De toekomst van de roman

Rob Schouten
Illustratie: Siegfried Woldhek
Niet de roman is in nood, maar veeleer de aloude romanschrijver. En de verdedigers van de roman bepleiten geen voor- maar achteruitgang.

Jaren geleden bezocht ik Sint-Petersburg en het eerste wat ik er deed, was naar de Neva wandelen om te kijken onder wat voor omstandigheden de ranzige pedofiel Svidrigailov uit Dostojevski’s Misdaad en straf zich van het leven had beroofd.

De volgende dag liep ik het aantal stappen na dat Raskolnikov nodig heeft om van zijn huis bij dat van de oude woekeraarster Aljona Ivanovna te komen die hij om zeep gaat brengen, en probeerde ik me in het kolkende hoofd van de moordenaar te verplaatsen. Of wat vrediger: ik kom in Dublin aan en mijn eerste doel is 7 Eccles Street, woonhuis van Leopold Bloom. Literaire pelgrimages, het zijn nog maar de uiterlijke vertoningen van een leven dat gestempeld is door de romans die je gelezen hebt.

Want dat ik die heilige plaatsen wilde bezoeken, komt natuurlijk doordat de boeken waar ze met hun (anti-)helden in voorkomen mijn leven veranderd hebben. Dat De wegen der vrijheid van Sartre me de weg wees uit het enghartige milieu waar ik in opgroeide. En dat ik na De donkere kamer van Damokles van W.F. Hermans, nota bene verplicht op het eindexamenlijstje, wel snapte dat ik voortaan geen held meer hoefde te zijn. En dan de romans van Nabokov, die me deden inzien dat de freudiaanse psychologie haar bespottelijke kanten heeft. Een leven gestuurd door romans.

Zo was het decennia lang voor een heleboel lezers, de westerse beschaving was ‘een beschaving van de roman’, zoals de filosoof E.M. Cioran het formuleerde. En het begon al in je jeugd: kinderen verslonden boeken, ze hadden trouwens ook weinig anders. Ik zelf bijvoorbeeld groeide op met Professor Zegellak van Daan Zonderland en de Winnetou-saga van Karl May; er heerste zelfs een heuse Kulturkampf, mijn ouders hielden nauwlettend in de gaten of ik niet te veel strips las; het keurig nette, door literatoren van naam beheerde tijdschrift Kriskras (met als beeldverhaal Karel ende Elegast!), dat mocht dan wel.

Maar die beschaving van de roman lijkt op losse schroeven te staan. Jonathan Franzen, hedendaags schrijver van dikke romans in de aloude verteltrant van de psychologische familieroman, beklaagde zich er over dat het verschijnen van een roman als The Old Man and the Sea van Ernest Hemingway indertijd een ‘nationale gebeurtenis’ was in Amerika, maar dat van een dergelijke impact van de literatuur op het leven geen sprake meer is. Kees Fens schreef ooit dat het verschijnen van een roman van Vestdijk elk jaar weer een gebeurtenis was; kom er nog maar eens om.

Lekker over praten

Met de leescultuur waarin schrijvers iets te zeggen hadden dat het leven van hun lezers veranderde, lijkt het gedaan. De omineuze berichten bereiken ons van alle kanten: mensen lezen in het digitale tijdperk nauwelijks meer of ze lezen andere dingen, bibliotheken moeten sluiten, literatuur doet er niet veel meer toe. Anderzijds zie je dat allerlei jonge talenten zich juist op het bedreigde verschijnsel storten: de broertjes Heerma van Voss, Maartje Wortel, Jamal Ouariachi, Joost de Vries, Franca Treur, jonge romanschrijvers die worden gevoed met optredens, interviews en stipendia. Bij Pauw & Witteman en De Wereld Draait Door komen de goedgebekte auteurs langs, misschien schrijven ze wat mindere boeken maar ze kunnen er wel lekker over praten.

De roman werd nog maar net in brede kringen gelezen of er 
waren al apocalyptici die haar ondergang profeteerden

Even terug in de tijd: vijftig jaar geleden was je alleen maar hip als je gitaar speelde of zanger was of desnoods slippendrager in het rijk der muziek, roadie, groupie. Tegenwoordig is het weer salonfähig om romans te schrijven en je op talkshows als Literaturfest te vertonen, te publiceren in Das Magazin, op tv te komen.

