De selfie dwingt ons in een keurslijf dat we steeds strakker aantrekken en knaagt aan hard bevochten vrijheden. Waarom houden we er niet mee op?

Begin mei, Koh Tao, Thailand. Het is zo’n strand waar je miljoenen afbeeldingen van krijgt als je ‘beach Thailand’ googelt. Het zand is wit. Het zeewater een mengeling van lichtblauw en turquoise. Er drijft geen zeewier in de branding. Aan de horizon steken vergelijkbare paradijs-eilandjes af tegen de wolkeloze hemel. De beachbar is strategisch opgesteld. Daar jongleert een jonge, hevig getatoeëerde Thaise versie van Tom Cruise met gin somethings voor meisjes in een Hennes & Mauritz bikini met een zonnebril in hun haar en een miniem, doorschijnend sjaaltje – mijn vader zou zeggen: een zakdoek – om hun pilatesbillen. Aan de rand van het strand staan palmbomen. Daar liggen mensen onder te luieren op rieten ligstoelen. Midden op het strand ligt bijna niemand want in de zon is het veel te warm, zelfs in de late middag.

Eén stelletje trotseert de hitte en de uv-straling, een gewone man en een knappe vrouw van begin dertig. Zij steunt op haar ellenbogen en heeft haar lange, bruine benen bevallig gekruist. Hij ligt op zijn rechterzij, zodat hij haar met zijn linkerhand kan betasten. Dat doet hij onophoudelijk. Hij streelt haar decolleté, haar buik en haar dijbenen en kust haar in haar hals en op haar schouder. Alles keurig binnen de pornogrenzen: romantisch, verliefd, niet platvloers. Zij reageert niet op zijn liefkozingen. Ze duwt hem nog net niet weg, maar ze geeft ook niets terug, geen aai, geen zoen, geen glimlach. Wat ze wel doet, is praten. Aan één stuk door en aan haar ontevreden gezicht te zien over iets zeikerigs. Na een half uur geeft de arme stakker het op. Hij gaat rechtop zitten en rommelt in zijn spullen. Zij gaat nu ook zitten. Onderzoekend – en doorpratend – bekijkt ze zijn lichaam. Dan knijpt ze iets uit (!!) op zijn buik en smeert wat het ook was af aan zijn zwembroek. Hij doet alsof dit normaal is. Wel lijkt hij nu klaar met de gezellige middag op het strand. Hij staat op en steekt zijn hand uit om haar overeind te helpen. Zij negeert de hoffelijkheid, frunnikt aan haar kapsel en krabbelt zelf overeind. En ja hoor, dan komt hij natuurlijk tevoorschijn: de smartphone. De man houdt hem vast met gestrekte arm nadat hij heeft gekeken of er genoeg palmbomen op de achtergrond staan. De vrouw vijzelt haar borsten op in haar push-up bikinitopje, blijkt ineens oogverblindend te kunnen glimlachen en klampt zich vast aan haar vriend/echtgenoot. Cheek to cheek, klik, ongetwijfeld een kwartier later te vinden op Facebook, Twitter, Instagram, Snapshot, enzovoort. ‘Joehoe, kijk ons eens onbezorgd mooi en gelukkig vakantie vieren!’

