we hechten veel meer belang aan negatief nieuws dan aan goed nieuws; één vliegtuigongeluk hakt er veel harder in dan de statistische bewijzen dat vliegen veilig is. Deze eigenschap zorgt ervoor dat we ons in een rijk en veilig land als Nederland toch onveilig en ontevreden voelen. Sterker nog: hoe veiliger we zijn, hoe schokkender de uitzondering. Zoals Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman het in zijn boek Thinking, Fast and Slow uitlegt: één kakkerlak kan de aanblik van een schaal met heerlijke kersen totaal verpesten, terwijl omgekeerd een berg kakkerlakken in het geheel niet opknapt door de aanwezigheid van één heerlijke kers.

Daar komt bij dat onze hersenen veel sterker reageren op concrete voorbeelden en verhalen dan op abstracte statistiek. Er is bijvoorbeeld nauwelijks een verband tussen de inspanningen van de politie en het misdaadpeil in een land. Ook dit gaat tegen de intuïtie in: als er meer blauw op straat loopt, pakken ze meer boeven en is er minder misdaad. Toch? Nee, daar is geen bewijs voor te vinden. Maar onze hersenen zijn nu eenmaal voorgeprogrammeerd om verbanden te zien tussen verschijnselen, zelfs als die verbanden er niet zijn.

Hetzelfde geldt voor het geloof in de afschrikwekkende werking van strenger straffen. De gedachte erachter is dat criminelen een rationele afweging maken tussen de verwachte buit en de verwachte kans op straf. Een halve eeuw psychologisch onderzoek heeft aangetoond dat criminelen zo niet in elkaar zitten en zich niet laten afschrikken door zware straffen. Zelfs de doodstraf werkt bewezen níét afschrikwekkend. Toch blijft de roep om strenger te straffen: de wetenschap verliest het keer op keer van de conventional wisdom. We vinden vooral die theorieën en verklaringen prettig om te horen die goed aansluiten bij ons eigenbelang, ons welzijn of ons zelfbeeld.

De secret social service
Zo bestaan er ook over de taak van de politie en het nut van blauw op straat hardnekkige mythes. Iedereen heeft wel een idee bij politiewerk: moorden oplossen, met loeiende sirenes op een verkeersongeval of bankoverval afstuiven, inbrekers op heterdaad betrappen. Het is een beeld dat gevoed wordt door duizenden films en televisieseries. Het echte, dagelijkse politiewerk komt niet of nauwelijks aan bod. Het verkeer regelen, bonnen uitschrijven, voorlichting geven op scholen, vergaderen en rapporten typen leveren nu eenmaal niet erg meeslepend drama op. Televisiekijkers snappen natuurlijk best dat films en series niet altijd een realistisch beeld laten zien, maar iedereen zal het erover eens zijn dat Hollywood in ieder geval op één centraal punt gelijk heeft: de politie bestrijdt en voorkomt misdaad. En laat dat nou precies het grootste misverstand zijn dat er over de politie bestaat.

‘The police do not prevent crime,’ stelt de vooraanstaande Amerikaanse politiewetenschapper David Bayley. Het is een gevleugeld citaat dat in menige politiestudie wordt aangehaald. David Bayley beschouwt het als een van de best bewaarde geheimen in de hedendaagse samenleving. Een enorme berg internationaal onderzoek heeft geen verband kunnen aantonen tussen het aantal politiemensen in een land en de criminaliteitscijfers. Meer blauw op straat leidt niet tot minder misdrijven. Snel reageren op noodoproepen werkt niet afschrik­wekkend op criminelen. Sinds wetenschappers in de jaren zeventig serieus onderzoek gingen doen naar wat de politie nu echt deed, weten ze dat de werkelijkheid heel anders is dan burgers denken.

Het alledaagse politiewerk heeft weinig te maken met boeven vangen. De politie is het grootste deel van de tijd bezig met zaken als het verkeer, het oplossen van conflicten, het corrigeren van het gedrag van burgers en met kleinschalige crisisinterventie, bijvoorbeeld als iemand doordraait. De politie is ‘the secret social service’, zoals een Britse politiewetenschapper het uitdrukt.

De Nederlandse politie is van alle Europese korpsen het snelst gegroeid

De politie besteedt hoogstens zo’n vijftien procent van de tijd aan opsporing en voorkoming van ‘echte’ criminaliteit, zo blijkt uit talloze praktijkstudies. De politie kán ook niet zoveel doen aan het algehele niveau van criminaliteit, omdat ze weinig kan doen aan de omstandigheden die misdaad veroorzaken: demografie, sociaal-economische omstandigheden, werkloosheid, discriminatie, machtsongelijkheid, onderwijs, terrorisme en psychopathologie.