Niet de roman lijkt zo te zien in nood, maar veeleer de aloude romanschrijver, de kamergeleerde wiens gezicht je vroeger alleen van de achterflap kende omdat hij in zijn dagelijks leven onzichtbaar voor de buitenwereld zat te scheppen in plaats van zich voor de camera’s op te houden. Een paar jaar geleden zag ik vlak achter elkaar de grote schrijvers Thomas Rosenboom en Allard Schröder bij Pauw & Witteman, ze moesten wel want ze hadden net de AKO- of de Librisprijs gewonnen. Het werd een mismatch van jewelste.

Verlegen en hakkelend probeerden ze antwoord te geven op de onnozele, publieksgerichte vragen van hun ondervragers. Recensent Arnold Heumakers, die bij DWDD kritiek had op Het diner van Herman Koch, werd uit beeld geduwd met de opmerking dat hij niet zo moest zeuren want dat het toch een bijzonder goed verkopend boek was.

Apocalyptici

Er heerst dus onmiskenbaar een populistische geest in de literatuur, en belangrijke romanschrijvers zien dat met lede ogen aan. Nieuw is dat verschijnsel overigens niet. Het is als met de eerste christenen die nog tijdens hun leven het eind der tijden tegemoet zagen.

De roman werd nog maar net in brede kringen gelezen of er 
waren al apocalyptici die haar ondergang profeteerden. Hier, Louis Couperus, allicht Nederlands grootste romancier: ‘Ik ben ervan overtuigd dat binnen niet al te lange tijd, laat ons zeggen, binnen een eeuw, er geen romans meer zullen worden geschreven.’ In 1944, de wereld in brand, bogen E.M. Forster, Evelyn Waugh en Graham Greene, grootheden van hun tijd, zich rond een forumtafel over de prangende vraag ‘Is the novel dead?’ En dan onze eigen tijd, Philip Roth die gelooft dat misschien niet de romans maar wel de lezers uitsterven. Don DeLillo die het heeft over ‘een cultuur waarin alles tegen de roman werkt’. Klagen over de kansen van de roman lijkt een regelrechte seizoenskwaal. Het hoort er kennelijk bij.

Ook nu weer krabben schrijvers en liefhebbers van de goede roman zich achter de oren. Onlangs liet Tim Parks van zich horen, in de New York Times. Parks jammerde de laatste jaren geregeld over de roman, al werd zijn chagrijn getemperd door het feit dat hij een soort oosterse verlichting had gevonden, hetgeen overigens zijn eigen recente romans niet ten goede kwam.

Tegenwoordig is het salonfähig om je als schrijver op talkshows als Literaturfest te vertonen. Foto: Roger Cremers/HHTegenwoordig is het salonfähig om je als schrijver op talkshows als Literaturfest te vertonen. Foto: Roger Cremers/HH

‘Trapped inside the novel’, gevangen in de roman, noemt Parks zijn jongste cri de coeur. Ja, zegt hij, het is waar, de roman is irrelevant geworden onder druk van wat we maar zullen noemen de profane media. Maar eigen schuld dikke bult. Romans zijn saai en voorspelbaar, ze blijven te veel hangen in oude patronen: de hoofdpersonen verkeren in een dilemma, lijden onder een crisis waarna met de nodige pathos het lijden ten slotte draaglijk wordt gemaakt. Lijden, loutering, wijsheid, dat is het aloude devies.

De hedendaagse romanschrijver zit volgens Parks in een impasse. Hij vergelijkt de postmoderne roman met de geit uit Samuel Becketts roman Watt die de paal waaraan hij vast zit wel uit de grond heeft getrokken maar er nu mee rondloopt, niet wetend wat te doen.

Maar er is goed nieuws. In plaats van met een verhaal te komen waarin de hoofdpersoon per aspera ad astra gelouterd wordt, moet de schrijver zich bezighouden met het heden, en daarmee bedoelt Parks niet de actualiteit, maar het moment zelf, de onmiddellijke perceptie, de directe ervaring die je in de roman zou moeten savoureren. Dat vereist volgens hem een verandering van de standaardinstellingen: nieuwe vertelvormen, andere stijl, taalhervorming.

‘Echt zien, literatuur in het mediatijdperk’ van Bas Heijne.
‘Echt zien, literatuur in het mediatijdperk’ van Bas Heijne.