Ik ben een lekker gek mens

Toen ik aan de bar van Thaise Tom een uiteenzetting van dit schouwspel whatsappte aan een Ierse vriendin in New York antwoordde ze: ‘Jesus. I feel like you just described all of Brooklyn. WE’RE MISERABLE but as long as we look cool that’s all that matters.’ Daar heeft ze een punt, denk ik, al geldt het niet alleen voor het hipste stadsdeel van New York City. Brooklyn staat symbool voor het deel van de wereld dat zich een weg door het leven selfiet. En dat werelddeel is groot. Natuurlijk, naast alle andere gedaantes die mensen off camera aannemen in verschillende situaties, is het al weet ik hoe lang gangbaar een ‘social media-me‘ te hebben om te laten merken dat je bestaat. Een alter ego met wie het altijd goed gaat. Succesvol, ad rem, op de hoogte, in het bezit van veel vrienden en een mening, nooit mosterdvlekken rond de immer omhoog krullende mondhoeken, enzovoorts. De selfie is een onmisbare illustratie van het succes en de hoge levenskwaliteit. Je zegt uiteraard niet met zoveel woorden dat je het goed voor elkaar hebt, dat laat je zien. Als je heel sneu bent, doe je dat door complimenten te retweeten, anders met behulp van selfies die dat imago kracht moeten bijzetten. Een cartoon in The New Yorker van 20 april geeft het leuk weer. Uitzichtpost in een schilderachtig landschap. Twee dames op de rug gezien. Twee mannen in vakantiekleding op de voorgrond, allebei telefoon in hun hand, gericht op zichzelf. Tekst: ‘Hold on, let me get a picture of you taking a picture of yourself while Gail takes a picture of both of us taking pictures.’ Zet iemand zichzelf neer in onaantrekkelijke of gênante staat – dronken/high, doodmoe, huilend – is dat ook niet zonder effectbejag. De onderliggende boodschap is dan 1. Ik heb een heel wild leven (iedereen wil met mij de hort op omdat ik zo populair ben). 2. Ik ben een lekker gek mens (daarom ben ik zo populair). 3. Ik durf mezelf zogenaamd helemaal bloot te geven (omdat ik al heel populair ben maar ik wil toch nog meer aandacht.) Een interessante combinatie van alle drie deze varianten was vorig jaar te zien in het Letterkundig Museum. Daar werden in de tentoonstelling Selfmade selfies getoond die schrijfster Heleen van Royen door de jaren heen deelde met de wereld via sociale media. Veel niet zo aantrekkelijk bloot, verlopen make-up, afgezakt ondergoed en haar pièce de résistance: een close-up, en ik bedoel close up, van haar vagina waaruit zij, of iemand anders, een bebloede tampon trekt. (Mogelijk onderliggend effectbejag: kijk mensen, ik ben nog niet in de overgang! Zeg, of liever nog: tweet, het voort!)

De drang tot kijken

Zelf heb ik altijd een afstandelijke verhouding gehad met sociale media. Ik gebruik ze om wat mensen en instanties te volgen. Zelf zet ik er zelden iets op. Het is niet dat ik me er te goed of niet goed genoeg voor vind, maar ik haat dat gevoel van bedelen om aandacht, het gevoel van steeds te willen kijken of iemand reageert. En ik merk dat ik niet ontkom aan de drang tot kijken als ik een keer iets deel. Nogal wiedes natuurlijk want je doet het voor de erkenning. Zoals Karl Ove Knausgård schrijft in Mijn strijd 2: ‘Publieke aandacht is een drug, de behoefte die het bevredigt is kunstmatig, maar als je er eenmaal van geproefd hebt, wil je meer.’ Voor mij is het zoiets als Oreo’s, de beroemde Amerikaanse chocoladekoekjes: twee laagjes koek met daartussen zoet wit plakspul waarvan ik de ingrediënten en de bereidingswijze niet wil weten. Oreo’s zijn mijn guilty pleasure. Als ik ze in huis heb, kan ik niet stoppen tot het pak leeg is. Ik eindig altijd kotsmisselijk en onbevredigd. Toch blijf ik ze kopen, af en toe. Van de selfie-drugs hou ik me verre. Te veel last van schaamte, denk ik. En dat verergert naarmate de selfie-cultuur ingewikkelder en belangrijker wordt. Ik durf niet eens meer mijn profielfoto op Facebook te wijzigen. Om de onvermijdelijke reacties die het oproept als iemand – een vrouw eigenlijk – een nieuwe profielselfie lanceert. ‘Beauty!’ ‘Beauty!!’ ‘BEAUTY!!!’ ‘Mooi!!!’ ‘Wow!’ ‘Gorgeous!’ Met daadwerkelijke schoonheid hebben die uitroeptekens niet zoveel te maken, het hoort er gewoon bij, vooral tussen vrouwen onderling. En het ellendige is dat je, ondanks de wetenschap dat profielfoto-complimenten tot de standaard social media mores behoren, toch die goedkeuring wilt. Dat je een beetje verdrietig wordt als na een half uur nog niemand je voorkomen heeft bewierookt. Dus ja, door mijn selfies (ik heb er best veel) tegen de borst te houden denk ik mezelf een plezier te doen. Maar toch, als ik anderen er vrolijk op los zie en vraag ik me ook wel eens af of dit echt zo is. Misschien misgun ik mezelf iets. Of ben ík juist de ijdeltuit door het niet te doen?