Experts hebben al lang afstand genomen van de mythe van de crimefighter die met snoeihard optreden de misdaad terugdringt. De politie kan dat helemaal niet in haar eentje. De hoeveelheid ‘blauw op straat’ heeft geen meetbare invloed op het misdaadpeil, zo blijkt uit internationaal onderzoek. In alle westerse landen nam de criminaliteit tot aan de eeuwwisseling toe, om vervolgens overal weer te dalen – ook in landen met een mild strafklimaat waar de politie niet of nauwelijks is uitgebreid. Criminoloog Cyrille Fijnaut concludeerde al in 1985 dat vrijwel alle politieonderzoekers in de Verenigde Staten en Engeland tot dezelfde conclusies waren gekomen: misdaadbestrijding door de politie ‘draagt op zichzelf in het algemeen niet of nauwelijks bij tot vermindering van misdaad’.

Het snelst gegroeid
Toch zijn Nederlandse politici en journalisten al decennia geobsedeerd door blauw op straat, vooral in verkiezingstijd. Daarom heeft de politie er de afgelopen twintig jaar ook tienduizenden mensen bij gekregen. Wat die precies dóén was heel lang onduidelijk.

In de jaren negentig moest Hans Dijkstal als minister van Binnenlandse Zaken nog met het schaamrood op de kaken bekennen dat hij niet wist hoeveel agenten er in Nederland rondliepen. Sindsdien is de administratie aanzienlijk verbeterd, maar ideaal is het nog steeds bepaald niet. Simpele vragen als: hoeveel overhead en bureaucratie zit er eigenlijk bij de Nederlandse politie? En: hoeveel rechercheurs werken er? konden tot voor kort niet beantwoord worden. Pas in de loop van 2012 bracht een uitgebreid onderzoek door consultants van bureau AEF meer inzicht. Ze produceerden twee rapporten: een waarin de sterkte van onze politie wordt vergeleken met onze buurlanden (Engeland en Wales, België, Duitsland en Denemarken), en een die dieper ingaat op de sterkteverdeling binnen de Nederlandse politie. Het is fascinerende en tegelijkertijd ontluisterende literatuur voor wie geïnteresseerd is in de werkelijkheid achter de eeuwige roep om blauw op straat. Nergens in Europa is de politie de afgelopen jaren zo hard gegroeid als in Nederland. Maar waar is het beloofde blauw gebleven?

In 1991 had Nederland 38.650 politiemensen, dat wil zeggen één per 438 inwoners. Interna­tionaal gezien zat Nederland toen aan de lage kant. We zijn inmiddels zo’n twee decennia verder. In 2009 werkten er bij de politie 55.599 fte’s (fulltime-equivalents). Per 297 bewoners is er nu één politiemedewerker, waarmee we Europees gezien ruim bedeeld zijn. De Nederlandse politie is van alle Europese korpsen verreweg het snelst gegroeid, met maar liefst 43,9 procent in twintig jaar. De Neder­landse bevolking groeide in die periode met zeven procent.

De politie is vooral een 'geheime sociale dienst'. Foto: Koen Verheijden/HH
De politie is vooral een ‘geheime sociale dienst’. Foto: Koen Verheijden/HH

Wat zijn die bijna 20.000 extra mensen gaan doen? Wie de beloften van de Nederlandse politiek de afgelopen jaren heeft gevolgd, zal waarschijnlijk denken: op straat lopen en boeven vangen. Dat valt tegen. De groei van de Nederlandse politie is voor het grootste deel gaan zitten in de ondersteuning, die meer dan verdubbelde tussen 1994 en 2009. In 1994 was een op de tien politiemensen daarin werkzaam, in 2009 een op de zes. De ‘primaire uitvoering’ – dus de mensen die het echte politiewerk doen: blauw en recherche – steeg met 11 procent. Die groei zat ’m vooral in de verdubbeling van het aantal wijk- en districtsrechercheurs naar zo’n 3200 man. Het echte blauw op straat (basispolitiezorg en wijkagenten) groeide met slechts 3 procent, naar 18.583. De ondersteuning (bijvoorbeeld meldkamer) groeide met 107 procent en de leiding en overhead met 43 procent. In absolute zin kwam er dus iets meer blauw op straat, maar omdat de rest van de politie veel harder groeide is er relatief steeds minder blauw bij de politie gekomen. Ondanks een flinke groei heeft de Nederlandse politie van heel Europa de minste recherche: 12,8 procent van alle mensen, tegen bijvoorbeeld 17,2 procent in Duitsland. Na ‘blauw’ is ‘leiding en overhead’ verreweg de grootste categorie bij de politie: zij slokken maar liefst 28,9 procent van al het personeel op, waarmee Nederland internationaal heel hoog zit. Om enig idee te geven: de politie heeft 2311 medewerkers voor ‘staf/beleid/control’ in dienst. Ter vergelijking: er zitten zo’n 1200 rechercheurs op zware criminaliteit.

Onzinnige wietpas
Nergens in Europa is de politie zo hard gegroeid als hier. Vergeleken met de ons omringende landen is de sterkte hier prima op orde. Het interessante is dat alle onderzochte landen (Nederland, Engeland en Wales, België, Duitsland en Denemarken) eenzelfde patroon laten zien: een stijging van de criminaliteit tot rond de eeuwwisseling en daarna een daling. De onderzoekers concluderen dat het niet mogelijk is een verband te leggen tussen de daling van de misdaad en de omvang van de politiesterkte: ook in landen waar de politie niet of nauwelijks groeide, daalde de criminaliteit.