Parks meent geloof ik in alle oprechtheid dat hij wat nieuws brengt, maar zijn medicijn voor de roman lijkt toch verdacht veel op wat Milan Kundera noemde ‘de oude voorliefde van de romankunst voor het raadsel van het heden, voor de rijkdom die in één seconde van het leven besloten ligt, voor het existentiële schandaal van de onbeduidendheid.’ Oude wijn in nieuwe zakken dus. Maar in elk geval heeft hij weer hoop op een goede afloop. Hij klinkt al een stuk minder bewolkt dan een paar jaar geleden toen hij, bijvoorbeeld tegen Bas Heijne maar ook elders, beweerde dat de roman niks nieuws meer heeft te vertellen.

De wereld te lijf

Bas Heijne vertelt in Echt zien, literatuur in het mediatijdperk dat hij een nare smaak overhield aan Parks voormalige ondergangsstemming. Hijzelf gelooft namelijk hartstochtelijk in de roman, de ouderwetse roman dan, want van de verworvenheden van het structuralisme of het postmodernisme moet hij zo te zien weinig hebben. We moeten, dixit Heijne, niet meehuilen met de sociologische denkers die vinden dat het lezen van romans vooral een sociale daad is van ambitieuze quasi-intellectuelen die erbij willen horen. Laat daarentegen de humanistische gedachte nog gelden: je leest om er geestelijk beter van te worden! En dus zijn volgens Heijne ook niet stijl en structuur de belangrijkste elementen in een roman, maar inhoud, strekking, hoe verhoudt het verhaal zich tot de wereld: ‘de roman heeft altijd naar realisme gehongerd (…) iedere roman is een poging om iets over de ongrijpbare werkelijkheid te zeggen.’ Niet door stichtelijk en leerzaam te zeggen hoe het is en hoe het hoort maar ‘om de wereld mee te lijf te gaan, om klaarheid te brengen in morele dilemma’s, verschrikkingen onder ogen te zien, tegen de geriefelijke aannames van de tijdgeest in te denken.’

Zeker, het mediatijdperk en de digitale invasie bedreigen de hedendaagse schrijver met hun hapklare beelden en hun veelvormige, alom aanwezige, intimiderende blik op de wereld. Maar de romanschrijver moet ertegen in gaan, hij moet de sluiers die internet, Facebook en Twitter tussen onze blik en de wereld hebben gehangen, verscheuren. Hij moet de echte waarheid openbaren.

Innerlijke kosmos

Ook Oek de Jong probeert de oude roman veilig te stellen. Wat alleen de roman kan zeggen heet zijn bijdrage en die titel zegt genoeg: er is ondanks de overheersing in onze tijd van beelden, tv, film, internet, nog altijd een terrein waarop de roman iets unieks te bieden heeft. En dat terrein is ‘het subtiele en mysterieuze weefsel dat we bewustzijn noemen’.

Film en internet kunnen daar niet bij, en ‘daar komt de roman in beeld, bij uitstek de verkenner van onze innerlijke wereld, daar kan de romanschrijver laten zien over welke unieke mogelijkheden de roman beschikt. En meer dan ooit tevoren in de geschiedenis kunnen wij momenteel onze innerlijke wereld beschrijven en openbaar maken.’ Schrijvers moeten ons door de kosmos van onze binnenwereld te beschrijven een veelomvattende blik op het menselijk leven zien te verschaffen!

Mij lijkt een groter probleem dat de verdedigers van de roman liever willen verouderen dan vernieuwen

Schoenmaker hou je bij je leest, dat is misschien wel de kortste samenvatting van de ideeën van Bas Heijne en Oek de Jong en zonder dat hij het weet ook van Tim Parks. Het is minstens opmerkelijk: de schrijvers en denkers van naam die tegen de geest des tijds ten strijde trekken, zijn eigenlijk stuk voor stuk restaurateurs, ze verdedigen zichzelf in plaats van ten aanval te trekken. Flaubert, Proust, Kafka, zijn nog altijd de grote voorbeelden. Vernieuwing, een radicaal andere werkwijze, innovatieve verhaaltechnieken zullen de roman zo te zien niet redden.

Gek vind ik dat, de tegengeluiden die na de Tweede Wereldoorlog de kop opstaken, auteurs die de traditionele roman op de schop wilden nemen, pleitbezorgers van de avantgardistische roman, de nouveau roman, de experimentele praktijk, ze zijn inmiddels zo dood als een pier. Je hoort geen kip meer over Alain Robbe-Grillet of Sybren Polet. Juist de schrijvers die de roman opnieuw wilden uitvinden en die de opkomst van het technologisch universum cartografeerden, worden niet meer gelezen. H.C. ten Berge, Mark Insingel, waar bestu bleven?