Verneukeratief voor het zelfbeeld

Laatst zag ik in het Amsterdamse Bos een collega-journalist lopen achter een kinderwagen. Via het journalistieke roddelcircuit had ik gehoord dat het niet zo goed ging met haar. Relatie op de klippen. Weinig werk. Nog iets vervelends maar dat ben ik vergeten. Het tafereel voldeed aan de verhalen. Het kindje huilde. Zij zag er wit, doodmoe en tobberig uit. Die avond zag ik op Facebook dat ze een paar uur eerder een selfie had gedeeld. Licht gebruind, kittig zonnebrilletje in het haar, glaasje wijn en een vriendin erbij, gierend van de lach. De reacties waren ernaar. Lekker veel likes en heel veel ronkend commentaar van social media-sisters (‘Looking good!!!’ ‘ZO knap!’ ‘Die ogen! Wow!’) Mijn eerste reactie was: Jezus, waarom juist vandaag die foto? Het is hypocriet. Het is verneukeratief voor het zelfbeeld van vrouwen en wij zijn toch al zo psychologisch poreus. Zou het niet beter zijn die behaagziekte te beteugelen of althans, de bevestiging in iets anders te zoeken dan in je uiterlijk?
Nu ik dit opschrijf denk ik ten eerste: waar bemoei jij je eigenlijk mee, Quaegebeur? En daarnaast heb ik zo mijn twijfels over mijn zienswijze. Heel lang geleden adviseerde de Viva vrouwen en meisjes al dat ze juist als ze zich miserabel en onzeker voelden iets moois moesten aantrekken. Ik kon me daar alles bij voorstellen als neurotische puber die altijd probeerde het kledingadvies van Jeroen van Inkel te volgen in zijn radioprogramma Rinkeldekinkel, ook goeiemorgen (‘Doe je haar in een hoge staart, zet de kobaltblauwe mascara dik aan en lach!’). Het werkte wel. Enigszins. In elk geval voelde het opkalefateren tegen een grafstemming in beter dan in de hockeykeepersoutfit van mijn broer achter de kamerplanten te blijven zitten.

Psycho-hulplijnen

Misschien is de stralende selfie die je online zet juist als je je klote voelt wel de huidige versie van deze zinnige huis-, tuin- en keukenpsychologische benadering. Ik zou de Viva-archieven van de laatste jaren er eens op moeten naslaan: gaat er een therapeutische werking uit van de zo knap mogelijke selfie en de voor de hand liggende hysterisch positieve reacties die het delen daarvan oproept? Deze vraag kwam ook aan de orde in een aflevering van Het voordeel van de twijfel, een filosofische documentairereeks op de Vlaamse zender Canvas waarin documentairemaker Bram van Splunteren en filosoof Stefaan van Brabandt zich afvragen welke inzichten de grote filosofen uit de geschiedenis aanreiken voor actuele vragen en problemen. In een aflevering over de selfie, eind 2014, reist Van Brabandt naar Thailand, een van de drie landen waar de meeste selfies worden genomen. Een paar maanden geleden sprak de Thaise regering zich uit tegen de preoccupatie met selfies en sociale media, dit nadat nationale psycho-hulplijnen lieten weten overspoeld te worden met noodkreten van jongeren die ongelukkig zijn omdat hun selfies niet of niet genoeg likes en ‘beauty’s!!!’ krijgen. Van Brabandt zoekt antwoorden in het verleden bij Hegel (‘Wederzijdse erkenning is cruciaal om mens te zijn. De mens verlangt dat er naar hem wordt verlangd.’) en bij Schopenhauer (‘Het is onzinnig om de goedkeuring van anderen na te jagen. Ideeën van anderen over ons zijn een aaneenschakeling van misvattingen.’) De huidige interpretatie van die opvattingen zit in zijn gesprekken met de Britse filosoof Alain de Botton en cabaretier Wim Helsen. Beiden zien op zich niets verkeerd in de behoefte gezien te willen worden: we hebben elkaar echt nodig dus we ontkomen er niet aan. Ze plaatsen wel kanttekeningen bij de selfie-cultuur. Helsen zegt er dit over: ‘Status bestaat per definitie bij de gratie van vergelijken. Hoe meer we vergelijken, hoe meer belang we hechten aan status, hoe holler en levenlozer het wordt. (…) Het probleem is gewenning [aan publieke erkenning, EQ]. Dat wordt de nieuwe norm. Alles wat minder is, geeft niet die bevestiging maar bevestigt wat daaronder zit: de angst om niet goed genoeg te worden bevonden door anderen. Dat is een doodlopende straat, het zal nooit genoeg zijn.’