De Nederlandse politie heeft van heel Europa de minste recherche

Is de eeuwige discussie over meer blauw op straat dan typisch Nederlands? Experts verschillen daarover van mening. Discussies over veiligheid en misdaad spelen overal en de vraag wat de politie daaraan moet doen óók. Maar in veel andere landen ligt de nadruk veel meer op de recherche, die hier in Nederland met 12,9 procent relatief zwaar onderbezet is. De onderzoekers van AEF stellen dan ook dat de discussie over blauw op straat wel degelijk typisch Nederlands is. Waarom is dat zo, vragen de onderzoekers zich af. ‘Waarom worden er in de periode voor de verkiezingen uitspraken gedaan over aantallen agenten meer? (…) Waarom wordt, wanneer opzienbarende zaken in de media komen, vrijwel steevast van de zijde van de politie (en soms van het OM) aangegeven dat er tekorten zijn?’

Met de objectieve feiten kan het niet te maken hebben, want Nederland is niet onveiliger dan de rest van Europa en we hebben ook niet minder politie. Kennelijk is er een zichzelf versterkend proces ontstaan tussen Nederlandse burgers, journalisten en politici: ‘Daar waar gevoelens van onveiligheid zijn, wordt gedacht in oplossingen van meer politie.’

Het zijn scherpe observaties, die ook in deze verkiezingscampagne nog recht overeind stonden. Een paar dagen voor de verkiezingen hamerde Mark Rutte in een interview met nu.nl als vanouds op het thema veiligheid: ‘Kunnen mijn kinderen veilig naar school? Komen ze veilig thuis na het uitgaan in het weekend? En als ik zelf oud ben, kan ik dan mijn hondje nog uitlaten?’ Rutte stelde dat Nederland onveiliger wordt als de PvdA aan de macht komt omdat die partij een half miljard wil bezuinigen op veiligheid. De sociaal-democraten willen driehonderd miljoen snoeien op de uitvoerende diensten van de ministeries van Veiligheid en Justitie en Binnenlandse Zaken. Het legaliseren van softdrugs levert tweehonderd miljoen op. De VVD daarentegen wil een kwart miljard extra uitgeven aan veiligheid.

Deze uitspraken van Rutte zijn op drijfzand gebaseerd. Een halve eeuw onderzoek naar politie en misdaad heeft nooit een verband kunnen aantonen tussen uitgaven en daadwerkelijke veiligheid. Van de twintigduizend man die de Nederlandse politie er de afgelopen decennia bij heeft gekregen is hoogstens een handjevol extra mensen op straat terechtgekomen. Gezien de omvang van ‘blauw achter het bureau’ (alleen al 2300 beleidsmedewerkers) is een bezuiniging van tweehonderd miljoen euro ten tijde van een zware crisis helemaal niet zo raar. Daar wordt geen burger onveiliger van.

'Meer blauw op straat': een Nederlandse discussie.
‘Meer blauw op straat’: een Nederlandse discussie.

Wat het land wel aantoonbaar onveiliger maakt, is de onzinnige wietpas waar zelfs VVD-burgemeesters inmiddels afstand van nemen. Mark Rutte zou er goed aan doen om eens te luisteren naar het advies van twee verstandige liberalen: Frits Bolkestein en Els Borst. Die pleitten al in 2010 onder de titel ‘Red het land, sta drugs toe’ voor legalisering: ‘Al ruim veertig jaar zijn drugs verboden. Maar het gebruik is groter dan ooit en niets wijst erop dat het verbod werkt. Wél staat als een paal boven water dat het verbod schade veroorzaakt. (…) Minstens de helft van alle criminaliteit in ons land is direct of indirect het gevolg ervan. (…) Iedereen die zich zorgen maakt over veiligheid, zou zich moeten afvragen of er geen alternatief is voor het drugsverbod.’

En dat was nog voordat het kabinet-Rutte de wietpas invoerde en veertienjarige drugsrunners Maastricht onveilig gingen maken.

Het traditionele antwoord van de politiek op gevoelens van onveiligheid was de afgelopen decennia ‘meer geld en meer blauw’. De economische crisis maakt die pavlovreactie onbetaalbaar. Een goede reden om eens wat nuchterder en op basis van feiten over veiligheid te gaan praten.

Dit is een bewerkt fragment uit ‘De veiligheids­mythe. Over politie, justitie en misdaad in Nederland’ van Bart de Koning, uitgeverij Balans, 160 p., € 17,95

Sluit je nu aan voor slechts €4,99 per maand

Sorry, je hebt op het moment geen toegang tot dit artikel.

Waarschijnlijk heb je een abonnement zonder digitale toegang. Wil je deze content graag lezen, sluit dan snel een abonnement af.

Heb je wél een abonnement met digitale toegang, neem dan contact op met onze klantenservice: 020 – 5518701.