Liever verouderen

‘We’re only one beat away from becoming elevator music,’ meende Don DeLillo in 1993 in een interview over de maatschappelijke betekenis van romanschrijvers. Ik zie Philip Roth en Jonathan Franzen instemmend knikken. Maar is het waar, is de roman een zieke man en eindigt hij binnenkort als liftmuziek? Of moeten we ons niks laten aanpraten en hebben geletterde Amerikanen gewoon meer last van hun technologisch universum, de digitale revolutie en een verpauperde literaire belangstelling dan wij in Nederland?

Natuurlijk, ontlezing en digitalisering liggen ook bij ons op de loer. Maar zijn zij de grote boze vijanden? Ik geloof er niks van. Laten we eerlijk zijn, het gros van de lezers was nooit erg bezig met Heijnes ‘ongrijpbare werkelijkheid’ of De Jongs ‘weefsel van het bewustzijn’, laat staan met Parks’ verheerlijking van de onmiddellijke waarneming. Hun eventuele verhuizing van de keukenmeidenroman naar de film, de soap, het internet lijkt mij geen grote aderlating voor de literatuur. Liever kwijt dan rijk in zekere zin. De betere, hogere literatuur is nu eenmaal altijd in handen geweest van een betrekkelijke Gideonsbende.

Oek de Jong, ‘Wat alleen  de roman kan zeggen’
Oek de Jong, ‘Wat alleen de roman kan zeggen’

Mij lijkt een groter probleem dat de verdedigers van de roman liever willen verouderen dan vernieuwen. In zekere zin is zo de geest van de Amerikaanse literatuur, waar ze Don DeLillo al een onbegrijpelijke Eastcoast experimenteel vinden, in de Nederlandse geest gevaren: onderzoekt alle dingen een beetje maar behoudt vooral het goede. Niet dat ik Het boek ik (van Schierbeek) of l’Année dernière à Marienbad (van Robbe-Grillet) met rode oortjes in bed lag te lezen, maar ze daagden de traditionele roman wel uit, hielden schrijvers scherp.

Onlangs las ik een licht-modernistische roman van de redelijk onbekende Vlaamse schrijver Christophe Van Gerrewey, Trein met vertraging, en opeens realiseerde ik me dat ik al in geen tijden een tegendraadse Nederlandstalige roman had gelezen. Niet het digitale tijdperk maar het verdwijnen van de avant-garde lijkt mij de grote bedreiging voor de roman die ons nog wat wil zeggen.

NRC Handelsblad kwam onlangs met een topvijftig van romans van de afgelopen vijf jaar die je gelezen zou moeten hebben: 25 Nederlandse, 25 buitenlandse in vertaling. Bijna allemaal plezierige, goed leesbare boeken. Doen het goed op de salontafel. Erg apocalyptisch zag het er niet uit, wel al te comfortabel.

‘Echt zien, literatuur in het mediatijdperk’ van Bas Heijne verscheen in 2011 bij Athenaeum-Polak & Van Gennep.

Oek de Jong, ‘Wat alleen de roman kan zeggen’, Atlas Contact, € 12,50, 96 p.

Sluit je nu aan voor slechts €4,99 per maand

Sorry, je hebt op het moment geen toegang tot dit artikel.

Waarschijnlijk heb je een abonnement zonder digitale toegang. Wil je deze content graag lezen, sluit dan snel een abonnement af.

Heb je wél een abonnement met digitale toegang, neem dan contact op met onze klantenservice: 020 – 5518701.

vn.nl is vernieuwd!

Vanaf 15 december bieden wij onze leden exclusieve online artikelen. Om te lezen, te delen en op te reageren.

  • Dagelijks de beste artikelen
  • Bovenop het nieuws
  • Kritisch en optimistisch
  • Bijdragen direct in je mailbox
  • Maandblad online lezen

Voor huidige abonnees:

Heeft u in het verleden een online account aangemaakt, dan moet u door alle veranderingen een nieuw wachtwoord aanmaken.
Meteen een nieuw wachtwoord aanmaken

Wel abonnee maar nog geen account?
Registreer je dan om direct te lezen