Veel te veel over het uiterlijk

Volgens De Botton is populariteit op zichzelf niet het probleem, maar de criteria die we gebruiken om iemand populair te vinden. Wáár anderen hun goedkeuring aan geven, daar moeten we aan werken. Met dat laatste ben ik het hardgrondig eens. Als ik me beperk tot de selfies van vrouwen en de onderlinge reacties daarop: dat gaat, vind ik, veel te veel over het uiterlijk. Zonder ijdelheid geen kunst, literatuur of topsport, schrijft filosoof Frank Meester in zijn boek Zie mij. Zeker waar, maar de selfie dwingt ons in een keurslijf dat we steeds strakker aantrekken en dat knaagt aan hard bevochten vrijheden doordat we er open en bloot voor kiezen om beoordeeld te worden op onze mooie ogen alleen. Een oordeel waar weinig diepgang en schoonheid in zit. Zijn al die selfie-complimenten gegund, vraag ik me af. Zijn ze gemeend? Mwoah. Hebben ze een dubbele agenda? Ja, namelijk: als ik haar beauty noem, noemt zij mij ook beauty als ik een foto van mezelf deel. Een type wisselwerking dat ik ook regelmatig tegenkom op de kleuterschool van mijn dochter over de verschillende prinsessenjurken die de merchandisemachine van Disney heeft voortgebracht. En dan kom ik toch weer uit bij een vergelijking met die ellendige Oreo’s: het bevredigt niet echt, het is nooit genoeg en beklijven doet het al helemaal niet want uiterlijke schoonheid vervliegt en rap ook. Dat doet niet af aan het advies niet in je Roy Donders huispak te blijven rondhangen als je je slecht voelt. Hoe oppervlakkig dit ‘advies’ ook is en hoe gering de werking ervan zal zijn bij een ernstig zelfbeeldprobleem, het houdt de cirkel om wiens bevestiging je vraagt in elk geval klein: jijzelf en de mensen in je daadwerkelijke omgeving. Misschien kunnen we eens proberen wat oprechte interesse te tonen als iemand een profielselfie wijzigt, in plaats van ‘wow!’s te scanderen. Gewoon door vragen te stellen. Waar was je toen je deze foto nam? Wat gebeurde daar? Wat zag je? Wanneer was het? Wat waren toen je verlangens, dromen en ambities? Was je kind al geboren? Leefde je moeder toen nog?
Wordt het zo te intiem voor de publieke ruimte, dan ga je even gezellig één op één chatten. Wijd er voor mijn part een facetime-sessie aan. Alles beter dan dat nietszeggende beauty-gelul.
Dit alles doet er niets aan af dat ik binnenkort een keer mijn profielfoto op Facebook moet veranderen. De foto die er nu opstaat, genomen op mijn huwelijksdag in Brazilië – witte jurk, enorm zwanger – kan niet meer. Het kind zit inmiddels in groep 1. Ik heb nog wel een eigentijdse selfie liggen uit Koh Tao. Die deel ik vlak voor ik straks het vliegtuig in stap naar mijn vakantiebestemming New York. Brooklyn eigenlijk. Kan ik tenminste acht uur niet kijken of iemand er iets van vindt.